ECLI:NL:RBDHA:2026:22207

ECLI:NL:RBDHA:2026:22207

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 09-08-2026
Zaaknummer C/09/703872 / FA RK 26-4062
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorziening kinder- en partneralimentatie. Bijdrage voor ouder waar kinderen niet hoofdverblijf hebben. Werkelijke woonlast beide partijen. Geen rekening gehouden met evt. bijdrage voor meerderjarig studerend kind (niet onderbouwd).

Uitspraak

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 22 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.J.E.H. van Baarle-Overes te Bergschenhoek.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 25 juni 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter.

Op 25 juni 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

o de meerderjarige [meerderjarige] ( [meerderjarige] ), geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats 1] ;

o de minderjarige [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] ;

o de minderjarige [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 3] 2011 te [geboorteplaats 2] .

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens – te bepalen dat:

aan de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt toegekend;

de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen dient te betalen ten bedrage van € 237,- voor de twee kinderen gezamenlijk, oftewel € 118,- per kind per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een door de rechtbank nader te bepalen datum;

de man aan de vrouw een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud dient te betalen ten bedrage van € 824,- bruto per maand, met ingang van 1 juli 2025, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een door de rechtbank nader te bepalen datum.

De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte kinder- en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

Tussen partijen is niet in geschil dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man kan worden toegekend. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen.

Voorlopige kinder- en partneralimentatie

Vooraf

De vrouw verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de vaststelling van de voorlopige alimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst over de ingangsdatum beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding om voorlopige kinder- en partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2025 vast te stellen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om eerder een voorlopige voorziening te vragen. De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van indiening van het verzoek door de vrouw. Dat is 22 april 2026. De man kon er vanaf die datum rekening mee houden dat door de rechtbank een voorlopige alimentatie zou worden vastgesteld.

Kinderalimentatie

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken dat de samenwoning – na eerst nog een periode birdnesten – in 2024 is geëindigd. Daarom zal de rechtbank de behoefte berekenen aan de hand van de tarieven 2024-II.

De rechtbank berekent het NBI van de vrouw aan de hand van haar jaaropgave 2024. Daaruit blijkt een WAO-uitkering van € 39.678,- bruto per jaar. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2024 op € 2.282,- per maand.

De rechtbank berekent het NBI van de man ook aan de hand van zijn jaaropgave 2024, waaruit een inkomen van € 72.302,- bruto per jaar blijkt. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2024 op € 4.101,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 6.383,- per maand (€ 2.282 + € 4.101). Uit productie 9 van de vrouw blijkt dat partijen in 2024 recht hadden op een kindgebonden budget van in totaal € 1.137,- op jaarbasis. Dat is afgerond

€ 95,- per maand. De rechtbank zal daar rekening mee houden in de berekening. Gelet op het voorgaande is het NBGI in 2024 in totaal € 6.478,- per maand.

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. [meerderjarige] – die in 2024 nog jong-meerderjarig was – maakt echter ook deel uit van het gezin. Daarom houdt de rechtbank rekening met het maximale tabelbedrag voor drie kinderen. Het voorgaande leidt tot een behoefte van in totaal € 1.620,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.805,- per maand, dat is afgerond € 602,- per kind per maand. De gezamenlijke behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is nu dus afgerond € 1204,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een WAO-uitkering van € 35.656,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. De rechtbank gaat ervanuit dat de vrouw in 2026 een vergelijkbaar inkomen heeft. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.137,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Woonlasten

Met ingang van 1 januari 2023 wordt bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget.

Het woonbudget voor de vrouw is € 641,- per maand. De werkelijke woonlasten zijn echter hoger. De vrouw betaalt voor de studio waar zij nu woont een huur van € 853,13 per maand. Daarnaast betaalt de vrouw nog mee aan de hypotheeklasten van de echtelijke woning met

€ 141,85 per maand en de premie spaarverzekering gekoppeld aan de hypotheeklening van gemiddeld € 73,- per maand. De werkelijke woonlasten van de vrouw zijn dus afgerond

€ 1.068,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om in dit geval uit te gaan van deze werkelijke woonlasten, aangezien de vrouw duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget. Deze woonlasten zijn niet vermijdbaar en het (voort)bestaan daarvan kan de vrouw niet worden verweten. Het is niet te verwachten dat deze woonlasten gedurende de echtscheidingsprocedure zullen veranderen.

Gelet op het voorgaande volgt uit de berekening dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 74.161,- bruto per jaar. Dit is het inkomen wat bovenaan de jaaropgave 2025 van de man staat vermeldt onder ‘Brutoloon’. Dit inkomen strookt ook met het totale inkomen wat blijkt uit de werkgeversverklaring van 9 mei 2025 die door de vrouw als productie 10 is overgelegd. De rechtbank gaat ervanuit dat de man in 2026 een vergelijkbaar inkomen heeft. Het is niet gebleken dat de man nu minder (over)werkt, dus aan dat niet onderbouwde standpunt gaat de rechtbank voorbij.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.833,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Woonlasten

Omdat de rechtbank hiervoor bij de vrouw met de werkelijke woonlasten heeft gerekend, rekent de rechtbank hierna ook aan de kant van de man met zijn werkelijke woonlasten. De werkelijke woonlasten van de man zijn immers aanmerkelijk lager dan het woonbudget (van € 1.450,- per maand). De man heeft in zijn verweerschrift opgesomd wat de werkelijke woonlasten van de echtelijke woning zijn en berekent dit in totaal op € 753,- per maand. Onderdeel van de door de man gestelde lasten is een reservering voor onderhoud aan de woning van € 371,- per maand. De rechtbank ziet in deze voorlopige voorzieningenprocedure echter geen aanleiding om daar rekening mee te houden. Dit betekent dat de rechtbank aan de zijde van de man uitgaat van een werkelijke woonlast van € 382,- per maand.

De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (€ 382,- + € 1.365,-)]. De draagkracht van de man is € 2.160,- per maand.

Verdeling kosten

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn om de week in het weekend bij de vrouw. Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting voor de vrouw bedraagt dan € 90,- per kind per maand (15% van € 602,-). Dat is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in totaal € 180,- per maand.

Deze zorgkorting is hoger dan de draagkracht van de vrouw. Uit de berekening volgt immers dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De vrouw verzoekt daarom een bijdrage van de man. De rechtbank overweegt dat de vrouw in dit geval in aanmerking komt voor een bijdrage in de zorgkosten door de man. De rechtbank wijst in dit verband op het Rapport alimentatienormen, waarin is opgenomen:

‘Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt.’

De rechtbank berekent dat de man voldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien, onder meer door aan de vrouw een bijdrage te betalen van

€ 180,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf 22 april 2026 een voorlopige kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen van in totaal € 180,- per maand. Dat is € 90,- per kind per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.

Partneralimentatie

Behoefte vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

De rechtbank berekent het NBGI in 2024 op € 6.478,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen (€ 1.620,-) worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.858,- per maand (€ 6.478 -/- € 1.620) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.915,- netto per maand (60% van € 4.858,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 is die behoefte

€ 3.247,- netto per maand.

Eigen inkomen en behoeftigheid vrouw

Op de hiervoor berekende netto behoefte van € 3.247,- per maand moet in mindering worden gebracht het netto besteedbaar inkomen van € 2.137,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.110,- netto per maand. Dat is € 2.160,- bruto per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de man draagkracht heeft om aan de vrouw een voorlopige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te betalen.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man – zoals hiervoor bij de kinderalimentatie overwogen – uit van een inkomen van € 74.161,- bruto per jaar.

Woonlasten

De rechtbank zal ook bij de berekening van de voorlopige partneralimentatie rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Kosten [meerderjarige]

De man stelt dat dat hij bijdraagt aan de kosten van studie en levensonderhoud van [meerderjarige] . De man is van mening dat het bijdragen aan de kosten van [meerderjarige] voorrang moet hebben boven het bijdragen aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Als met de kosten voor [meerderjarige] rekening wordt gehouden, dan leidt dat ertoe dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van partneralimentatie, aldus de man.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:400 lid 1 BW is af te leiden dat (kinder)alimentatie voor kinderen tot 21 jaar voorrang heeft boven partneralimentatie. [meerderjarige] is echter 22 jaar oud. Het is niet zo dat kosten voor een meerderjarig studerend kind zonder meer voorrang hebben op de onderhoudsplicht richting een (ex)echtgenoot. Verder is niet gebleken dat het noodzakelijk is dat de man een bijdrage levert, omdat [meerderjarige] volgens de onweersproken stelling van de vrouw studiefinanciering krijgt, eigen spaargeld heeft en eigen inkomen zal ontvangen tijdens een werksemester en betaalde stage. Bovendien heeft de man – na gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet onderbouwd wat zijn bijdrage aan [meerderjarige] is. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met deze eventuele kosten.

Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man voor partneralimentatie dan

€ 1.507,- per maand (60% x [NBI – (382 + 1365)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.204,- per maand in mindering gebracht. De man heeft nog een draagkracht beschikbaar van € 303,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 485,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf 22 april 2026 een voorlopige partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 485,- bruto per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] en beveelt dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 april 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011 te [geboorteplaats 2] , van in totaal € 180,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 22 april 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 485,- bruto per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, bijgestaan door

mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Verkerk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand