Rechtbank den haag
Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707982 / KG ZA 26-724
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[de vader] in [woonplaats 1],
eiser,
advocaat: mr. S. Karami in Amsterdam,
tegen:
[de moeder] in [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat: mr. G. Koyak in Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
de op 7 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Op de zitting waren aanwezig: de vader bijgestaan door mr. A. Azauiyat als waarnemend advocaat en de moeder bijgestaan door haar advocaat.
Op de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, wordt in deze procedure van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats].
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige]. [minderjarige] woont bij de moeder.
Bij deze rechtbank is, onder zaak- en rekestnummer C/09/700397 en FA RK 26-1993, een procedure over de vaststelling van een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] aanhangig. Momenteel geldt er een zorgregeling waarbij [minderjarige] bij de vader is om de twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur.
3. Het geschil
De vader vordert, uitvoerbaar bij voorraad en zoals dat na wijziging op de zitting nu luidt:
aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de voorgenomen vakantie met [minderjarige] naar [land 1] in de periode van 13 juli 2026 tot en met 31 juli 2026, en te bepalen dat dit vonnis mede in de plaats treedt van de toestemming dan wel handtekening van de moeder;
de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure;
althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader wil, samen met zijn twee meerderjarige dochters en kleinzoon, met [minderjarige] naar [land 1] reizen om tijd door te brengen met hun familie daar. De vader heeft aan de moeder toestemming gevraagd voor deze vakantie op 21 april, 1 juni en 18 juni, maar zij heeft tot op heden haar toestemming voor deze vakantie niet willen geven. De moeder stelt dat deze vakantie niet in het belang van [minderjarige] is, vanwege de leeftijd, de afstand, de reisduur en het feit dat [minderjarige] nog borstvoeding krijgt. De vader kan deze argumenten van de moeder niet volgen. De moeder was eerder dit jaar zelf van plan om een maand met [minderjarige] naar [land 2] af te reizen. Dat is ook ver weg en de reisduur was zelfs nog langer. De moeder is eerder met haar andere, toen ook nog jonge, zoon naar [land 2] gereisd. Daarnaast heeft de moeder in januari 2026 zelf aangegeven dat [minderjarige] overwegend vaste voeding en volle melk krijgt. Voor zover er al sprake is dat [minderjarige] nog (aanvullend) borstvoeding krijgt, vormt dit gelet hierop geen beletsel voor deze vakantie.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Omdat de ouders samen zijn belast met het gezag over [minderjarige], moet de moeder instemmen met en toestemming geven voor de voorgenomen vakantie van de vader met [minderjarige] naar [land 1]. Omdat de moeder niet instemt en geen toestemming geeft, kan de vader dit gezagsgeschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek voorleggen aan de rechter. In spoedeisende gevallen kan dit geschil ook in kort geding worden voorgelegd. De voorzieningenrechter neemt in dat geval een beslissing die hij in het belang van [minderjarige] wenselijk vindt.
Nu de vader vanaf 13 juli 2026 op vakantie wil met [minderjarige] naar [land 1], heeft de vader naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij zijn vordering.
De voorzieningenrechter overweegt en beslist als volgt. Wat de reden daarvoor ook is en ook al is dit niet conform de wens van de vader die graag een co-ouderschapsregeling wil, vast staat dat er sinds januari 2026 een beperkte zorgregeling is tussen de vader en [minderjarige]. [minderjarige] verblijft op dit moment om de week van zaterdagochtend tot zondagmiddag bij de vader. Daarnaast is [minderjarige] nog erg jong en afhankelijk van zijn moeder, die zijn hoofdverzorgster en primaire hechtingsfiguur van [minderjarige] is. Deze omstandigheden maken dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige] is om op dit moment bijna drie weken van zijn moeder gescheiden te zijn. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vader geen toestemming zal geven om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar [land 1] en de vordering zal afwijzen. Aan een bespreking van de overige argumenten en stellingen van de ouders komt de voorzieningenrechter daarmee niet meer toe.
De voorzieningenrechter zal, zoals te doen gebruikelijk in familierechtelijke zaken, bepalen dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
bepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong-Kwestro en in het openbaar uitgesproken op
10 juli 2026.
ss