ECLI:NL:RBDHA:2026:22295

ECLI:NL:RBDHA:2026:22295

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer C/09/702531 / FA RK 26-3218
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wijziging kinder- en partneralimentatie; samengesteld gezin; inkomensverlies man is voor herstel vatbaar; verdiencapaciteit vrouw

Uitspraak

Voorlopige voorzieningenprocedure

Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank, zoals hierna zal blijken, in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Bodemprocedure

Kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Nu de man feiten heeft gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden – waarbij hij onder meer heeft aangevoerd dat hij is hertrouwd en uit dat huwelijk twee nog minderjarige kinderen geboren zijn en hij daarnaast zijn baan in loondienst is kwijtgeraakt, kan hij worden ontvangen in zijn verzoek.

De rechtbank zal hierna beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging die moet leiden tot wijziging van de kinderalimentatie.

Inhoudelijke beoordeling

Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Samenloop van onderhoudsverplichtingen

Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudsplichtig (gezin 1), maar ook voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , zijn twee kinderen met zijn echtgenote (gezin 2). Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen.

Zoals op de zitting besproken, zal de rechtbank een relatief nieuwe methode toepassen van draagkrachtverdeling bij samengestelde gezinnen voor de ouder die meerdere onderhoudsverplichtingen heeft. De rechtbank zal de draagkracht van de man voor zijn aandeel in beide gezinnen apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de man per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van de aandelen te voldoen, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen. De rechtbank zal dit hieronder uiteenzetten en motiveren.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De man verzoekt de ingangsdatum vast te stellen op de datum indiening verzoekschrift (zijnde 31 maart 2026). De vrouw acht wijziging met terugwerkende kracht niet redelijk en billijk en vraagt daarom om als ingangsdatum de datum beschikking aan te houden. De rechtbank sluit aan bij het standpunt van de man. De ingangsdatum zal door de rechtbank worden vastgesteld op de eerste dag volgend op het indienen van het verzoekschrift gezien dat de eerste dag van een nieuwe maand betreft. De rechtbank stelt de ingangsdatum daarmee vast op 1 april 2026. De vrouw heeft immers sinds de indiening van het verzoekschrift rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de hoogte van de alimentatiebedragen zou kunnen veranderen.

Gezin 1: man en vrouw met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

Behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 1.166,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.299,- per maand.

Draagkracht man

Tussen partijen is in het kader van de draagkracht in geschil van welk inkomen bij de berekening van het NBI van de man moet worden uitgegaan.

Na de zitting heeft de man nadere stukken overgelegd, zoals zijn jaaropgave 2025, zijn definitieve aanslag inkomstenbelasting 2025, en voor wat betreft zijn onderneming, een prognose voor 2026 (€ 28.400,-), een kolommenbalans 2026 en de btw-aangifte 2026.

De man stelt dat zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam 2] per 31 december 2025 is beëindigd. Zijn inkomen uit loondienst bedroeg € 84.500,- in 2025. Hij is pas sinds kort volledig zelfstandig ondernemer en heeft nu nog geen hoog inkomen. De winst uit onderneming van zijn eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] bedroeg in 2025 € 33.917,-. De beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam 2] is volgens de man het gevolg van een verstoorde arbeidsverhouding die ontstaan is door toedoen van de vrouw. Het dienstverband is uiteindelijk op initiatief van zijn werkgever beëindigd. Er was geen dringende reden voor ontslag en hem treft geen enkel verwijt. Hij heeft een ontslagvergoeding ontvangen van € 45.000,-. Daarna heeft hij zich direct ingespannen om zijn inkomenspositie te herstellen door actief te werken aan de uitbouw van zijn klantenbestand en opdrachtenportefeuille van zijn onderneming. Hij verwacht dat hij, als zijn omzet van het eerste kwartaal wordt doorgetrokken, een winst uit onderneming kan vergaren van € 60.000,- per jaar.

