Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 28 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Tsjechië,
advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen, nu mr. J.H. Weermeijer-Patist.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 mei 2026 is drs. J.A.M. Hendriks benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en is iedere verdere beslissing aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
het verslag van de bijzondere curator van 19 juni 2026;
het verweerschrift van 23 juni 2026, met bijlagen, van de moeder;
de brief van 24 juni 2026, met bijlagen, van de vader;
het F9 formulier van 24 juni 2026, met bijlagen, van de vader;
het F9 formulier van 25 juni 2026, met bijlagen, van de moeder.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, H. Kulisanova;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, A. Macel:
J.A.M. Hendriks, de bijzondere curator;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] , Tsjechië,
[de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] , Tsjechië.
De minderjarigen verblijven nu bij de moeder in Nederland.
De vader, de moeder en de minderjarigen hebben de Tsjechische nationaliteit.
De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.
Bij besluit van 11 augustus 2023 van de arrondissementsrechtbank te Ústí nad Labem is bepaald dat de moeder het Tsjechisch grondgebied niet mag verlaten met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Bij beschikking van 27 mei 2025 van de arrondissementsrechtbank te Ústí nad Labem heeft de rechtbank beslist om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de zorg van de vader toe te vertrouwen. Daarnaast is bepaald dat de moeder gerechtigd is omgang te hebben met de kinderen gedurende de laatste week van elke maand (de week waarin de laatste dag van de maant valt), van zondag van de voorafgaande week vanaf 16.00 uur tot de daaropvolgende zondag tot 16.00 uur. Ook is een vakantieregeling bepaald en is vervangende toestemming verleend aan de vader voor inschrijving, toelating en deelname van [de minderjarige 1] aan de verplichte schoolgang in de basisschool in [adres 1] , [geboorteplaats] .
Bij vonnis van 20 november 2025 van de regionale rechtbank in [geboorteplaats] is de voornoemde uitspraak van 27 mei 2025 gewijzigd, in die zin dat de kinderen worden toegewezen aan de gedeelde zorg van de ouders, en dat zij in de zorg van de moeder zullen zijn in Nederland in elke kalendermaand vanaf donderdag die voorgaat aan de laatste week van de kalendermaand vanaf 16.00 uur tot zondag van de daaropvolgende week tot 16.00 uur en in de zorg van de vader in Tsjechië zullen zijn de resterende tijd zijn van elke kalendermaand. De overdracht van de minderjarigen zal altijd geschieden in de woonplaats van de vader.
Verzoek en verweer
De vader heeft verzocht:
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de vader.
Beoordeling
Bezwaar tegen producties Van de zijde van de moeder zijn op de ochtend van de mondelinge behandeling op 25 juni 2026, de vertalingen van de producties 2, 3, 12 en 13 overgelegd. De vader heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal de producties buiten beschouwing laten. De producties zijn nauwelijks toegelicht. Slechts één van de producties is genoemd tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank is van oordeel dat de vader zich hierdoor niet heeft kunnen voorbereiden op een mogelijk verweer en daarmee in zijn procesbelang is geschaad.
Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Tsjechië zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
In geschil is de vraag waar [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats hadden voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland. De vader stelt zich op het standpunt dat Tsjechië de gewone verblijfplaats was, terwijl de moeder stelt dat de kinderen ofwel hun gewone verblijfplaats in Tsjechië én Nederland hadden ofwel dat hun gewone verblijfplaats niet kan worden vastgesteld, zodat het Verdrag niet van toepassing is op deze situatie.
De rechtbank is van oordeel dat de kinderen onmiddellijk voorafgaand aan de vasthouding in Nederland hun gewone verblijfplaats in Tsjechië hadden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De kinderen zijn geboren en opgegroeid in Tsjechië. Zij spreken Tsjechisch en gingen daar ook naar school/de kinderopvang (de kinderen waren nog niet leerplichtig volgens de Tsjechische regels). Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, heeft de moeder een nieuw leven opgebouwd met haar nieuwe partner in Nederland. De kinderen kwamen in Nederland in het kader van een zorgregeling met hun moeder.
De kinderen zijn bij de uitspraak van de Tsjechische rechtbank op 27 mei 2025 aan de vader toevertrouwd en er is een regeling bepaald waarbij de kinderen de laatste week van de maand bij de moeder zouden verblijven. Deze regeling is in hoger beroep weliswaar iets aangepast omdat de moeder feitelijk in Nederland verbleef, maar dit neemt niet weg dat de kinderen in verhouding altijd nog meer tijd doorbrachten bij hun vader in Tsjechië dan bij hun moeder in Nederland. De juridische procedures hebben bovendien ook allemaal in Tsjechië plaatsgevonden. Daarnaast is niet gebleken dat de vader, of in zijn plaats een Tsjechische rechter, ooit toestemming heeft gegeven voor een grensoverschrijdende verhuizing van de kinderen naar Nederland, waarmee de gewone verblijfplaats van de kinderen zou zijn overgegaan.
Niet in geschil is dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de vasthouding niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in Nederland en dat de vasthouding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Tsjechisch recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b, artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
De moeder heeft het volgende aangevoerd. Er is vermoedelijk sprake van langdurige en ernstige kindermishandeling door de vader, zijn huidige partner en de ouders van de vader wanneer de kinderen in Tsjechië verblijven. De moeder en haar echtgenoot hebben blauwe plekken bij beide kinderen geconstateerd. De kinderen hebben uitgebreid verteld over fysieke straffen. De vader heeft bij de moeder aangegeven dat dit normaal is bij de opvoeding. De moeder heeft in Nederland aangifte gedaan op 23 februari 2026 en op 26 februari is er een afspraak geweest bij de huisarts. De huisarts heeft een Veilig Thuis melding gedaan. De conclusie van Veilig Thuis is dat er sprake is van acute onveiligheid en een vermoeden van structurele onveiligheid. De Tsjechische psycholoog had eerder al geconstateerd dat de kinderen lijden onder de situatie bij de vader. De kinderen vertonen psychosomatische klachten als zij bij de vader zijn. De moeder betwist dat de Tsjechische autoriteiten toereikende bescherming bieden. De moeder heeft herhaaldelijk aan de bel getrokken bij de Tsjechische politie en OSPOD, de Tsjechische kinderbeschermingsorganisatie. OSPOD heeft eerdere meldingen zonder adequate maatregelen terzijde geschoven, bewerend dat er geen aanwijzingen waren voor fysiek geweld. De klachten werden gebagatelliseerd. Dit staat in schril contrast met de harde medische bevindingen van de arts van Veilig Thuis.
De vader ontkent dat sprake is van mishandeling van de kinderen. De oma vaderszijde heeft [de minderjarige 1] één keer geslagen. Dat is gebeurd toen de meisjes waren weggelopen. Oma was daarvan geschrokken en sprak de meisjes daarop aan. [de minderjarige 1] heeft oma toen uitgescholden, waarna oma haar een klap heeft gegeven. De vader heeft oma daar op aangesproken. De vader is niet betrokken bij de gesprekken met de psycholoog en de verklaring die daaruit is voortgekomen. Ook is hij niet betrokken bij de onderzoeken van de kinderen en het meest recente rapport van Veilig Thuis. Bovendien kan de moeder haar zorgen uiten bij de bevoegde instanties in Tsjechië. Het gezin is bekend bij OSPOD en de hulpverlening kan indien nodig kinderbeschermingsmaatregelen nemen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De ouders hebben al lange tijd onenigheid over de kinderen en in Tsjechië zijn hierover meerdere rechterlijke uitspraken gedaan. In eerste instantie is een week om week regeling bepaald, in een situatie waarin de moeder had aangegeven dat zij in Tsjechië woonde en niet naar Nederland zou verhuizen. Zij heeft hoger beroep aangetekend en in het kader van die procedure is duidelijk geworden dat de moeder feitelijk wel degelijk in Nederland verblijft en daar de contactregeling uitvoert. Om die reden is in hoger beroep bepaald dat de regeling in Tsjechië zou moeten worden uitgevoerd. Na een verzoek tot wijziging, ingediend door de moeder, is bepaald dat de kinderen de laatste week van de maand bij de moeder zouden verblijven. In de beschikking van 20 november 2025 van de regionale rechtbank te [geboorteplaats] wordt overwogen dat de moeder feitelijk nooit de gedeelde zorg in Tsjechië met de dochters heeft gerealiseerd. Deze rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de kinderen elke kalendermaand tien dagen bij de moeder in Nederland en twintig dagen bij de vader in Tsjechië zullen zijn. De moeder heeft slechts enkele keren uitvoering gegeven aan deze regeling, waarna zij de kinderen in Nederland heeft gehouden en niet meer heeft teruggebracht naar Tsjechië. Gebleken is dat de moeder in Nederland een nieuwe partner heeft, met wie zij in februari 2025 een dochter heeft gekregen en een nieuw leven opbouwt. Zij legt zich niet neer bij de in Tsjechië gedane uitspraken en heeft de kinderen op 1 maart 2026 bij haar in Nederland gehouden.
In februari 2026 heeft de oma vaderszijde [de minderjarige 1] geslagen. De vader erkent dat dit is gebeurd.
Naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis is een top-tot-teenonderzoek gedaan door de arts van Veilig Thuis. De arts heeft geconstateerd dat mogelijk sprake is van toegebracht letsel, maar heeft daarbij niet kunnen vaststellen door wie dat zou zijn toegebracht.
In het eerste gesprek met Veilig Thuis op 28 februari 2026 hebben de kinderen aangegeven dat zij door de vader en zijn ouders worden geslagen. In hetzelfde gesprek bij Veilig Thuis geven de kinderen echter ook aan dat zij eigenlijk bij beide ouders willen wonen. Volgens de Veilig Thuis medewerker klonk dat zeer oprecht.
Ook in het gesprek bij de bijzondere curator hebben de kinderen aangegeven dat zij worden geslagen. De bijzondere curator heeft in haar rapport daarover opgemerkt dat de kinderen met een duidelijke boodschap waren gekomen. Ter zitting heeft zij toegelicht dat de kinderen in eerste instantie aangaven dat het in Nederland heel fijn is en in Tsjechië verschrikkelijk. Toen de bijzondere curator doorvroeg, bleek het genuanceerder te liggen. Met name uit het spel met de Playmobilpoppetjes, bleek dat er gevoelens van loyaliteit naar beide ouders zijn. [de minderjarige 1] kan ook positieve dingen over Tsjechië benoemen.
In Tsjechië zijn de kinderen in de gerechtelijke procedure aldaar gehoord op 19 februari 2025 door een voogd. In de uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2025 staat daarover het volgende:
‘Op 19 februari 2025 heeft de voogd een gesprek gevoerd met beide kinderen in de kleuterschool. [de minderjarige 1] heeft verklaard dat zij nu afwisselend verblijven. Zij zou het anders willen. Zij zou willen dat de moeder in Tsjechië woont of dat zij bij de vader op bezoek komt. Zij wil niet naar Nederland omdat zij daar naar een nieuwe school zal gaan; er is daar ballet dat zij leuk vindt, maar de moeder zei dat zij zal gaan zwemmen. Zij zou willen dat de moeder op bezoek komt. Zij zou haar niet missen omdat de moeder bij de vader of bij tante zou komen. Zij vindt het leuk in Tsjechië en in Nederland; het beste zou zijn als [naam 2] en de moeder bij de vader in Tsjechië zouden wonen. Zoals het nu is voelt zij zich goed; Nederland is te ver weg. Zij heeft dit tegen de moeder gezegd, maar die luistert niet. Zij heeft het ook tegen de vader gezegd; hij zei dat hij het tegen de moeder zou zeggen zodat zij hier ergens op vakantie zou verblijven. Als zij bij de vader zou blijven en naar een Tsjechische school zou gaan, zou dat haar passen. Zij zou willen dat zij elkaar liefhebben. Zij zou de moeder en haar zusje missen, maar zou hen bezoeken. Zij zou willen dat zij bij de moeder op bezoek gaan en dat de moeder bij de vader op bezoek komt. De moeder is in Nederland, de vader in Tsjechië. Toen de moeder laatst in Tsjechië was, hadden zij ruzie omdat zij geld van de vader wilde. In Nederland is het anders; zij hebben een zusje en zij houdt van haar. Alles is in orde; niemand doet hen pijn en niemand heeft hen pijn gedaan. Op de vraag of [naam 2] hen slaat, antwoordde zij zonder aarzeling van niet. De vader en de moeder waren samen, hielden van elkaar en nu niet meer; de moeder heeft nu [naam 2] , zij noemen hem “papa”, de vader weet dat. De moeder of soms de grootmoeder brengt hen naar Tsjechië; de reis is erg lang. De vader heeft in Tsjechië tante [tante] ; zij is aardig. Bij de vader gaat het goed met hen; niemand doet hen pijn. [de minderjarige 2] heeft verklaard dat zij nu bij de vader zijn; zij vindt het daar fijn, bij de moeder is het ook fijn, maar zij zou liever hier bij de vader zijn. De vader is met tante [tante] , die is aardig. Bij de moeder is [naam 2] ; hij speelt met hen. Zij wonen in Nederland; zij vindt het zo ver niet leuk. Zij zou bij de vader willen zijn; de autorit is erg lang. Bij de moeder hebben zij een baby, bij de vader is [naam 3] . Wanneer zij bij de moeder is, mist zij de vader en omgekeerd. Zij gaan naar de grootmoeder van de vaderszijde. Wanneer zij bij de vader zijn, bellen zij met de moeder; niemand slaat hen; vroeger kreeg zij van [naam 2] een tik op de billen, nu niet meer.’
De kinderen geven aldus aan dat er geen sprake is van mishandeling en dat zij het fijn hebben bij beide ouders.
De moeder heeft daarnaast verklaringen van een Tsjechische psycholoog overgelegd van een onderzoek van 19 september 2025, waarin de conclusie wordt getrokken dat de kinderen een betere band hebben met de moeder dan met de vader. Door de Tsjechische rechter zijn deze verklaringen als niet objectief beschouwd, nu de vader door de psycholoog niet over de onderzoeken is geïnformeerd en hij ook zijn mening niet heeft kunnen geven.
Ten slotte is er voorafgaand aan de zitting nog een rapport van Veilig Thuis overgelegd. Daarin wordt geconcludeerd dat sprake is van fysieke mishandeling door de vader en zijn partner en zijn ouders en dat geen sprake is van onveiligheid in de situatie van de kinderen in Nederland. Dit rapport wordt op de zitting door zowel de Raad als de bijzondere curator ernstig bekritiseerd. De gesprekken met de kinderen zouden hebben plaatsgevonden volgens de NICHD-methode, maar deze zijn oppervlakkig en niet van het niveau dat de Raad van Veilig Thuis gewend is. Bovendien had op zijn minst vader in het onderzoek betrokken moeten worden, en dat is niet gebeurd.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat sprake is van een zorgelijke situatie. Dat [de minderjarige 1] in Tsjechië in ieder geval één keer is geslagen, staat vast. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat sprake is van een ondragelijke toestand als genoemd in het Verdrag. Daartoe is het volgende redengevend.
Het rapport van Veilig Thuis is opgesteld op basis van de informatie van de moeder en zonder betrokkenheid van de vader, wat kritisch wordt beschouwd door de Raad en de bijzondere curator. Met de conclusie van Veilig Thuis dat sprake is van fysieke mishandeling door de vader, zijn partner en zijn ouders, moet daarom voorzichtig worden omgegaan. Dat geldt temeer omdat de kinderen voordat een en ander hier in Nederland ging spelen, in het kader van de recente Tsjechische procedures, niets hebben aangegeven over mogelijke mishandeling door de vader of zijn partner en familie. Ook de door de moeder in Tsjechië benaderde psycholoog noemt niet dat daar sprake van is. In de eerste gesprekken met Veilig Thuis op 28 februari 2026 geven de kinderen aan dat zij eigenlijk ook wel bij de vader willen wonen. Ook in het recente rapport van de Tsjechische politie, naar aanleiding van een bezoek van de moeder en de kinderen aan [plaats] op 4 juni 2026, is opgenomen dat de kinderen na een gesprek met de ouders op het politiebureau, hartelijk afscheid nemen van hun vader.
Dat de kinderen inmiddels aangeven dat zij door de vader worden geslagen, is hoe dan ook zorgelijk. Het kan ook een indicatie zijn dat de kinderen lijden onder de spanningen tussen de ouders rond de zorgregeling die zij in de afgelopen jaren, ondanks verschillende gerechtelijke procedures, niet hebben weten op te lossen. Die zorgen zijn echter in Tsjechië bekend en de jeugdbescherming is betrokken om hulpverlening te bieden waar nodig. Zo heeft OSPOD via de Centrale autoriteiten een zorgmelding gedaan, op grond waarvan het genoemde onderzoek door Veilig Thuis is gedaan. Als de kinderen worden teruggeleid naar Tsjechië, kan OSPOD de opvoedsituatie bij vader thuis nader onderzoeken en zo nodig hulpverlening organiseren.
De moeder heeft nog naar voren gebracht dat een teruggeleiding zou leiden tot een scheiding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] enerzijds en hun halfzusje [halfzusje] anderzijds, wat ook een ondragelijke toestand oplevert. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van hoeft te zijn. De moeder kan immers, zoals zij ook tot februari 2026 deed, regelmatig terug naar Tsjechië om daar tijd met de kinderen door te brengen. Dat zij terug kan, blijkt uit het feit dat de moeder begin juni 2026 nog is terug geweest in Tsjechië met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om – zoals de moeder ter zitting heeft verklaard – zaken te regelen. Andersom kunnen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar Nederland komen in vakanties of lange weekenden.
Van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b is aldus geen sprake.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag
Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
De moeder heeft gesteld dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland willen blijven en dat zij hun wens goed kunnen uitdrukken. Zij weigeren pertinent om terug te keren naar de vader. De vader betwist dat hiervan sprake is. De bijzondere curator heeft in haar verslag opgenomen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet zo goed kunnen overzien (hetgeen gelet op hun leeftijd ook helemaal niet verwonderlijk is) wat een bepaalde beslissing voor hen betekent in het contact met de andere ouder en omgekeerd.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de nog jonge leeftijd van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en wat de bijzondere curator naar voren heeft gebracht, niet kan worden geoordeeld dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag is dan ook niet gebleken.
Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag
Ingevolge artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind worden geweigerd, wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan.
De moeder doet een beroep op deze weigeringsgrond. Zij stelt dat de teruggeleiding van de kinderen een directe en flagrante schending oplevert van hun fundamentele recht op fysieke integriteit, het recht op veiligheid en de bescherming tegen mishandeling (artikel 3 en 8 EVRM en artikel 19 IVRK). Blijkens jurisprudentie van het EHRM kunnen fysieke en disciplinaire straffen tegen kinderen onder geen beding worden getolereerd. Er is in Tsjechië in deze situatie geen sprake van een veilige rechtsorde die de fundamentele rechten van de kinderen beschermt. De vader verweert zich hiertegen.
De rechtbank overweegt dat het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond niet slaagt, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen bij de bespreking van de weigeringsgrond ondragelijke toestand. Zorgen omtrent huiselijk geweld zijn verdisconteerd in de weigeringsgrond uit artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.
Conclusie
Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 en 20 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te volgen.
De vader verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] terug te geleiden naar een specifiek adres in Tsjechië. De rechtbank is van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het Verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifiek adres. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te gelasten naar een specifiek adres en zal de teruggeleiding gelasten naar Tsjechië.
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten.
De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 27 juli 2026, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
Kosten
De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen tot betaling van de kosten van de vader verbonden aan de teruggeleidingsprocedure.
Ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
De vader heeft de door hem gemaakte kosten niet gespecifieerd, zodat het verzoek van de vader als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd zal worden afgewezen.
Wat betreft de proceskosten zal de rechtbank deze compenseren gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
gelast de terugkeer van de minderjarigen:
[de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] , Tsjechië;
[de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] , Tsjechië,
naar Tsjechië uiterlijk op 27 juli 2026, waarbij de moeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dient terug te brengen naar Tsjechië en beveelt, indien de moeder nalaat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] terug te brengen naar Tsjechië, dat de moeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 27 juli 2026, opdat de vader [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar Tsjechië;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 9 augustus 2026 als beëindigd;
*
wijst af het meer of anders verzochte.