ECLI:NL:RBDHA:2026:22211

ECLI:NL:RBDHA:2026:22211

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 09-08-2026
Zaaknummer C/09/700765 / FA RK 26-2185
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kinderalimentatie over twee periode. Doorverwijzing UHA. Hoofdverblijfplaats bij co-ouderschap.

Uitspraak

Gezagsuitoefening en kinderalimentatie

Beschikking op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Valeton in Utrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H.M. Schwab in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

in de voorlopige voorzieningenprocedure:

in de bodemprocedure:

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk hun mening gegeven over de verzoeken.

Op 4 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Op zitting zijn de bodemprocedure en de voorlopige voorzieningenprocedure gelijktijdig behandeld. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat niet alle stukken in beide procedures waren ingebracht. Op zitting heeft de rechtbank dat met partijen besproken. De rechtbank heeft partijen toestemming verleend om stukken die slechts in één van de procedures waren ingediend, na zitting alsnog in de andere procedure in te dienen, zodat beide dossiers compleet zijn met het oog op een eventueel hoger beroep. De rechtbank heeft kennis genomen van alle stukken, omdat de procedures gelijktijdig behandeld zijn, en zal ook alle stukken bij zijn beoordeling van beide procedures betrekken.

Feiten

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] .

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – na wijziging – zowel in de bodemprocedure als bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te bepalen dat:

zondag inclusief het avondeten en van zondag na het avondeten en de daaropvolgende even week bij de vader zullen zijn tot en met de zondag inclusief het avondeten;

- de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld:

- totdat de moeder is uitgeschreven van het adres van de vader, zij in haar nieuwe woning woont én het co-ouderschap is begonnen de moeder dient bij te dragen in de kosten van de kinderen, met een bedrag per 1 oktober 2025 van € 796,- per maand per kind en per

1 januari 2026 geïndexeerd naar € 832,62 per maand per kind, althans een bedrag dat en per ingangsdatum die de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig te bepalen dat:

€ 561,- per maand voor beide kinderen bedraagt en de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage vanaf 1 april 2026 € 874,- per maand voor beide kinderen bedraagt, althans een zodanige bijdrage over en weer met dusdanige begin- en einddatum als de rechtbank in goede justitie acht,

kosten rechtens.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningen

Op grond van artikel 223 eerste lid Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Omdat de rechtbank zich in de bodemprocedure, zoals hierna wordt overwogen, zal buigen over de voorliggende verzoeken, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen bij gebrek aan belang.

Zorgregeling

Wettelijk kader

Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Volgens lid 2 sub a van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een zorgregeling vast. De rechtbank is er niet in geslaagd partijen te verenigen. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De relatie van de ouders is in 2024 beëindigd. De ouders hebben nog tot september 2025 als gezin in de woning gewoond. In september 2025 is de moeder bij haar broer gaan wonen en eind maart 2026 is zij naar een eigen woning verhuisd. De ouders hebben afgesproken dat wanneer de moeder haar eigen woning betrekt, de kinderen week op/week af bij de ouders zullen zijn. Aan deze co-ouderschapsregeling wordt sinds 1 april 2026 uitvoering gegeven.

De vader wenst deze regeling vast te leggen. De moeder heeft aangevoerd dat zij de co-ouderschapsregeling bij nader inzien (nog) niet in het belang van de kinderen acht. De moeder wil dat de kinderen, tijdelijk, bij haar komen wonen en eenmaal per twee weken een weekend en iedere week een middag of avond bij de vader zijn. Dit geeft de kinderen volgens de moeder de rust die zij nodig hebben. Vervolgens dient er weer toegewerkt te worden naar een co-ouderschapsregeling. De ouders dienen in de tussentijd met behulp van hulpverlening zoals Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) de onderlinge communicatie verbeteren en samen tot afspraken komen.

De rechtbank overweegt als volgt. De kinderen hebben lang in een onrustige en onduidelijke situatie verkeerd, waarin zij gemerkt moeten hebben dat de spanningen tussen hun ouders steeds verder opliepen. Dit heeft ongetwijfeld zijn weerslag op de kinderen gehad. De kinderen hebben behoefte aan rust en het stabiliseren van de situatie. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van de kinderen om de co-ouderschapsregeling, waar sinds kort uitvoering aan wordt gegeven, te wijzigen en een andere regeling vast te stellen om vervolgens weer toe te werken naar de regeling waar de facto op dit moment uitvoering aan wordt gegeven. De rechtbank zal de co-ouderschapsregeling daarom in stand laten en vastleggen.

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de ouders een manier vinden om hun onderlinge communicatie te verbeteren en het ouderschap samen vorm te geven. In dat kader is op de zitting met de ouders over een verwijzing naar ouderschapsbemiddeling gesproken. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling/PSO. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking toesturen aan Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW).

De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.

Vakanties en feestdagen

De moeder refereert zich aan de vakantie- en feestdagenregeling zoals door de vader is verzocht. Nu de rechtbank deze regeling in het belang van de kinderen acht zal zij overeenkomstig beslissen.

Voorts doen de ouders over en weer verzoeken met betrekking tot de toestemming voor vakanties. Het behoort niet tot de mogelijkheden van de rechtbank om de ouders te verplichten toestemming te geven voor vakanties, dan wel de ouders te verplichten binnen een bepaalde termijn toestemming geven voor vakanties. De rechtbank zal deze verzoeken daarom afwijzen.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank in dit kader nog op dat de ouders zijn doorverwezen naar het traject ouderschapsbemiddeling/PSO, waarin onder meer gewerkt zal worden aan de onderlinge communicatie, althans met de ouders gezocht zal worden naar een manier om afspraken met elkaar te maken zonder dat daaruit verdere conflicten ontstaan. In dat traject kunnen de ouders ook de wijze waarop zij elkaar toestemming zullen vragen en geven voor buitenlandse vakanties aan de orde stellen. Tot die tijd zullen beide ouders in het belang van de kinderen steeds moeten bedenken of de kinderen meer last zullen hebben van oplopende spanningen en het ontstaan van verdere conflicten door het uitblijven van toestemming voor de vakantie, of van eventuele gevolgen van het geven van hun toestemming, zoals een mogelijke jetlag of overvolle vakantie.

Hoofdverblijfplaats

Omdat de rechtbank een co-ouderschapsregeling zal vaststellen, gaat het bij de bepaling van de hoofdverblijfplaats in feite om de financiële belangen. De moeder wil dat één kind op haar adres wordt ingeschreven, zodat zij aanspraak kan maken op kinderbijslag en kindgebonden budget. De vader verzet zich daartegen. Overleg tussen de ouders over de verblijfsoverstijgende kosten is op dit moment niet mogelijk gelet op een fundamenteel verschil in uitgavepatroon, wat bij elke post een geschil oplevert. De vader is eerder geneigd om iets voor de kinderen te betalen dan de moeder. Om die reden wil de vader alle verblijfsoverstijgende kosten betalen. Het is volgens de vader dan redelijk dat hij de gehele kinderbijslag en het kindgebonden budget (en kinderalimentatie) krijgt. Daarvoor is het van belang dat beide kinderen op zijn adres staan ingeschreven.

Alles afwegende zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepalen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vader sinds september 2025 alle kosten voor de kinderen heeft voldaan en dat hij dat wil blijven doen. Niet is gebleken dat dit niet goed is verlopen of tot discussies tussen partijen heeft geleid. De rechtbank verwacht dat bepaling van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen op één adres tot minder discussies en conflicten over de financiën zal leiden, dan bepaling van de hoofdverblijfplaats van het ene kind bij de moeder en van het andere kind bij de vader. De rechtbank acht het daarom het meest in het belang van de kinderen dat zij beide hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. Op de zitting zijn de ouders overeengekomen dat de alimentatieberekening, gezien de uitgevoerde verdeling van de zorg- en opvoedtaken, twee verschillende periodes moet beslaan, te weten de eerste periode van 1 september 2025 tot 1 april 2026 en de tweede periode vanaf 1 april 2026. Gedurende de eerste periode woonden de kinderen bij de vader en zorgde de moeder twee of drie avonden in de week voor hen. Vanaf de tweede periode geldt een co-ouderschapsregeling.

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank stelt vervolgens vast dat er gedurende twee verschillende periodes sprake is geweest van verschillende zorgregelingen. Dit maakt dat de rechtbank, conform de overeenstemming van partijen, over twee verschillende perioden zal gaan rekenen: periode I van 1 september 2025 tot 1 april 2026 en periode II vanaf 1 april 2026. Daarbij zal per periode rekening gehouden worden met een ander percentage aan zorgkorting.

Behoefte

Voor het bepalen van de behoefte van de kinderen moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebondenbudget. De ouders zijn in 2024 uit elkaar gegaan.

Partijen zijn het op de zitting eens geworden dat de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in 2024 gemaximeerd was op € 1.470,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt hun behoefte € 1.566,- per maand, te weten € 788,- per maand per kind. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt hun behoefte € 1.638,- per maand, te weten € 819,- per maand per kind.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht.

Periode I

De financiële draagkracht van de ouders dient voor 2025 conform de aanbevelingen uit het tremarapport 2025 in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].

Draagkracht moeder

Bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 81.049,- per jaar, zoals blijkt uit het jaaropgave over het jaar 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 4.494,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De moeder voert een draagkrachtverweer en stelt dat er bij haar draagkracht rekening moet worden gehouden met haar advocaatkosten van € 200,- per maand. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu de moeder niet heeft onderbouwd waarom de advocaatkosten niet uit de vrije ruimte betaald kunnen worden. Daarnaast zal hierna blijken dat de moeder niet haar volledige draagkracht hoeft aan te wenden om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Bij verweer heeft de moeder ook nog aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met herinrichtingskosten, maar dat draagkrachtverweer heeft zij ter zitting laten vallen.

De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 1.285,- per maand, te weten 70% x [ 4.494 – (0,3 x 4.494 + 1.310)].

Draagkracht vader

Niet in geschil tussen partijen is het DGA-salaris van de vader. Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader zal de rechtbank dan ook uitgaan van een DGA-salaris van € 77.223,- per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Dit wordt verlaagd met

€ 12.323,- per jaar aan fiscale bijtelling van de auto van de zaak, zoals blijkt uit de loonstrook van september 2025.

Wel in geschil is of de vader aanspraak kan maken op dividenduitkeringen vanuit zijn onderneming en of daarmee rekening gehouden moet worden bij de bepaling van zijn draagkracht. De moeder stelt dat het redelijk is om rekening te houden met jaarlijkse dividenduitkeringen, de vader betwist dat. De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader in het verleden geen dividend aan zichzelf heeft laten uitkeren en evenmin dat de B.V. de afgelopen jaren jaarlijks circa € 50.000,- aan winst uitkeerde aan de Holding. De rechtbank volgt de moeder in haar stelling dat het feit dat er de afgelopen jaren geen dividend aan de vader is uitgekeerd, niet maakt dat dit in de toekomst niet kan of niet verwacht mag worden. De rechtbank volgt de vader in zijn stelling dat het redelijk is om rekening te houden met een reservering voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en een buffer voor slechtere tijden. De rechtbank acht het in de onderlinge verhouding tussen partijen echter niet redelijk om daarvoor alle winsten te reserveren. Op basis van de gewisselde stellingen en overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat van de vader kan worden gevergd dat hij in de toekomst wel dividend uitkeert of laat uitkeren. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met € 25.000,- per jaar aan dividenduitkeringen, zodat de onderneming ook nog in staat moet worden geacht om gelden te reserveren voor de hiervoor genoemde posten. Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met € 144,- per maand aan kosten voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de kant van de vader.

Rekening houdend met het bovenstaande en de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 5.497,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 1.676,- per maand, te weten 70% x [5.497 – (0,3 x 5.497 + 1.310)].

Periode II

De financiële draagkracht van de ouders dient voor 2026 conform de aanbevelingen uit het tremarapport 2026 in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de ouders in periode II uit van dezelfde inkomensgegevens als bij de berekening van periode I. Dit resulteert bij de moeder in een NBI van € 4.531,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 1.265,- per maand, te weten 70% x [4.531 – (0,3 x 4.531 + 1.365)].

De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 5.540,- per maand . Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 1.658,- per maand, te weten 70% x [5.540 – (0,3 x 5.540 + 1.365)].

Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en conclusie

Periode I

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 1.285,- + € 1.676,- =) € 2.961,- per maand bedraagt het eigen aandeel van de moeder in de kosten van de kinderen naar rato van haar draagkracht (€ 1.285,- / € 2.961,- x 1.566,- =) € 680,- per maand.

Op de door de moeder te betalen bijdrage dient een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de zorgregeling gedurende periode I ziet de rechtbank aanleiding om voor deze periode rekening te houden met een zorgkorting van 15%. Dat bedrag aan zorgkorting bedraagt € 234,- per maand (15% van

€ 1.566,-). De rechtbank zal daarom een bedrag aan kinderalimentatie van

(€ 680,- -/- € 234,- =) € 446,- per maand vaststellen voor periode I, te weten van 1 september 2025 tot 1 april 2026, zijnde € 223,- per maand per kind.

De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vaststellen met ingang van 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 466,- per maand, ofwel € 233,- per maand per kind..

Periode II

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen in periode II (€ 1.265,- + € 1.658,- =)

€ 2.923,- per maand bedraagt het eigen aandeel van de moeder in de kosten van de kinderen naar rato van haar draagkracht (€ 1.265,- / € 2.923,- x 1.638,- =) € 709,- per maand.

Gelet op de co-ouderschapregeling die met de aanvang van periode II is ingegaan ziet de rechtbank aanleiding om voor deze periode rekening te houden met een zorgkorting van 35%. Dat bedrag aan zorgkorting bedraagt € 574,- per maand (35% van € 1.638,-). De rechtbank zal daarom een bedrag aan kinderalimentatie van (€ 709,- -/- € 574,- =) € 135,- per maand vaststellen voor periode II, te weten vanaf 1 april 2026, zijnde € 67,- per maand per kind.

Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

in de procedure met kenmerk C/09/700764:

wijst de verzoeken af;

in de procedure met kenmerk C/09/700765:

bepaalt dat de minderjarigen:

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;

*

stelt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weken bij de vader zijn en de oneven weken bij de moeder, waarbij het wisselmoment ligt op zondagavond na het avondeten;

stelt vast dat de vakanties en feestdagen als volgt bij helfte worden verdeeld:

*

bepaalt dat de moeder aan de vader, met ingang van 1 september 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , van € 223 per maand, per kind, en met ingang van 1 januari 2026 tot 1 april 2026 € 233,- per maand, per kind, zal betalen;

*

bepaalt dat de moeder aan de vader, met ingang van 1 april 2026, een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 67,- per maand per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.A.E. de Koning

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand