RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/707422 / JE RK 26-1085
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en (her)benoeming bijzondere curator
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
mr. G.E. van der Pols,
hierna te noemen: de bijzondere curator,
kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen gedateerd van 18 juni 2026;
de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2026;
het digitale bericht van de vader van 2 juli 2026;
het verslag van de bijzondere curator van 6 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de bijzondere curator;
[naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot 10 juli 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling te kennen gegeven dat zij feitelijk een nieuwe machtiging verzoekt – en geen verlenging – nu het gaat om een nieuwe categorie van de uithuisplaatsing, namelijk een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De gecertificeerde instelling heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog steeds aanwezig. Bij [minderjarige] is sprake van hechtingsproblematiek. Daarbij laat [minderjarige] zowel externaliserende problematiek, zoals moeite met haar emotieregulatie en grensoverschrijdend gedrag zien, als internaliserende problematiek zien, zoals somberheid en zelfbeschadigend gedrag. Hiernaast hebben de meerdere wisselingen in haar verblijfplaats ook invloed gehad op haar gevoel van veiligheid, stabiliteit en vertrouwen in volwassenen. Positief is dat [minderjarige] inmiddels is gestart bij het OPDC en dat het hier goed verloopt. Daarnaast heeft zij net een nieuwe psycholoog die met haar op een andere manier naar haar trauma gaat kijken. Het is belangrijk dat deze (noodzakelijke) behandeling de komende periode wordt voortgezet. Hiernaast blijven de zorgen over het gezinssysteem bestaan. Beide ouders laten in het contact met [minderjarige] ambivalentie en wisselende beschikbaarheid zien. De moeder heeft daarbij voor [minderjarige] zeer belastende uitspraken gedaan, waardoor er lange tijd geen contact is geweest tussen de moeder en [minderjarige]. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat zij vanuit de ouders duidelijk een patroon van aantrekken en afstoten zien, wat [minderjarige] ook lijkt over te nemen. Volgens de gecertificeerde instelling zijn de ouders niet in staat om de noodzakelijke hulpverlening zelfstandig te regelen en de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en blijft daarom een ondertoezichtstelling nog nodig.
Daarnaast is het belangrijk dat ook de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. Het opvoedperspectief ligt niet meer bij de moeder en een eerdere terugplaatsing bij de vader is niet duurzaam gebleken. De plaatsing op de groep biedt [minderjarige] op dit moment de noodzakelijke veiligheid, structuur en begeleiding. Zij ontvangt hier één op één begeleiding en dit heeft duidelijk een positief effect op haar functioneren, dagstructuur en emotieregulatie. Het liefste zou de gecertificeerde instelling zien dat [minderjarige] bij haar voormalig pleegmoeder zou kunnen wonen, nu zij een kwetsbaar meisje is dat veel nabijheid nodig heeft. Dit was afgelopen jaar ook het oorspronkelijke plan om naar toe te werken. Deze plaatsing wordt echter belemmerd door praktische problemen in de huisvesting van de pleegmoeder. De gecertificeerde instelling blijft haar best doen om hiervoor een oplossing te vinden. Tot aan dat moment is het volgens de gecertificeerde instelling het meest passend dat zij op haar huidige groep blijft. De groep heeft aangegeven dat zij zelf denken aan een mogelijke driemilieuvoorziening, maar volgens de gecertificeerde instelling is dit niet passend en is een overplaatsing ook niet helpend, gelet op haar hechtingsproblematiek.
4. De standpunten
De bijzondere curator kan instemmen met de verzoeken. De bijzondere curator ziet dat [minderjarige] zich het afgelopen jaar heeft ontwikkeld, maar ziet ook dat zij nog regelmatig klem zit in het zeer lastige gezinssysteem waarin zij opgroeit. Het contact tussen [minderjarige] en haar vader en moeder is wisselend, waarbij er ook periodes zijn dat de ouders helemaal uit contact zijn. De constante factor in het leven van [minderjarige] is voormalig pleegmoeder. Het is de wens van [minderjarige] dat zij hier definitief kan gaan wonen. Dit is echter nog steeds niet gelukt door praktische huisvestingproblemen. Kort voor de zitting heeft de bijzondere curator gehoord dat het praktisch niet mogelijk is om een zolderkamer te realiseren bij de pleegmoeder. Dit is een teleurstelling, maar de bijzondere curator blijft met de gecertificeerde instelling zoeken naar mogelijkheden om deze plaatsing wel te kunnen realiseren. Op dit moment gaat [minderjarige] één keer in de maand een weekend naar haar voormalig pleegmoeder. Het liefste wil [minderjarige] op haar huidige groep blijven totdat zij bij haar voormalig pleegmoeder kan wonen. De bijzondere curator verzoekt om hem te herbenoemen, gelet op de neutrale houding die hij kan innemen richting alle betrokkenen en zijn jarenlange band met [minderjarige].
De vader heeft per digitaal bericht te kennen gegeven te kunnen instemmen met het verzoek.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat kampt met forse kindeigen problematiek. Daarnaast heeft zij de afgelopen jaren veel wisselingen en onrust in haar verblijfsplaatsen gekend en is een terugplaatsing bij de vader – helaas- niet geslaagd. Daarbij volgt ook uit de stukken dat de zorgen over de vader en de moeder – en hetgeen zij kunnen bieden – nog onverminderd aanwezig zijn, waarin de ouders ook wisselende beschikbaarheid laten zien in het contact met [minderjarige]. Duidelijk is dat [minderjarige] door haar problematiek en uitdagingen ook de komende tijd nog veel (professionele) begeleiding en ondersteuning nodig zal hebben. Om dit vorm te geven is het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer nog betrokken blijft. Het is goed om te horen dat [minderjarige] recent is gestart bij een nieuwe psycholoog en zij hier behandeling krijgt. Belangrijk is dat deze behandeling gemonitord wordt en waar nodig vervolghulpverlening ingezet kan worden. Verder is het van belang dat de gecertificeerde instelling toezicht kan houden op het contact tussen [minderjarige] en de ouders en kan bijsturen waar nodig. Daarnaast zal er nog duidelijkheid moeten komen over waar [minderjarige] op de lange termijn kan wonen en zal de gecertificeerde instelling nader onderzoeken in hoeverre de ouders nog in staat zijn om het gezag uit te oefenen. Gezien het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen.
Ten aanzien van de verblijfsplek van [minderjarige] overweegt de kinderrechter het volgende. Het is verdrietig om te lezen dat het afgelopen jaar nog niet is gelukt om de plaatsing van [minderjarige] bij de voormalig pleegmoeder te realiseren. Juist gezien de wisselingen die [minderjarige] in het verleden heeft meegemaakt, is het van groot belang dat zij op een stabiele en duurzame verblijft, waar zij de nabijheid krijgt die zij nodig heeft. Alle betrokkenen lijken er ook over eens dat de plek bij de voormalig pleegmoeder de beste plek is voor [minderjarige]. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling alles op alles blijft zetten om ervoor te zorgen dat deze plaatsing alsnog geregeld kan worden en als dit écht niet mogelijk is, zij met voortvarendheid onderzoekt welke vervolgplaatsing dan wel passend is voor [minderjarige]. De plek waar [minderjarige] op dit moment verblijft is namelijk niet zogenoemd perspectief biedend. De kinderrechter is daarbij met de gecertificeerde instelling van oordeel dat het belangrijk is dat [minderjarige] zo min mogelijk wisselt - gelet op haar hechtingsproblematiek en eerdere verhuizingen - van woonplek. De kinderrechter zal daarom ook de verzochte machtiging verlenen, waardoor [minderjarige] in ieder geval de komende periode kan blijven op haar huidige groep en zij hier – met hulp van de één op één begeleiding – de stabiliteit en begeleiding krijgt die zij nodig heeft.
Ten aanzien van de termijn overweegt de kinderrechter dat als zij beide verzoeken volledig toewijst, de expiratiedatum van de machtiging tot uithuisplaatsing één dag eerder komt te liggen dan die van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Uit praktische overwegingen zal de kinderrechter daarom beide verzoeken verlengen tot 9 juli 2027.
Herbenoeming bijzondere curator
Volgens de kinderrechter is het noodzakelijk dat de bijzondere curator nog langer betrokken blijft. Gezien de sterk belaste voorgeschiedenis en de complexe relatie tussen [minderjarige] en de ouders is het van belang dat er een neutraal persoon betrokken is – buiten de gecertificeerde instelling – die [minderjarige] in en buiten rechte kan vertegenwoordigen en haar belangen in het oog kan houden. Daarbij is het naar het oordeel van de kinderrechter duidelijk dat de bijzondere curator voor [minderjarige] een stabiele factor is in haar leven en de kinderrechter vindt het van belang dat deze factor – gelet op alle onzekerheid die er speelt over haar vervolgplek – nog aanwezigheid blijft.
De kinderrechter zal daarom op grond van artikel 1:250 BW de bijzondere curator herbenoemen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 juli 2027. De bijzondere curator krijgt daarbij de opdracht om de stem van [minderjarige] in en buiten rechte te vertegenwoordigen en daartoe rechtshandelingen te verrichten. Het staat daarbij de bijzondere curator vrij om andere bevindingen onder de aandacht van de rechtbank te brengen, die van belang zijn voor eventuele beslissingen van de rechtbank over een mogelijke verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De bijzondere curator wordt verzocht uiterlijk vier weken voor het aflopen van de ondertoezichtstelling een verslag met zijn bevindingen te overleggen aan de rechtbank, de gecertificeerde instelling en de belanghebbenden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 juli 2026 tot 9 juli 2027;
herbenoemt mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Rotterdam tot bijzondere curator over [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 20 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.