Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 24 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
mede ook namens de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , Syrië,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , Qatar,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. de Poorte in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het e-mailbericht van 5 december 2025 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
- de brief van 23 december 2025 van de Staat, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 15 januari 2026 van de zijde van verzoekster, met bijlage;
- het e-mailbericht van 20 januari 2026 van de Staat;
- het e-mailbericht van 21 januari 2026 van de zijde van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoekster is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoekster en de minderjarige [minderjarige 1] hebben in Syrië gewoond tot mei 2012. Van mei 2012 tot augustus 2022 waren zij in Qatar woonachtig. De minderjarige [minderjarige 2] is in Qatar geboren.
- Verzoekster en de minderjarigen zijn op 22 augustus 2022 Nederland ingereisd.
- Aan verzoekster en de minderjarigen is op 20 februari 2024 een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig van 26 augustus 2022 tot 26 augustus 2027.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten van haarzelf en de minderjarigen, welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- individuele uittreksels uit de burgerlijke stand voor Palestijnen, afgegeven in Syrië;
- een familieboekje van GAPAR, afgegeven in Syrië;
- Syrische reisdocumenten voor Palestijnen/vluchtelingen, afgegeven in Syrië;
- een rijbewijs van verzoekster, afgegeven in Syrië.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en zijn beoordeeld met “advies niet mogelijk”:
- woonverklaring, afgegeven in Syrië,
- een UNRWA family registration certificate, afgegeven in Syrië.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij en de minderjarigen staatloos zijn, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet langer in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank de Palestijnse Gebieden, Syrië en Qatar bij de beoordeling van het verzoek betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster en de minderjarigen een andere nationaliteit kunnen hebben verkregen.
Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden door Bureau Documenten van de IND – in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen van Palestijnse afkomst zijn. Voor zover verzoekster en de minderjarigen de Palestijnse nationaliteit hebben, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster of de minderjarigen de Syrische nationaliteit via hun vader of moeder kunnen hebben verkregen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen de Syrische nationaliteit hebben verkregen.
Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van Qatar beschouwd?
Verzoekster en de minderjarige [minderjarige 1] hebben van mei 2012 tot augustus 2022 in Qatar gewoond. De minderjarige [minderjarige 2] is op [geboortedatum 2] 2015 in Qatar geboren.
Uit de Qatarese nationaliteitswetgeving volgt dat het mogelijk is om de Qatarese nationaliteit te verkrijgen. Hiervoor geldt als voorwaarde een legaal verblijf gedurende 25 jaar. Hier voldoen verzoekster en [minderjarige 1] niet aan. Ten aanzien van kinderen geboren in Qatar voorziet de nationaliteitswetgeving in de mogelijkheid dat vondelingen en kinderen geboren uit onbekende ouders de Qatarese nationaliteit verkrijgen. Ook kinderen van genaturaliseerde Qataresen kunnen de nationaliteit verkrijgen. Het voorgaande gaat niet op voor [minderjarige 2] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster en de minderjarigen de Qatarese nationaliteit hebben verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoekster.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoekster en de minderjarigen staatloos zijn;
*
wijst af het meer of anders verzochte.