Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6232
Zaaknummer: C/09/707524
Datum beschikking: 10 juli 2026
Paspoortwet (artikel 36)
Beschikking op het op 19 juni 2026 ingekomen verzoek van:
de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
alsmede,
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 9 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en [naam] namens de gecertificeerde instelling. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Verzoek en verweer
De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de ouders vervangt, zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, Paspoortwet, voor het verkrijgen van een reisdocument ten behoeve van de na te melden minderjarige, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
De vader voert verweer tegen het verzoek, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de gecertificeerde instelling.
Inhoudelijke beoordeling
De gecertificeerde instelling voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de ouders geen toestemming hebben gegeven voor een vakantie van [minderjarige] met zijn pleegouders. De moeder verblijft in [land] en de vader zit in detentie. De pleegouders willen graag op vakantie met [minderjarige] en hun andere pleegkinderen. Er moet daarom met spoed een reisdocument worden aangevraagd voor [minderjarige].
Op de zitting is door de vader verweer gevoerd. Hij is het er niet mee eens dat [minderjarige] op vakantie gaat met zijn pleegouders. Hij mist daardoor namelijk de contactmomenten met zijn familie.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 36, eerste lid, Paspoortwet kan bij de aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, Paspoortwet, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Blijkens het tweede lid van eerstgenoemd artikel kan een verklaring van toestemming worden afgegeven op verzoek van een stichting dan wel een gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, thans analoog art. 1.1 Jeugdwet. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank zal, nu de beproeving van een vergelijk tussen partijen vergeefs is gebleken, de door de gecertificeerde instelling verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 36, tweede lid, Paspoortwet beoordelen.
De rechtbank zal toestemming geven om een reisdocument (paspoort of ID-kaart) aan te vragen voor [minderjarige]. Het is in zijn belang om zich te kunnen identificeren. De gecertificeerde instelling heeft het belang van de vakantie en het belang van de contactmomenten gewogen en vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij met het pleeggezin op vakantie gaat. De rechtbank volgt deze afweging.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, – welke toestemming die van de ouders vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument (paspoort of ID-kaart) van de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.