ECLI:NL:RBDHA:2026:2215

ECLI:NL:RBDHA:2026:2215

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-01-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer C/09/693682 / FA RK 25-8116
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Hoofdverblijfplaats, gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Uitspraak

Beschikking op de op 27 oktober 2025 ingekomen verzoeken van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.K.P.K. el Fadili te Oegstgeest.

Procedure

In de procedure met zaaknummer C/09/693703

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

In de procedure met zaaknummer C/09/693682

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

Op 10 december 2025 zijn de zaken gevoegd behandeld op de zitting van deze rechtbank. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .

Verzoek en verweer

In de procedure met zaaknummer C/09/693703

De vader verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

In de procedure met zaaknummer C/09/693682

De vader verzoekt, na aanvulling:

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig:

- 2 x per week video-bellen op woensdag en vrijdag van 19.30 uur tot 20.00 uur en 1 x per twee weken contact via een omgangshuis onder toezicht van een professionele derde;

- na een halfjaar kan de vader thuis zonder toezicht de kinderen zien, onder de voorwaarde dat hij twee keer per week testen overlegd aan de moeder waaruit blijkt dat hij negatief is getest op middelengebruik;

- weer een halfjaar later – als gebleken is dat de vader de afspraken blijvend kan nakomen en het contact met de kinderen veilig verloopt – kan de zorgregeling uitgebreid worden;

- subsidiair een regeling die de rechtbank juist acht;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

In de procedure met zaaknummer C/09/693703

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).

Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

In de procedure met zaaknummer C/09/693682

Hoofdverblijfplaats

De moeder verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij haar te bepalen. De vader stemt in met dit verzoek.

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming

De vader is verslaafd geweest aan verdovende middelen, te weten cocaïne en heroïne, en zegt nu sinds drie maanden clean te zijn. Hij wil graag dat er weer een zorgregeling wordt vastgesteld tussen hem en de kinderen. In het verleden zag hij de kinderen om de week op de zondag, onder begeleiding van een derde. Deze regeling is door de moeder stopgezet op het moment dat De Brijder besloot om de tweewekelijkse urinecontrole op drugs te stoppen. Sindsdien ziet de vader de kinderen alleen via videobellen. Hij stelt dat het nu beter met hem gaat. Hij heeft inmiddels de diagnose ADHD gekregen en krijgt daar medicatie voor. Daardoor is het volgens hem onmogelijk om nog drugs te gebruiken want daardoor wordt hij heel erg ziek. Ook heeft hij een eigen woning en werkt hij fulltime. De vader wil daarom graag de fysieke omgang met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] weer oppakken. Hij verzoekt een regeling waarbij zij om de week van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen bij hem thuis zijn. De vader begrijpt dat het mogelijk is dat hier eerst een opbouwregeling voor nodig is, en is bereid hieraan mee te werken.

De moeder vindt dat omgang op dit moment alleen onder begeleiding kan plaatsvinden. In juli 2025 is gebleken dat de vader niet eerlijk was over de drugstesten. Daardoor heeft hij de kinderen dus (mogelijk) onder invloed van middelen bij zich gehad. De moeder kan er niet op vertrouwen dat de kinderen veilig zijn bij de vader, ook niet als daar een derde bij is omdat het in het verleden dan ook gebeurde dat de vader zonder die derde met de kinderen iets ging doen. Alleen een professionele derde kan volgens de moeder garanderen dat de omgang veilig verloopt. De videobelmomenten kunnen, ondanks dat dit ook niet altijd goed verloopt, volgens de moeder wel door blijven gaan. Naast dat de moeder op dit moment enkel begeleide omgang tussen de vader en de kinderen wil, verzoekt zij ook belast te worden met het eenhoofdig gezag. Ter onderbouwing van dit verzoek brengt ze naar voren dat het vanwege de problematiek van de vader niet lukt om te communiceren en daarom is gezamenlijk ouderschap niet mogelijk. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de vader en hij houdt zich niet aan afspraken. Volgens de moeder is hij daarom niet in staat de belangen van de kinderen te waarborgen en prioriteren.