De vrouw stelt dat als er sprake is van een inkomensdaling bij de man, deze als verwijtbaar en herstelbaar dient te worden aangemerkt. Dat de man kiest voor het ondernemerschap en daarmee een structureel lager inkomen heeft, mag niet op de kinderen worden afgewenteld. De vrouw betwist dat zij de oorzaak is van de beëindiging van het dienstverband van de man. Het is volgens de vrouw niet geloofwaardig dat de man voor 2026 een lagere winst verwacht te behalen dan hij in eerdere jaren naast zijn baan in loondienst heeft behaald, omdat hij zich sinds het einde van zijn dienstverband volledig kan richten op zijn onderneming. De man onderbouwt volgens de vrouw ook niet waarom hij uitgaat van een te verwachten winst van € 60.000,-. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit zoals die volgt uit de opleiding, ervaring en eerder inkomensniveau van de man.

De vrouw stelt in reactie op de door de man na de zitting overgelegde stukken dat er geen sprake is van een verlaging van het inkomen van de man maar juist van een verhoging van zijn inkomen, zowel voor het jaar 2025 als voor het jaar 2026.

Volgens de vrouw blijkt uit de stukken dat het jaarinkomen van de man over 2025, € 118.417,- bedroeg. Zijn inkomen uit loondienst ( [bedrijfsnaam 2] ) was € 84.500,- en zijn winst uit onderneming bedroeg € 33.917,-. Daarnaast blijkt volgens de vrouw uit de IB

aangifte 2025 van de man dat hij € 22.000,- aan privé onttrekkingen/ uitgaven had.

In 2026 was zijn voorlopige omzet over het eerste kwartaal € 24.979,15. Uit de door

de man overgelegde Q1 kolommenbalans maakt de vrouw op dat er over deze zelfde periode een winst was van € 12.783,39 en € 6.166,83 aan privé onttrekkingen. Dit betekent volgens de vrouw dat de verwachte winst over 2026 minimaal (4x € 12.783,39) € 51.133,56 bedraagt. Daarnaast zullen volgens de vrouw de privé onttrekkingen van de man € 24.667,32 (4x € 6.166,83) bedragen, terwijl de man daarnaast ook nog een bruto ontslagvergoeding van € 45.000,-- ontvangen heeft, waardoor zijn inkomen over 2026 eveneens hoger zal zijn dan het inkomen waarmee destijds eind 2024 gerekend is. Daarnaast had de man voor 2026 nog aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering. De keuze om dat niet te doen, dient voor zijn rekening en risico te blijven, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man tot

31 december 2025 in dienst was bij [bedrijfsnaam 2] met een salaris van € 84.500,- bruto per jaar en dat hij daarnaast een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 (€ 14.127,-), 2024 (€ 9.452,-) en 2025 (€ 33.917,-) had van € 19.165,- per jaar. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de man nu niet meer in loondienst werkt en uitsluitend inkomsten uit zijn onderneming heeft. Ook staat vast dat de man na het eindigen van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam 2] in januari 2026 een bruto ontslagvergoeding van € 45.000,- heeft ontvangen en dat hij ervoor gekozen heeft om geen WW-uitkering aan te vragen.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een inkomensvermindering aan de zijde van de man. Daarbij overweegt de rechtbank dat het zich kan voordoen dat de onderhoudsplichtige, in het onderhavige geval de man, door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht. Bij zelf teweeggebracht inkomensverlies kan die inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de man geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Dit hangt in de eerste plaats af van de vraag of de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en dit ook van hem gevergd kan worden. Met andere woorden, de vraag die allereerst dient te worden beantwoord is of het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is. Daarbij merkt de rechtbank op dat het gaat over het (oorspronkelijke) inkomen en of de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht dit inkomen opnieuw te kunnen gaan verwerven. Pas als die vraag ontkennend wordt beantwoord en de rechtbank tot het oordeel komt dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is, moet de vraag worden beantwoord of dit niet voor herstelvatbare inkomensverlies verwijtbaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een door de man zelf teweeggebrachte inkomensvermindering. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij ervoor gekozen heeft om zich na het beëindigen van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam 2] te concentreren op de uitbreiding van zijn eenmanszaak. Om die reden heeft hij niet gesolliciteerd naar andere banen en heeft hij geen WW-uitkering aangevraagd.

