Rechtbank DEN HAAG
[verzoeker],
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnummer: C/09/706976 / FA RK 26-5893
Datum beschikking: 8 juli 2026
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking op het op 11 juni 2026 ingediende verzoekschrift van:
hierna te noemen: verzoeker,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteland],
wonende te [woonplaats],
verblijvende te [zorginstelling] te [plaats 1],
advocaat: mr. R.T. Schrama te Den Haag,
ter verkrijging van een beslissing over de klacht door verzoeker ingediend bij de klachtencommissie van Fivoor (hierna: de klachtencommissie).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder Fivoor (hierna: Fivoor).
Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ontvangen op 11 juni 2026, met bijlagen;
- de beschikking van de rechtbank op het in het verzoek opgenomen verzoek tot schorsing van 19 juni 2026;
- het besluit tot het verlenen van verplichte zorg van 7 april 2026, waarin de aanzegging is gedaan dat verplichte zorg wordt verleend in de vorm van opnemen in een accommodatie en beperken van de bewegingsvrijheid, door verzoeker op een gesloten afdeling te plaatsen.
- het besluit tot het verlenen van verplichte zorg van 22 april 2026, waarin de aanzegging is gedaan dat verplichte zorg wordt verleend in de vorm van het toedienen van (orale) medicatie;
- het besluit tot het verlenen van verplichte zorg van 23 april 2026, waarin de aanzegging is gedaan dat verplichte zorg wordt verleend in de vorm van het toedienen van intramusculaire medicatie.
- het verweerschrift van 22 april 2026 van de zorgverantwoordelijke en het aanvullende verweerschrift van 18 juni 2026.
Aan verzoeker wordt door zorgaanbieder Fivoor verplichte zorg verleend krachtens een door deze rechtbank verleende zorgmachtiging van 1 april 2026 geldend uiterlijk tot en met 1 oktober 2026.
Verzoeker heeft bij brief van 20 april 2026 bij de klachtencommissie en klacht ingediend tegen de besluiten tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van opname in een accommodatie, beperken van de bewegingsvrijheid en toedienen van medicatie. Daarnaast heeft verzoeker een klacht ingediend tegen de wilsonbekwaamheidsbeoordeling en de wijze waarop hij op de afdeling is bejegend.
De klachtencommissie heeft op 30 april 2026 de klachten ongegrond verklaard. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 30 april 2026 aan verzoeker meegedeeld en op schrift op 7 mei 2026 aan verzoeker toegezonden.
Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 11 juni 2026 de rechtbank verzocht de door hem ingediende klacht alsnog gegrond te verklaren, alsmede de beslissing waartegen de klacht is gericht – met name de toediening van depotmedicatie – op grond van artikel 10:9, eerste lid, Wvggz, te schorsen.
De rechtbank heeft op 19 juni 2026 het schorsingsverzoek afgewezen.
Op 30 juni 2026 is het verzoekschrift ter zitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn gehoord:
- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
- de zorgverantwoordelijke, psychiater [naam].
Verzoek en verweer
Verzoeker verzoekt onder verwijzing naar het ingediende verzoekschrift de klacht gegrond te verklaren, de bestreden beslissingen van de zorgaanbieder te vernietigen, de zorgaanbieder op te dragen om een nieuwe beslissing te nemen en een schadevergoeding toe te kennen.
De advocaat heeft ter zitting het verzoek namens verzoeker gewijzigd, in die zin dat verzoeker niet langer bezwaar heeft tegen de opname in de accommodatie. Het verzoek is – kort en zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd.
Wat betreft beperken van de bewegingsvrijheid ontbreekt de individuele proportionaliteits- en subsidiariteitstoets en is de vrijheidsbeperking te algemeen getoetst. Er is onvoldoende gemotiveerd waarom de beperkingen van de beveiligde kliniek met beveiligingsniveau 2 in de specifieke situatie van verzoeker noodzakelijk zijn. Er wordt immers naar voren gebracht dat verzoeker zich op de afdeling goed gedraagt en geen gedrag vertoont dat een dergelijk beveiligingsniveau rechtvaardigt. Ook wordt gewezen op het feit dat verzoeker de meeste vrijheden heeft (verkregen) binnen de afdeling waar hij zich thans bevindt.
Ten aanzien van toedienen van medicatie zijn de wensen en voorkeuren van verzoeker onvoldoende gehonoreerd en overstijgt de voorgeschreven depotmedicatie de in de beschikking van de rechtbank 1 april 2026 voorziene lage dosering antipsychotica.