De rechtbank stelt voorop dat de vader en de kinderen recht hebben op contact met elkaar. Dit contact moet wel veilig zijn. Gebleken is dat het de vader tot en met juli van dit jaar niet lukte om clean te zijn tijdens de omgangsmomenten. In het verslag van Jeugdteams Leidse regio van 30 juli 2025 leest de rechtbank hierover het volgende: “ [de vader] heeft benoemd op een woensdag te hebben gebruikt en de vrijdag een test te hebben gedaan. Dit terwijl hij dat aankomende weekend de kinderen zou krijgen. Hierbij heeft hij niet eerlijk gecommuniceerd naar [de moeder] dit te hebben gebruikt en wist hij al dat de testuitslag positief zou zijn. [de moeder] heeft toen de kinderen in onwetendheid naar [de vader] gebracht” en ook “Op dit moment is de maat vol bij [de moeder] . [de moeder] denkt erover na om het met de rechter op te pakken. [naam 2] geeft aan dit te snappen en onderschrijft dit”. De rechtbank begrijpt hieruit, en ook door wat de moeder ter zitting heeft aangegeven, dat de afspraken over het testen niet voldoende waren om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De rechtbank heeft begrepen dat het op dit moment beter gaat met de vader, hij is op de goede weg. Voordat fysieke omgang weer mogelijk is moet de vader kunnen aantonen dat hij inderdaad geen cocaïne en heroïne meer gebruikt en dat hij daarin consequent is. Naast de zorgen over de veiligheid van de kinderen in verband met middelengebruik zijn er echter ook zorgen over de spanningsboog van de vader tijdens de omgangsmomenten. De rechtbank leest in het verslag van Jeugdteams Leidse regio van 30 mei 2025 bijvoorbeeld: “De omgangsmomenten verlopen fijn. (…) [naam 2] bevestigt dit, maar geeft ook aan dat de contactmomenten soms wat te lang kunnen zijn voor [de vader] . Zijn spanningsboog lijkt wat kort en [de vader] kan meer zijn stem verheffen naar de kinderen. [de vader] draait wel snel weer bij wanneer dit gebeurt.”

Gelet op dit alles is het nodig dat er een onderzoek wordt gedaan naar de vraag welke zorgregeling op de langere termijn in het belang van de kinderen zal zijn, en naar de vraag of er al dan niet sprake is van een situatie waarin het gezamenlijke gezag moet worden gewijzigd naar eenhoofdig gezag.

De rechtbank verzoekt daarom de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te doen en daarover rapport en advies uit te brengen, alvorens er een beslissing wordt genomen over de gezagsvoorziening en de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

De vader en de moeder hebben ingestemd met een onderzoek door de Raad. De rechtbank gaat ervan uit dat zij zondig toestemming verlenen als de Raad het voor het onderzoek nodig acht informatie bij derden in te winnen.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de Raad vragen om een onderzoek te doen waarin de volgende vragen worden beantwoordt:

Voorlopige zorgregeling

De rechtbank zal voor de duur van het raadsonderzoek een voorlopige zorgregeling bepalen. De rechtbank vindt dat fysiek contact tussen de vader en de kinderen op dit moment, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek, alleen begeleid door een (professionele) derde mogelijk is. Partijen zullen daarom doorverwezen worden naar BOR Humanitas voor begeleide omgang. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het hulpverleningstraject Begeleide omgangsregeling (BOR), zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Jeugdteams Leidse regio voor deelname het traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse regio.

Als voorlopige zorgregeling bepaalt de rechtbank daarom om de week omgang, onder begeleiding van BOR Humanitas. Om te beginnen zal dit minimaal twee uur per keer zijn, maximaal drie of vier uur. Dit hangt af van de beschikbaarheid van de omgangsbegeleider. De rechtbank merkt hierbij op dat van de vader kan worden verwacht dat hij daarvoor tijd maakt, ook als het tijdens de werkweek is. Hij kan eventueel zorgverlof of vrije uren opnemen.

Voorlopige kinderalimentatie

De ouders zijn ter zitting overeengekomen dat de vader voorlopig het eerder afgesproken bedrag van € 570,- per maand aan kinderalimentatie zal blijven voldoen. De rechtbank neemt dit op in de beslissing. De definitieve beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie zal worden aangehouden in afwachting van de zorgregeling.

Beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer C/09/693682:

*

bepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

*

bepaalt dat de minderjarigen voorlopig bij de vader zullen zijn:

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 oktober 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 570,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt vast dat partijen, te weten:

[de vader] (de vader),

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de moeder] (de moeder),

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het hulpverleningstraject Begeleide omgangsregeling (BOR) en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

- Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het resultaat van BOR;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: 06-21191030 (vader) en 06-48662565 (moeder);

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 juli 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie aan;

in de procedure met zaaknummer C/09/693703:

*

wijst af het verzoek van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M. van Middelkoop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand