Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 14 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres in het buitenland,
advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van 14 mei 2026, met bijlagen, van de vader;
het verweerschrift (voor de regiezitting) van 22 mei 2026, met bijlagen, van de moeder;
het verweerschrift van 18 juni 2026, met bijlagen, van de moeder;
het F9 formulier van 22 juni 2026, met bijlagen, van de vader;
het F9 formulier van 22 juni 2026 van de vader;
de F9 formulieren van 24 juni 2026, met bijlagen, van de vader.
Op 26 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.M. van der Vliet. De behandeling ter zitting is aangehouden.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 10 juni 2026 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Op 25 juni 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, J. van der Boom, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en [naam 2] namens de Raad.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats], [geboorteland].
Op 27 januari 2026 is de moeder met [minderjarige 1] naar Nederland vertrokken.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit.
De vader heeft de Portugese en Braziliaanse nationaliteit en de moeder en [minderjarige 1] hebben blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.
De vader heeft zich op 28 januari 2026 gewend tot de Portugese Centrale Autoriteit. Dit verzoek is doorgeleid naar de Nederlandse Centrale autoriteit (Ca). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 260014.
De vader heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk, [minderjarige 2] van 7 en [minderjarige 3] van 5. Zij verblijven in Portugal.
Verzoek en verweer
De vader heeft verzocht – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad –:
de onmiddellijke terugkeer naar Portugal, [adres]
, [plaats] te bevelen van [minderjarige 1], zo nodig met behulp van de sterke arm, uiterlijk op 15 juni 2026, althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de moeder [minderjarige 1], dient terug te brengen naar haar woonadres [adres], [plaats], Portugal en dient te overhandigen aan de man;
dan wel - indien de vrouw nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Portugal binnen de door de rechtbank te stellen termijn - te gelasten dat de man uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum hij [minderjarige 1] ophaalt bij de vrouw en zelf mee terug kan nemen naar Portugal;
de man te machtigen; althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, kosten rechtens.
Beoordeling
Bezwaar tegen producties De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen het indienen door de vader van de producties vanaf productie 17. De producties zijn te laat ingediend en bovendien worden de producties overgelegd zonder toelichting, zodat de moeder geen verweer op de producties heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van de moeder voor zover de producties door de vader in eerste termijn op de zitting alsnog zijn toegelicht. Deze producties zijn eenvoudig te doorgronden en de moeder heeft op de zitting de gelegenheid gehad om daar op te reageren. In die zin is er geen sprake van een schending van de goede procesorde of het beginsel van hoor en wederhoor. De producties 22 tot en met 24, 39 tot en met 43 en 45 zijn ook op de zitting niet nader toegelicht. Om die reden laat de rechtbank deze producties wel buiten beschouwing.
Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
Tussen de ouders is in geschil waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] was onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland. De vader stelt dat het de bedoeling van de ouders was om met [minderjarige 1] in Portugal te wonen, terwijl de moeder stelt dat zij enkel voor de bevalling naar Portugal is gegaan, maar dat haar gewone verblijfplaats, en daarmee ook die van [minderjarige 1], in Nederland was (en nog steeds is) gelegen.
De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat in geval van de bepaling van de gewone verblijfplaats van een pasgeboren baby bij de beoordeling of sprake is van een zekere integratie van het kind in zijn sociale en familiale omgeving, rekening wordt gehouden met de geografische en familiale wortels van diens referentiepersoon (de persoon bij wie het kind effectief woont en door wie het feitelijk wordt verzorgd) en de familiale en sociale banden die deze persoon en het kind in een staat hebben. Het Hof heeft echter ook bepaald dat, hoewel de familiale omgeving van een zuigeling grotendeels wordt bepaald door de referentiepersoon bij wie het kind woont, de familiale omgeving waarin het kind is geïntegreerd, als de ouders zijn gescheiden, ook gevormd kan worden door beide ouders, mits er regelmatig omgang met de tweede – niet-verzorgende – ouder is. Behalve een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving, is ook de fysieke aanwezigheid van het kind, die niet tijdelijk of toevallig is, een noodzakelijke voorwaarde.
De rechtbank stelt voorop dat [minderjarige 1] vanaf haar geboorte op [geboortedatum] 2025 tot 26 januari 2026 in Portugal verbleef. Verder is de rechtbank van oordeel dat de moeder de hiervoor bedoelde referentiepersoon is ten aanzien van [minderjarige 1]. [minderjarige 1] verblijft sinds haar geboorte bij de moeder en heeft ook tot haar overbrenging naar Nederland relatief weinig tijd doorgebracht met haar vader. De moeder heeft immers reeds op 5 januari 2026 samen met [minderjarige 1] de woning waar zij met de vader verbleven, verlaten. Vanaf dat moment tot hun vertrek naar Nederland, verbleven de moeder en [minderjarige 1] in een Airbnb-accommodatie.
De rechtbank beoordeelt daarom eerst waar de gewone verblijfplaats van de moeder was voorafgaand aan de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland. Het oordeel luidt dat die in Portugal was. De rechtbank legt dat als volgt uit.
Uit de schets die door de moeder is gegeven, blijkt dat de ouders begin 2025, toen de moeder voor een langere periode in Portugal verbleef, een relatie hebben gekregen. De moeder is vervolgens zwanger geraakt. Daarna is de relatie verbroken en is de moeder teruggekeerd naar Nederland. In augustus 2025 is zij weer teruggegaan naar Portugal en begin oktober 2025 is zij teruggekeerd naar Nederland. Vervolgens is zij half oktober 2025 weer teruggegaan naar Portugal waar zij tot 26 januari 2026 is gebleven. De moeder stelt dat zij enkel voor de bevalling is teruggekeerd naar Portugal, maar niet met de intentie om langer in Portugal te verblijven. De vader betwist dat.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de moeder inderdaad concrete plannen had om na de bevalling definitief terug te keren naar Nederland. Zo schrijft de moeder in een WhatsApp bericht (productie 12 van vader) dat het naar Nederland gaan met [minderjarige 1] slechts een tijdelijke stap is, zodat [minderjarige 1] haar Nederlandse familie kan ontmoeten, en geen lange termijn beslissing. In een ander WhatsApp bericht (productie 16 van vader) schrijft de moeder, wanneer zij na 27 januari 2026 in Nederland is, dat de vader wist dat zij een maand hier met vakantie zou zijn. Ook schrijft de moeder in een WhatsApp bericht (productie 17 van moeder) dat zij haar registratie in Nederland aanhoudt zolang als dat nodig is in verband met een zwangerschapsverlofuitkering; dit impliceert dat zij voornemens was om na afloop van die uitkering ook haar registratie in Nederland te beëindigen.
Portugal was voor de moeder bovendien geen onbekend land. Zij heeft daar in de jaren voorafgaand aan de zwangerschap van [minderjarige 1] in ieder geval meerdere keren voor een langere periode dan een reguliere vakantie, verbleven. In 2025 verbleef zij bovendien volgens haar eigen overzicht bijna negen maanden in Portugal en in september 2025 heeft zij zich als EU-burger ingeschreven in Portugal.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aanwezigheid van de moeder in Portugal niet tijdelijk was. Dat de moeder nog de genoemde zwangerschapsverlofuitkering in Nederland ontving, maakt dat niet anders. De gewone verblijfplaats van de moeder, en daarmee ook die van [minderjarige 1], voorafgaand aan de overbrenging was dus in Portugal gelegen. Aan de vraag wat de gewone verblijfplaats van de vader was, komt de rechtbank daarom niet toe.
Niet in geschil is dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] waren belast op het tijdstip van de overbrenging en ook is niet gebleken dat de vader zijn gezag niet zou hebben uitgeoefend. Wel in geschil is de vraag of de vader toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland.
De rechtbank overweegt dat het aan de moeder is om te onderbouwen dat zij toestemming heeft gekregen van de vader om met [minderjarige 1] naar Nederland te vertrekken voor een definitief verblijf. De moeder heeft verklaringen van haar moeder en haar zus overgelegd, waaruit de toestemming zou moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank leggen deze verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader. In een WhatsApp bericht van vóór haar vertrek naar Nederland op 26 januari 2026 (productie 13 van vader), geeft de moeder aan dat het plan was dat zij met [minderjarige 1] naar Nederland zou gaan om haar familie te ontmoeten en dat de vader na een reis naar Brazilië ook zou komen. Dat ging om een ‘temporary step, without long-term decisions’. De vader reageert met ‘Absolutely not. The plans do not remain the same’. Ook overlegt de vader als producties 14 en 15 WhatsApp berichten gewisseld tussen hem en de zus van de moeder, waarin hij aangeeft dat de moeder [minderjarige 1] niet zomaar zonder zijn toestemming mee kan nemen naar Nederland. Uit het door de vader als productie 16 overgelegde WhatsApp bericht blijkt dat de vader dit na het vertrek van de moeder nog eens heeft herhaald.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een door de vader gegeven toestemming voor overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland.
Nu de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Portugees recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
De moeder stelt dat [minderjarige 1] in een ondragelijke toestand terecht komt bij terugkeer naar Portugal, aangezien zij als baby volledig afhankelijk is van de moeder. De vader heeft [minderjarige 1] tussen 27 januari 2026 en 26 mei 2026 niet één keer bezocht en is fysiek en financieel niet in staat om voor haar te zorgen. De moeder heeft geen inkomen, huisvesting en sociaal netwerk in Portugal, zodat [minderjarige 1] in een sociaal en financieel instabiele situatie terecht zal komen bij terugkeer. De vader verweert zich hiertegen. Beide ouders werken online en de moeder heeft altijd haar inkomen gehad. De vader beschikt bovendien over het familiehuis in Portugal en hij zal de moeder steunen in het vinden van passende woonruimte.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende. Niet is gebleken dat de moeder niet met [minderjarige 1] kan terugkeren naar Portugal. De moeder is niet gebonden aan Nederland voor haar werk. Evenmin is gebleken dat zij anderszins aan Nederland is gebonden. Portugal is geen onbekend land voor haar. De moeder kent de medische wegen in Portugal en kan daar behandeling krijgen voor eventuele mentale of fysieke problemen. De moeder kan, zoals zij ook hiervoor heeft gedaan, vanuit Portugal werken. Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond uit artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag slaagt daarom niet.
Conclusie
Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.
De vader verzoekt [minderjarige 1] terug te geleiden naar een specifiek adres in Portugal. De rechtbank is van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het Verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifiek adres. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verzoek en zal de teruggeleiding gelasten naar Portugal.
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 27 juli 2026, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
Sterke arm
Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
gelast de terugkeer van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats], [geboorteland], naar Portugal uiterlijk op 27 juli 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar Portugal en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Portugal, dat de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 27 juli 2026, opdat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Portugal;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.