Omgang en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 2 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
De minderjarige [de minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 12 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
in de bodemprocedure:
- te bepalen dat tussen de vader en [de minderjarige] begeleide omgang zal worden gestart via het Wilmahuis of een soortgelijke instantie, waarbij de frequentie en duur van de begeleiding door deze instantie voorzichtig en zorgvuldig zal worden opgebouwd en er onder begeleiding van die instantie geleidelijk toegewerkt zal worden naar een onbegeleide omgangsregeling waarbij [de minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur en de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader zal zijn;
bij wijze van voorlopige voorziening:
- te bepalen dat tussen de vader en [de minderjarige] begeleide omgang zal worden gestart via het Wilmahuis of een soortgelijke instantie, waarbij de frequentie en duur van de begeleiding door deze instantie voorzichtig en zorgvuldig zal worden opgebouwd,
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.
Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemzaak
In januari 2020 heeft vader [de minderjarige] voor het laatst gezien. De omgang zou destijds zijn opgeschort door de toenmalige jeugdbeschermer. Bij beschikking van 29 mei 2020 heeft de rechtbank een begeleide omgangsregeling vastgesteld, welke alleen kon starten als vader zich zou hebben aangemeld bij De Waag en zou meewerken aan hulpverlening. Vader geeft aan dat hij wel heeft geprobeerd zich aan te melden bij De Waag, maar dat De Waag zijn aanmelding heeft geweigerd omdat er geen hulpvraag bestond. In de tussenbeschikking van 12 mei 2021 is opnieuw een begeleide omgangsregeling vastgesteld. Ook hierbij gold de voorwaarde dat vader eerst moest starten met een hulpverleningstraject voor zijn agressieproblematiek. Bij beschikking van 25 april 2022 heeft de rechtbank aanleiding gezien om af te wijken van de eerder gestelde voorwaarde van het volgen van een agressietraining voordat begeleid contact met [de minderjarige] zou kunnen plaatsvinden. Bij beschikking van 10 juli 2024 van het Gerechtshof is deze voorwaarde weer opgenomen, volgens vader enkel en alleen omdat hij niet op de zitting was verschenen en het verzoek van moeder op dit punt niet heeft kunnen weerspreken.
Vader geeft aan dat hij na de beschikking van het Gerechtshof heeft geprobeerd om het contact met [de minderjarige] weer op te starten, maar dat dit niet is gelukt omdat moeder vasthield aan de door het Gerechtshof toegevoegde voorwaarde. Naar de mening van vader is er aan zijn zijde geen sprake van agressieproblematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Daarnaast weigert De Waag vader te behandelen vanwege het ontbreken van een hulpvraag, zodat vader ook niet aan de gestelde voorwaarde kan voldoen. Niet lang na de beschikking van het Gerechtshof hebben moeder en haar huidige partner een verzoek tot stiefouderadoptie bij de rechtbank ingediend (dit verzoek is later ingetrokken). Uit het onderzoek dat de Raad naar aanleiding van dit verzoek heeft gedaan, blijkt volgens vader dat [de minderjarige] een hele sterke behoefte heeft aan contact met hem. Vader vindt het voor [de minderjarige] van groot belang dat zij zelf een beeld van hem kan gaan vormen. Hij wil heel graag weer contact met zijn dochter en is bereid hier alles voor te doen. Het leven van vader is op dit moment stabiel. Hij woont samen met zijn nieuwe partner en haar kind, heeft werk en er is geen hulpverlening betrokken. Vader begrijpt dat contactherstel goed zal moeten worden begeleid door professionals vanwege het feit dat er al lang geen contact is geweest en moeder kennelijk voornamelijk negatieve informatie over hem aan [de minderjarige] heeft verstrekt.
Moeder is het niet eens met het verzoek van vader. Zij stelt zich op het standpunt dat er ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 10 juli 2024 van het Gerechtshof niets is veranderd. Vader heeft nog altijd de meermaals door de rechtbank en het gerechtshof gestelde voorwaarden niet nageleefd en legt de verantwoordelijkheid voor het al jaren niet hebben van contact met [de minderjarige] volledig buiten zichzelf. Voor moeder is er geen enkele reden om aan te nemen dat er geen sprake meer is van agressieproblematiek bij vader. Zolang vader geen opvolging geeft aan de inhoud van de eerdere beschikkingen, is er naar de mening van moeder geen ruimte voor begeleide omgang. Anders dan vader stelt is het volgens moeder helemaal niet zo dat [de minderjarige] overduidelijk een hele sterke behoefte heeft aan contact met haar vader. Dit blijkt ook niet uit het rapport van de Raad, aldus moeder. Moeder wijst er nog op dat er op dit moment serieuze zorgen zijn over trauma gerelateerd gedrag bij [de minderjarige] . In september 2025 is [de minderjarige] gestart met een behandeling hiervoor. Deze behandeling is tijdelijk gepauzeerd in verband met een onderzoek naar ADHD dat momenteel plaatsvindt. Moeder vindt het belangrijk dat [de minderjarige] rust krijgt om haar behandeling te kunnen aangaan.
Namens de Raad is op de zitting aangegeven dat het verzoek van vader te prematuur is. Zolang vader geen stappen zet, is het naar de mening van de Raad niet in het belang van [de minderjarige] om haar in contact met vader te brengen.
De rechtbank stelt vast dat al sinds de beschikking van 29 mei 2020 duidelijk is aan welke voorwaarden vader moet voldoen alvorens begeleide omgang tussen hem en [de minderjarige] kan worden opgestart. Ondanks het feit dat deze voorwaarden in meerdere beschikkingen zijn herhaald, heeft vader hier telkens geen gevolg aan gegeven. Ook toen de rechtbank de gestelde voorwaarden omtrent het volgen van een behandeling voor agressieproblematiek in de beschikking van 25 april 2022 losliet is het niet tot begeleide omgang gekomen omdat vader zich niet hield aan de met de jeugdbeschermer gemaakte afspraak om te beginnen met het sturen van kaartjes aan [de minderjarige] .
Uit de door vader overgelegde stukken blijkt dat hij zich net vóór de zitting heeft aangemeld bij De Waag. De rechtbank juicht dit zeer toe. Vader staat nu op de wachtlijst voor behandeling, maar er is nog niet beoordeeld of vader daadwerkelijk bij De Waag in behandeling kan komen. Volgens vader heeft De Waag eerder geweigerd hem te behandelen omdat hij geen hulpvraag had. De rechtbank vraagt zich af of vader nu wel een hulpvraag heeft. Vader lijkt nog steeds niet te erkennen dat hij problemen met zijn agressieregulatie heeft (gehad). Zo staat in de verwijsbrief van de huisarts dat begeleiding in verband met agressieregulatie wordt gevraagd en dat alles te maken heeft met een vechtscheiding en huiselijk geweld wat volgens patiënt niet heeft plaatsgevonden. Ook op de zitting heeft vader weinig tot geen blijk gegeven inzicht te hebben in zijn eigen aandeel in de ontstane situatie.
Nu vader nog geen behandeling heeft gevolgd, is niet voldaan aan de noodzakelijke voorwaarde voor het opstarten van begeleide omgang. De rechtbank zal het verzoek van vader dan ook afwijzen. Begeleide omgang kan pas aan de orde zijn als vader een hulpverleningstraject (positief) heeft afgerond. Ook dan zal echter nog moeten worden beoordeeld of omgang in het belang van [de minderjarige] is. Op dit moment zijn er zorgen over [de minderjarige] en volgt zij een behandeling. Ook moeder ervaart klachten (zij heeft last van een complexe PTSS). Voordat eventueel kan worden toegewerkt naar contactherstel tussen [de minderjarige] en vader, zal er eerst meer rust moeten komen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst zowel het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als het verzoek van de vader in de bodemzaak af.