Verzoeker heeft geen enkel bezwaar tegen het innemen van orale medicatie. Hij had weliswaar aanvankelijk orale medicatie geweigerd omdat hij de uitspraak op het schorsingsverzoek van de klachtencommissie wilde afwachten, maar sinds de uitspraak heeft hij de orale medicatie altijd geaccepteerd. Er was daarom geen gerechtvaardigde reden om te besluiten over te gaan op depotmedicatie. Deze medicatie is verdergaand dan tijdens de zitting van 1 april jl. besproken en is bovendien schadelijk voor de hartklachten die hij heeft. Bij de behandeling van het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen is aangegeven dat de behandeling laagdrempelig zou worden gestart en dat sprake zou zijn van een kortdurende opname om hem in te stellen op orale medicatie. Verzoeker is vervolgens en tegen zijn zin ingesteld op depotmedicatie.
Hij heeft ernstige bezwaren tegen deze vorm van medicatie. De beoogde behandelduur overstijgt hierdoor de looptijd van de zorgmachtiging. Het is onbegrijpelijk en onjuist dat deze beslissing op verzoek van de toezichthouder van de reclassering is genomen. Deze beslissing moet een zelfstandige afweging van de zorgverantwoordelijke zijn. Met een zorgmachtiging bestaan ook en genoeg mogelijkheden om in een ambulante kader toezicht te houden op de inname van de orale medicatie, waardoor depotmedicatie niet noodzakelijk is.
Verder is de wilsonbekwaamheid in een gesprek van slechts tien minuten beoordeeld en mede vastgesteld op basis van (eerdere) beoordelingen van andere psychiaters. Verzoeker betwist dat meerdere gesprekken met hem hebben plaatsgevonden waarin de wilsbekwaamheid had kunnen worden beoordeeld.
Ten slotte dient er een schadevergoeding te worden toegekend, te betalen door Fivoor, ter compensatie van de door verzoeker geleden schadde als gevolg van de onrechtmatige uitvoering van verplichte zorg.
De zorgverantwoordelijke heeft namens Fivoor ter zitting naar voren gebracht dat verzoeker in de PPC [plaats 2] in detentie zat en daar naartoe was overgeplaatst vanwege geobserveerde psychotische symptomen in de PI [plaats 3] waar bij zat. Zijn detentie is geschorst op voorwaarden en onder punt 8 van de voorwaarden wordt een opname in een FPA genoemd. Deze voorwaarde is door de rechtbank opgelegd die over het strafrechtelijke traject gaat waarin verzoeker zit en het is niet aan de zorgverantwoordelijke om hiervan af te wijken. Opname bij Fivoor volgde op 7 april 2026. Deze kliniek is gesloten en daar geldt voor alle afdelingen en dus voor alle daar verblijvende personen hetzelfde veiligheidsniveau 2. Omdat verzoeker ontkent dat er iets met hem aan de hand is en niet in de accommodatie wilde verblijven, is de kans op onttrekking aan het verplicht gestelde verblijf in een FPA groot geoordeeld door de toezichthouder van de reclassering, verantwoordelijk voor het toezicht houden op het naleven van de opgelegde schorsingsvoorwaarden, en is geen toestemming gegeven om meer vrijheden aan verzoeker toe te kennen dan gebeurde en gebeurt. Als zorgverantwoordelijke dienen de voorwaarden te worden gerespecteerd. Dit is, erkent de zorgverantwoordelijke, niet met verzoeker besproken en dit is ook niet in de Klachtenprocedure ter sprake gekomen, maar doet aan het gegeven van de aanwezigheid van de schorsingsvoorwaarden niet af. Daarnaast liet het psychotisch toestandsbeeld van verzoeker aan het begin van de opname, met veel achterdocht en paranoïde gedrag, geen vrijheden toe. Hij was na opname bij Fivoor ononderbroken bezig met bellen en schrijven naar een veelvoud van instanties om zich te beklagen over het rechtssysteem en aangiftes te doen. Vanuit de politie was gemeld dat verzoeker al langere tijd diverse personen en instanties stalkte en bedreigde.
De zorgverantwoordelijke geeft aan dat de stoornis van verzoeker blijvend moet worden behandeld om het ernstig nadeel zoals vastgesteld in de Zorgmachtiging van de rechtbank van 7 april 2026 te voorkomen. Verzoeker ziet dat geheel anders. Naar het oordeel van de zorgverantwoordelijke heeft geen enkel ziektebesef en ziekteinzicht. Omdat verzoeker dakloos is en hierdoor na ontslag in een ambulant kader geen zicht is op waar hij zal verblijven, kan niet gevolgd en gecontroleerd worden of hij zijn medicatie ononderbroken blijft innemen. Vanwege het ontkennen van het hebben van een stoornis en gelet op het zorgmijdende gedrag in het verleden, wordt ermee rekening gehouden dat verzoeker het belang en de noodzaak voor hem van het blijven accepteren van medicatie niet inziet en ermee zal stoppen. Dan zal hij naar overtuiging van de zorgverantwoordelijke weer ontregelen, met alle gevolgen van dien. Daarom en met het oog op een zo kort mogelijke opname is, in overleg met de ambulante behandelaren, er op 22 april jl. voor gekozen om verzoeker klinisch in te stellen op depotmedicatie. Hierover is toen het gesprek met verzoeker gevoerd. Omdat verzoeker bekend is met cardiale klachten is daarmee bij het voorschrijven van de (depot)medicatie rekening gehouden en overlegd met een internist. Ook zijn er bij verzoeker in de kliniek hartfilmpjes gemaakt. Niettemin wil de zorgverantwoordelijke verzoeker nog door een cardioloog laten onderzoeken maar verzoeker weigert hieraan mee te werken – hij diende ook een klacht in tegen de cardioloog - en evenmin wil hij (nader) bloedonderzoek laten verrichten. Na schriftelijke advisering door de cardioloog en in overleg met de internist, is een antipsychoticum voorgeschreven dat naar verwachting voor verzoeker verantwoord is. Hij blijkt weinig bijwerkingen te ervaren.
Vanwege de klachtprocedure en de beslissing van de zorgverantwoordelijke om het starten van de toediening van de depotmedicatie vanaf 22 april 2026 op te schorten tot de Klachtencommissie uitspraak zou hebben gedaan, is eerst op 4 mei jl. gestart met aripiprazol in depotvorm en het afbouwen van de orale medicatie overeenkomstig het geldende protocol. Er is nog meer tijd nodig om verzoeker helemaal goed in te stellen op het depot en de juiste dosering voor hem te vinden, waarbij steeds rekening wordt gehouden met zijn cardiale klachten.
De zorgverantwoordelijke herhaalt dat het vertrouwen ontbreekt, met name ook bij de ambulante behandelaars die zijn behandeling na ontslag zullen overnemen, dat verzoeker buiten de kliniek orale medicatie zal blijven innemen. Er bestaat geen alternatief om het toestandsbeeld van verzoeker buiten de kliniek op een andere manier stabiel te houden dan door middel van depotmedicatie.
Verzoeker verblijft sinds drie maanden in de huidige accommodatie. De wilsonbekwaamheid is vastgesteld door de onafhankelijk psychiater en daarna ook in meerdere gesprekken met de zorgverantwoordelijke, die gedurende de periode van opname bij Fivoor hebben plaatsgevonden. De wilsbekwaamheid is met name getoetst op momenten dat verzoeker medicatie kreeg toegediend. Deze beoordeling is dus, anders dan verzoeker stelt, niet enkel gebaseerd op een gesprek van tien minuten. Bovendien is een dergelijke beoordeling niet gebonden aan een tijdsduur.
Beoordeling
Formele beoordeling
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, aangezien het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7, tweede lid, Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
Met betrekking tot de klacht van verzoeker over de bejegening op de afdeling overweegt de rechtbank het volgende. De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van verzoeker over de bejegening door verzoeker heeft geen betrekking op een beslissing die valt onder deze limitatieve opsomming.
Klachten die vallen onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) worden weliswaar beoordeeld door de klachtencommissie, maar voor een dergelijke klacht kan vervolgens geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank. Gelet hierop verklaart de rechtbank zich niet bevoegd om van dit onderdeel van de klacht kennis te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Voor het toepassen van verplichte zorg moet sprake zijn van ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. De rechtbank stelt vast, mede gelet op de beschikking van 1 april 2026 waarbij een zorgmachtiging is verleend die kracht van gewijsde heeft, dat bij verzoeker sprake is van een psychische stoornis, te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis. De rechtbank stelt ook vast dat de psychische stoornis van verzoeker leidt tot ernstig nadeel. Vanuit de stoornis is sprake van een waansysteem waarbij, valt in de zorgmachtiging te lezen, de achterdocht van verzoeker dermate groot is, dat hij op allerlei punten in zijn leven vastloopt en het men door de jaren heen niet gelukt is om een leven op te bouwen dat passend is bij zijn intelligentie. Hij heeft vanuit inhoudelijke denkstoornissen het gevoel dat hij niet wordt geholpen en dat hem door diverse instanties onrecht wordt aangedaan. Vanuit ontregeling ageert hij hiertegen onophoudelijk, zowel verbaal, fysiek (door stalkings-gedrag) als schriftelijk, wat zorgt voor steeds terugkerende conflicten en delicten.
Opnemen in een accommodatie
Ter zitting heeft verzoeker dit onderdeel van zijn klacht ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer behoeft te geven.
Beperken van de bewegingsvrijheid
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat de toepassing van verplichte zorg in de vorm van beperken van de bewegingsvrijheid noodzakelijk is. Niet is gebleken dat er minder bezwarende alternatieven zijn. Ook is deze vorm van verplichte zorg in het individuele geval van verzoeker evenredig en naar verwachting effectief.
De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Uit de verklaring van de psychiater ter zitting is voldoende gebleken dat wel degelijk een individuele toetsing heeft plaatsgevonden om verzoeker geen vrijheden toe te kennen. Dat daarbij het oordeel van de toezichthouder van de reclassering is betrokken, acht de rechtbank onder verwijzing naar de voorwaarden die zijn gesteld bij de schorsing van verzoeker van zijn detentie zonder meer gerechtvaardigd. Vanwege het actieve psychotische toestandsbeeld van verzoeker aan het begin van de opname was het bovendien niet mogelijk om vrijheden toe te kennen. Vanwege het langjarige zorgmijdende gedrag van verzoeker en het bij hem ontbreken van enig besef van de aanwezigheid van de stoornis en inzicht dat deze behandeling behoeft zoals voorgeschreven door zijn behandelaars is het begrijpelijk dat het risico op onttrekking aan de zorg vanaf het begin hoog is ingeschat. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor het verlenen van verplichte zorg.
Toedienen van medicatie
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, volgt dat de toepassing van verplichte zorg in de vorm van toedienen van medicatie noodzakelijk is. Niet is gebleken dat er minder bezwarende alternatieven zijn. Ook is de verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief.
De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Verzoeker was aan het begin van de opname paranoïde psychotisch en achterdochtig aanwezig, waarbij hij continu bezig was met complottheorieën en het indienen van klachten tegen diverse instanties, personen en ook de psychiater. Sinds verzoeker is ingesteld op het depot, is zijn toestandsbeeld aanzienlijk verbeterd. De stroom aan mails, aangiftes en klachten is grotendeels gestopt. Verzoeker is rustiger en wederkeriger in contact en het is beter mogelijk om een constructief gesprek met hem te voeren en ook andere onderwerpen dan zijn waanbeelden te bespreken. Hij is beter te volgen en te sturen. Ook maakt hij stappen om met de maatschappelijk werkers van de kliniek praktische zaken te regelen, zoals solliciteren naar een baan en het vinden van huisvesting na ontslag.
Zodra de medicatie zal worden onderbroken of zelfs worden gestopt zal volgens de behandelaars het toestandsbeeld van verzoeker ontregelen en is een terugval voorzienbaar. Dat verzoeker heeft aangegeven orale medicatie te accepteren, is voor de zorgverantwoordelijke, mede na overleg met de ambulante behandelaren, geen garantie voor het ononderbroken blijven gebruiken van deze medicatievorm. Daarom is gekozen voor depotmedicatie. Verzoeker is al een tijdlang dakloos en heeft nog geen zicht op een vaste(re) woonplek na ontslag. Daardoor ontbreekt de zekerheid dat verzoeker na ontslag contact heeft en zal houden met ambulante behandelaars, juist ook omdat hij ontkent dat hij een stoornis heeft en niet inziet dat hij een ononderbroken behandeling nodig heeft. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting besproken, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker intrinsiek gemotiveerd is en zal blijven om ook na ontslag, in het ambulante kader medicatietrouw te blijven ten aanzien van de orale medicatie. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor het verlenen van de nu voorgeschreven depotmedicatie als verplichte zorg.
Wils(on)bekwaamheidsbeoordeling
Op grond van artikel 8:9 lid 4 Wvggz dient de zorgverantwoordelijk schriftelijk vast te leggen of verzoeker in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake voordat een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg wordt genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit oordeel door de zorgverantwoordelijke in de beslissingen tot het verlenen van verplichte zorg voldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Uit de beslissingen en de verklaring van de psychiater ter zitting is gebleken dat verzoeker bij het nemen van de beslissingen in een paranoïde psychotische toestand verkeerde, waardoor hij geen weloverwogen keuzes kon maken. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de psychiater daarover ter zitting, dat deze beoordeling niet alleen is gebaseerd op een gesprek van tien minuten maar ook op andere gesprekken die zij met verzoeker heeft gehad voordat tot het toedienen van de depotmedicatie is besloten en waarbij het toestandsbeeld van verzoeker nog onveranderd was.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat de klacht van verzoeker voor het overige ongegrond moet worden verklaard.
Toekennen schadevergoeding ex. artikel 10:11 Wvggz
Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.
Beslissing:
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het klachtonderdeel over de bejegening;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
wijst af het verzoek om schadevergoeding.