De rechtbank begrijpt de stelling van de vrouw dat voor de bepaling van de financiële draagkracht van de man ingeval van een inkomensvermindering rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit ter hoogte van het inkomen voordat zijn dienstverband werd beëindigd, dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw zijn oorspronkelijke inkomen te kunnen gaan verwerven en dat daarmee het inkomensverlies aldus voor herstel vatbaar is.

Voor een negatieve beantwoording van de vraag of het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is en dat dit van hem gevergd kan worden, dient de man te stellen en waar nodig – bij betwisting door de vrouw – te bewijzen dat zijn inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. De man heeft op de zitting gesteld dat geen rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit omdat hij de functie die hij bij [bedrijfsnaam 2] had  hij was elektronicaspecialist  nergens anders kan vinden. Naar de rechtbank begrijpt stelt de man daarmee dat zijn inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. De man dient zijn stelling vervolgens te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank is de man daarin niet geslaagd.

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van door de man zelf teweeggebracht inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is en dat dit van hem gevergd kan worden. De rechtbank houdt het daarom ervoor dat de man de verdiencapaciteit heeft om een inkomen te verwerven gelijk aan zijn inkomen in 2025.

De rechtbank zal daarom aan de zijde van de man behalve met winst uit onderneming ook rekening houden met een fictief inkomen gelijk aan zijn inkomen uit loondienst in 2025.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dan uit van een inkomen € 84.500,- bruto per jaar zoals blijkt uit de door de man na de zitting overgelegde jaaropgave 2025 en een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 (€ 14.127,-), 2024 (€ 9.452,-) en 2025 (€ 33.917,-) van € 19.165,- per jaar zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaarrekeningen.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 5.469,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht in beginsel de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.724,- per maand.

Draagkracht vrouw

De vrouw heeft op dit moment geen werk en heeft daarvoor meerdere redenen. Zo stelt de vrouw dat partijen tijdens hun huwelijk bewust ervoor gekozen hebben dat de vrouw de volledige zorg voor de kinderen draagt, dit is na scheiding niet anders. Bovendien is de vrouw mantelzorger voor haar moeder en is zij meermaals afgewezen toen zij wilde solliciteren. De man is daarentegen van mening dat de vrouw in staat is om eigen inkomen te verwerven en daarmee verdiencapaciteit heeft. De kinderen zijn inmiddels schoolgaand, dus zou zij in die tijd kunnen werken. De man stelt daarom dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van 20 uur per week tegen het huidige geldende minimumloon.

Het lijkt de rechtbank redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en deze kan benutten. Gelet op de leeftijd van de kinderen die inmiddels naar school gaan, is de rechtbank met de man van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich zal inspannen om betaald werk te vinden voor minimaal 20 uur per week. De vrouw heeft slechts enkele schriftelijke afwijzingen van sollicitaties laten zien en daarmee onvoldoende aangetoond dat zij geen werk kan vinden. Bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van een minimumuurloon van € 14,99,- bruto per uur (wettelijk minimumloon voor volwassenen van 21 jaar en ouder per 1 juli 2026) tegen een werkweek van 20 uur. De rechtbank rekent dan met een inkomen per vier weken van € 1.199,- bruto (€ 14,99 x 20 x 4), exclusief vakantiegeld.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. De man stelt dat er geen rekening moet worden gehouden met het woonbudget aan de kant van de vrouw omdat zij bij haar ouders inwoont. De vrouw betwist dat zij geen woonlasten en geeft aan dat zij per maand € 566,- aan huur aan haar ouders betaalt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de vrouw het door haar genoemde bedrag van € 566,- per maand niet als bijdrage aan haar ouders betaalt.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.118,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.100,- en € 2.150,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 109,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.833,- (1.724 +109) per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Daarbij wordt draagkrachtvergelijking gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Aandeel man en aandeel vrouw voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.724 / 1.833 x 1.299 = € 1.222,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 109 / 1.833 x 1.299 = € 77,-

€ 1.299,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 1.222,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 77,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Gezin 2: man met zijn echtgenote en [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

Behoefte [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] gelijk is aan die van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . In deze berekening gaat de rechtbank dan ook uit van een behoefte van € 1.299,- per maand.

Draagkracht man

De draagkracht van de man bedraagt hetzelfde als in gezin 1, te weten € 1.724,- per maand.

Draagkracht echtgenote van de man

Voor de bepaling van de draagkracht van de echtgenote van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 93.157,- bruto per jaar. De rechtbank gaat daarbij uit van de door de man overgelegde jaaropgave 2025 van zijn echtgenote.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op € 5.228,- per maand.

Omdat het NBI van de echtgenote van de man hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de echtgenote van de man bedraagt dan € 1.606,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de man en de echtgenote van de man bedraagt gezamenlijk

€ 3.330,- (1.724 +1.606) per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te voorzien.

De rechtbank zal evenals bij gezin 1 een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Daarbij wordt draagkrachtvergelijking gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Aandeel man en aandeel echtgenote van de man voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.724 / 3.330 x 1.299 = € 673,-

Het eigen aandeel van de echtgenote van de man bedraagt: 1.606 / 3.330 x 1.299 = € 626,-

€ 1.299,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] komt een gedeelte van € 673,- voor rekening van de man. Een gedeelte van € 626,- komt voor rekening van de echtgenote van de man.

Vergelijking gezin 1 en gezin 2

Gelet op het voorgaande moet de man voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in totaal € 1.222,- per maand bijdragen en in totaal voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] € 673,- per maand bijdragen. Samen is dit

€ 1.895,- per maand. De man is daartoe financieel niet in staat want hij heeft een draagkracht van € 1.724,- per maand.

De rechtbank zal daarom de draagkracht van de man verdelen naar rato van de berekende aandelen in de kosten van de vier kinderen. De man heeft dan beschikbaar:

voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] : (1.222/1.895) x 1.724 = € 1.112,-

voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] : (673/1.895) x 1.724 = € 612,-

€ 1.724,-

Het aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 77,- per maand en het aandeel van de man in deze kosten van € 1.112,- per maand komen bij elkaar neer op

€ 1.189,- per maand en zijn dus ontoereikend om volledig in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien en maakt een tekort van (€ 1.299,- -/- € 1.189,- =) € 110,- per maand.

Zorgkorting

De rechtbank hanteert een zorgkorting van 25% van de behoefte nu de man de kinderen een weekend per veertien dagen bij zich heeft alsmede de helft van de vakanties. Partijen zijn het daar ook over eens. De zorgkorting bedraagt dan € 325,- per maand (25% van € 1.299,-). Omdat er sprake is van een tekort van (1.299 -/- 1.189 =) € 110,- per maand, wordt dit tekort aan iedere ouder voor de helft ofwel € 55,- per maand toegerekend. Dit betekent dat aan de zijde van de man rekening wordt gehouden met een zorgkorting van (325 -/- 55 =) € 270,- per maand.

Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt dan € 842,- per maand (€ 1.112,- -/- € 270,-).

Conclusie

Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a BW bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 941,- per maand. Uit voorgaande berekening volgt een door de man te betalen bedrag van € 842,- per maand ofwel € 421,- per maand per kind. De rechtbank zal dit gewijzigde bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 april 2026.

Partneralimentatie

De man heeft verzocht de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil te bepalen.

Ingangsdatum

Voor het bepalen van de ingangsdatum verwijst de rechtbank naar de overwegingen ten aanzien van de kinderalimentatie. De rechtbank zal de ingangsdatum daarmee vaststellen op 1 april 2026.

Behoefte van de vrouw

De man heeft onweersproken gesteld dat de behoefte van de vrouw € 2.153,- netto per maand bedraagt. De rechtbank gaat daarom van dit bedrag uit.

Aanvullende behoefte van de vrouw

Op de hiervoor gestelde netto behoefte van de vrouw van € 2.153,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 750,- netto per maand. Dat is € 1.158,- bruto per maand.

Draagkracht man

Ten aanzien van het inkomen van de man verwijst de rechtbank naar de overwegingen ten aanzien van de kinderalimentatie. De rechtbank stelt het NBI van de man op € 5.469,- per maand.

Op grond daarvan, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 2.463,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 1.478,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel van de man in de kosten van de (vier) kinderen van € 1.724,- per maand in mindering gebracht. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de man geen draagkracht heeft voor het betalen van een bedrag aan partneralimentatie.

Conclusie

De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen en het bedrag aan partneralimentatie op nihil stellen per 1 april 2026.

Vakantie- en feestdagenregeling

Het is de rechtbank gebleken dat de ouders al goed op weg waren om afspraken te maken over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Op de zitting bleek dat de ouders bij het schema uit het verweerschrift van de vrouw aansluiten voor alle vakanties, behalve de zomervakantie en de kerstvakantie. De ouders zijn het eens dat de zomervakantie bij helfte dient te worden verdeeld en dat elke ouder de kinderen drie weken achtereenvolgend bij zich heeft.

Omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de belangen van de kinderen zich tegen het voorgestelde schema verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen. Voor wat betreft de zomervakantie lijkt het de rechtbank redelijk dat de verdeling ook om het jaar zal wisselen. Dit houdt in dat in de even jaren de kinderen week 1,2,3 bij de man zullen verblijven en in week 4,5,6 bij de vrouw. In de oneven jaren zullen de kinderen week 1,2,3 bij de vrouw zijn en week 4,5,6 bij de man.

Wat de kerstvakantie betreft is op zitting afgesproken dat de kinderen week 1 altijd bij de vrouw en week 2 altijd bij de man zullen doorbrengen waarbij apart voor Oud en Nieuw is afgesproken dat dit door de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw wordt gevierd.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling –:

in de voorlopige voorzieningenprocedure:

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;

in de bodemprocedure:

bepaalt dat voor de minderjarige kinderen:

 [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;

 [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ;

de volgende feest- en vakantieregeling zal gelden:

 de voorjaarsvakantie brengen de kinderen in oneven jaren door bij de vrouw en in even jaren bij de man;

 de meivakantie wordt verdeeld als volgt: in even jaren zijn de kinderen in week 1 bij de man en in week 2 bij de vrouw; in oneven jaren in week 1 bij de vrouw en in week 2 bij de man. Koningsdag vieren de kinderen altijd bij de ouder bij wie zij die week zijn;

 tijdens de zomervakantie zijn de kinderen in even jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In oneven jaren is dit andersom: de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man;

 de herfstvakantie brengen de kinderen in even jaren door bij de vrouw en in oneven jaren bij de man;

 de kerstvakantie wordt als volgt verdeeld: zowel in de even als de oneven jaren zijn de kinderen in week 1 bij de vrouw en week 2 bij de man. Oud en Nieuw vieren zij in even jaren bij de man en in oneven jaren bij de vrouw;

 feestdagen zoals Pasen, Pinksteren, Hemelvaart e.d. en studiedagen worden doorgebracht bij de ouder binnen wiens weekend of op de dag direct ervoor of erna aansluitend de feest- of studiedag valt;

bepaalt dat de door de man met ingang van 1 april 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige kinderen op € 421,- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 april 2026 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.D.A. Geleijns

Griffier

  • mr. R. Warmerdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand