ECLI:NL:RBDHA:2026:22296

ECLI:NL:RBDHA:2026:22296

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer C/09/677318 / FA RK 24-8975
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Scheiding met nevenvoorzieningen: gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, school, kinderalimentantie, huwelijks vermogen

Uitspraak

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 16 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Hansma te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 21 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] .

- aan de vader het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is toegekend; dat de kinderen aan de moeder zijn toevertrouwd;

- een opbouwende voorlopige zorgregeling is bepaald, waarbij de kinderen uiteindelijk totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist van vrijdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur onbegeleid bij de vader zullen zijn;

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

subsidiair: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in die zin dat ze de helft van de tijd bij de man verblijven, waarbij (enige) overlap zal zijn met het verblijf van de andere kinderen van de man bij hem, althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht;

subsidiair: voor het geval de rechtbank het subsidiaire verzoek ten aanzien van de zorg- dan wel omgangsregeling van de man toewijst, bepaling dat [minderjarige 1] vanaf het komende schooljaar, 2026/2027, en [minderjarige 2] vanaf het moment dat zij vier jaar wordt, naar basisschool [schoolnaam 2] te [plaats 3] zal gaan;

- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie van

€ 104,- per kind per maand met ingang van 19 november 2024, dan wel 16 december 2024, dan wel vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie van € 32,- per kind per maand, met ingang van 19 november 2024, dan wel 16 december 2024, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

- bepaling dat, indien en zodra het primaire verzoek van de man tot vaststelling van de zorg- dan wel omgangsregeling wordt toegewezen, althans indien een door de rechtbank vast te stellen ruimere zorgregeling van de man van toepassing wordt, de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum waarop die gewijzigde zorgregeling feitelijk ingaat, wordt vastgesteld op € 497,-, dan wel

€ 416,-, dan wel € 351,-, dan wel € 269,- per kind per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

€ 2.762,31;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

€ 488,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Gezag

De man verzoekt belast te worden met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Ter onderbouwing van dit verzoek brengt hij naar voren dat de vrouw afgelopen twee jaar de kinderen bij hem weg probeert te houden en eenzijdig gezagsbeslissingen neemt. [minderjarige 1] is bijvoorbeeld al meerdere keren zonder zijn toestemming op vakantie geweest met opa en oma moederszijde. De communicatie tussen de ouders is problematisch, het contact gaat via [zorginstantie 2]. Partijen staan ook nog op de wachtlijst voor [zorginstantie 1], maar dat is nog niet opgestart. De vader vindt het belangrijk dat hij het eenhoofdig gezag over de kinderen krijgt, zodat de vrouw hem niet langer buiten het leven van de kinderen kan zetten.

De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Volgens haar is het de man die niet meewerkt aan gezagsbeslissingen die genomen moeten worden. Dat partijen hulpverlening nodig hebben voor de communicatie betekent volgens de vrouw niet dat sprake zou moeten zijn van eenhoofdig gezag.

De rechtbank zal de verzoeken ten aanzien van het gezag afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Partijen gaan nog starten aan het traject om hun communicatie te verbeteren. Zij zullen daar afspraken moeten maken om het gezag te laten functioneren. De rechtbank vindt het te vroeg om te oordelen dat gezamenlijk gezag onmogelijk is.

Zorgregeling

De kinderen verblijven op dit moment eenmaal in de 14 dagen van vrijdag 9.00 uur tot maandag 17.00 uur bij de man. De vader wil deze regeling graag uitbreiden in die zin dat de regeling als het ware wordt omgekeerd. De kinderen zullen dan eenmaal in de veertien dagen van vrijdag tot maandag bij de vrouw zijn en de rest van de tijd bij de man. Subsidiair verzoekt de man dat de ouders gelijk de zorg zullen gaan dragen. Daarnaast verzoekt de man een verdeling van de vakanties en feestdagen, omdat hij de kinderen afgelopen 1.5 jaar geen enkele vakantie of feestdag bij zich heeft gehad.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw heeft al langere tijd zorgen over de kinderen als zij bij de man zijn. Een uitbreiding van de huidige regeling is volgens de vrouw absoluut niet aan de orde. De vrouw brengt ook nog naar voren dat het belangrijk is dat overdrachten op neutrale plekken plaatsvinden.

De rechtbank zal de huidige zorgregeling uitbreiden, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om de week van vrijdag 9.00 uur tot en met dinsdag bij de man zullen zijn. Dit is tegelijkertijd met de andere kinderen van de man. Op deze manier zijn er geen extra overdrachtsmomenten. De rechtbank zal ook bepalen dat de overdracht op vrijdag en op dinsdag via de school van [minderjarige 1] , en straks ook van [minderjarige 2] , gaat. Het emotionele draagvlak bij de vrouw voor een verdere uitbreiding ontbreekt vooralsnog.

De rechtbank is van oordeel dat partijen de vakanties en feestdagen in onderling overleg (bij [zorginstantie 1]) bij helfte met elkaar moeten verdelen. De rechtbank zal, omdat het traject van ouderschapsbemiddeling nog niet is gestart, voor de zomervakantie van 2026 bepalen dat de kinderen de eerste drie weken bij de man zijn en de laatste drie weken bij de vrouw.

Hoofdverblijfplaats (en inschrijving BRP)

De man wil dat beide kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP) op zijn adres ingeschreven staan, in lijn met de door de man verzochte zorgregeling, die hij in het belang van de kinderen acht. Tot slot vindt de man het wenselijk als hij de post die voor de kinderen bedoeld is ontvangt en daarmee daadwerkelijk te zien krijgt. Dat gebeurt op dit moment niet.

De vrouw verzoekt ook de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De kinderen zijn op dit moment het grootste gedeelte van de tijd bij haar. Het is niet in hun belang om de hoofdverblijfplaats ineens bij de man te hebben.

Gelet op de hiervoor bepaalde zorgregeling, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen. Beide kinderen zullen dus op het adres van de vrouw in de BRP ingeschreven staan, dat is het adres waar [minderjarige 1] op dit moment al ingeschreven staat. Het verzoek van de man wordt afgewezen.

School

De man verzoekt primair dat de kinderen, wanneer dat voor hen aan de orde is, naar het [scholenorganisatie] zullen gaan en subsidiair naar basisschool [schoolnaam 2] te [plaats 3] . Nu het onduidelijk is waar de vrouw in de toekomst zal gaan wonen, is het, mede gelet op de door de man gewenste zorgregeling, beter om de kinderen naar school te laten gaan in de buurt van de echtelijke woning.

De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man. [minderjarige 1] zit nu in [plaats 2] op school. Dat is ook de plek waar de vrouw zich hoopt te gaan vestigen. De vrouw wil daarom dat [minderjarige 1] op de school in [plaats 2] blijft en verzoekt ook vervangende toestemming om [minderjarige 2] op die school in te mogen schrijven.

De rechtbank overweegt dat zij het op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om te wisselen van school. Daarnaast vindt de rechtbank het niet in het belang van de kinderen om naar een andere school te gaan. De verzoeken van de man worden daarom afgewezen, en het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 2] op de school in [plaats 2] wordt toegewezen.

Kinderalimentatie (en verzoek tot terugbetaling)

Ingangsdatum

De rechtbank zal eerst de ingangsdatum vaststellen. Zoals ter zitting besproken ziet de rechtbank aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen, gelet op het feit dat anders dan waar oorspronkelijk mee gerekend was de woning van de vrouw steeds verhuurd is geweest en de vrouw bij haar ouders heeft gewoond. Hiermee moet rekening gehouden worden in de vaststelling van de kinderalimentatie. De rechtbank sluit daarom aan bij de datum van de indiening van het verzoekschrift, 16 december 2024.

De rechtbank zal daarnaast met ingang van datum van deze beschikking een nieuw bedrag vaststellen, omdat vanaf dat moment de zorgregeling wijzigt en de rechtbank beslissingen neemt die van invloed zijn op de woonlasten. De kinderalimentatie wordt dus voor twee periodes vastgesteld.

PERIODE 1

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.

Voor het berekenen van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van

€ 3.267,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:

De rechtbank zal, net als in de voorlopige voorziening, rekening houden met de huurinkomsten die de vrouw ontving. De rechtbank rekent daarom met € 1.000,- aan netto inkomsten.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 3.750,- per maand.

Voor het berekenen van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van

€ 68.574,- bruto per jaar in 2024, zoals blijkt uit de aangifte IB 2024. Op basis hiervan berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 4.174,-.

De rechtbank houdt ook rekening met de kosten die de man maakt voor zijn twee andere kinderen, [minderjarige 3] en [minderjarige 4]. Deze kosten bestaan uit het bedrag dat hij aan kinderalimentatie betaalt en de kosten die hij draagt voor hen als ze bij hem zijn, en dus het bedrag aan zorgkorting. Het gaat dan in totaal om € 357,- (€ 246,- + € 111,-) voor [minderjarige 3] en € 296,- (€ 36,- + € 260,-) voor [minderjarige 4].

Het NBI van de man bedraagt in 2024 daarom € 4.174,- - € 357,- - € 296,- = € 3.521,-.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 7.271,- per maand (€ 3.750,- + € 3.521,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.470,- per maand voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank opnieuw uit van een inkomen van € 3.267,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:

De rechtbank zal, zoals op zitting met partijen besproken, ook bij de bepaling van de draagkracht rekening houden met € 1.000,- aan netto huurinkomsten die de vrouw ontving in 2024. Vaststaat dat de woning zowel voor als tijdens het huwelijk verhuurd is geweest. De vrouw is ook niet met de kinderen in de woning aan de [adres 1] gaan wonen. De rechtbank vindt het daarom redelijk om voor de draagkracht rekening te houden met de huurinkomsten.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 4.618,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal voor de bepaling van de draagkracht er rekening mee houden dat de vrouw sinds de datum van de indiening van het verzoekschrift bij haar ouders woont en dus geen eigen woonlasten heeft. In plaats van het woonbudget rekent de rechtbank aan de zijde van de vrouw daarom met een woonlast van € 300,- per maand.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.065,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (€ 300,- + € 1.270,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.618 – (300 + 1.270)] = € 2.134,- per maand.

Draagkracht man

Voor het berekenen van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van

€ 68.574,- bruto per jaar in 2024, zoals blijkt uit de aangifte IB 2024. Op basis hiervan berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 4.174,-. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.065,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.174 – (1.252 + 1.270)] = € 1.156,- per maand.

Deze draagkracht moet verdeeld worden over vier kinderen, waardoor voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een bedrag van (€ 1.156.- / 2 =) € 578,- beschikbaar is.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.712,- per maand (€ 2.134 + € 578). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te voorzien.

De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 578 / 2.712 x 1.470 = € 313,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 2.134 / 2.712 x 1.470 = € 1.157,-

samen € 1.470,-

Van de totale behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 313,- per maand, wat neerkomt op € 156,50 per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van

€ 1.157,- per maand, wat neerkomt op € 578,50 per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

De rechtbank houdt rekening met een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan

€ 368,- per maand.

Conclusie

De zorgkorting strekt in mindering op het aandeel van de man. Omdat de zorgkorting hoger is dan het aandeel van de man, draagt de man in verhouding meer bij dan hij zou moeten op basis van zijn aandeel. Het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie zal de rechtbank ten aanzien van de periode van 16 december 2024 tot de datum van deze beschikking afwijzen.

De man heeft ook verzocht om kinderalimentatie. De rechtbank constateert dat het verschil in de zorgkorting en het aandeel van de man, te weten een bedrag van (€ 368,- -

€ 313,- =) € 55,-, door de vrouw aan de man betaald zou kunnen en moeten worden. Echter, nu de rechtbank in het voorgaande rekening heeft gehouden met de alimentatieverplichting van de man voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4], maar uit het navolgende blijkt dat de man te dien aanzien een achterstand heeft van € 3.437,09, en deze in gevolge de verrekening per saldo ook ten nadele komt van de vrouw, zal de rechtbank de kinderalimentatie voor de periode 1 op nihil bepalen, althans het verzoek om kinderalimentatie in zoverre afwijzen.

PERIODE 2

Behoefte

De behoefte van de kinderen bedraagt, geïndexeerd, in 2026 € 1.638,- per maand.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.556,- bruto per maand, te vermeerderen met € 393,- aan ‘mijn budget’. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van april 2026.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van € 144,- per maand.

Ten aanzien van de netto huurinkomsten van de vrouw overweegt de rechtbank dat zij ook voor de bepaling van de draagkracht in periode 2 rekening zal houden met € 1.000,-. De vrouw heeft op de zitting immers aangegeven dat de woning voor onbepaalde tijd verhuurd is en verhuurd zal blijven.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 5.129,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal voor de draagkracht in periode 2 aan de zijde van de vrouw rekening houden met het woonbudget. De vrouw heeft aangegeven dat zij graag een nieuwe woning wil om samen met de kinderen te wonen. De rechtbank vindt het daarom redelijk om rekening te houden met de gebruikelijke woonlasten.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [5.129 – (1.539 + 1.365)] = € 1.558,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.193,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en € 429,- aan eindejaarsuitkering, zoals volgt uit zijn salarisspecificatie van april 2026. De rechtbank houdt rekening met het betaalde ouderschapsverlof dat de man opneemt, omdat hij heeft aangegeven dat hij in het verleden altijd vier dagen werkte. Het inkomen verschilt door de opname van het ouderschapsverlof niet zodanig met zijn eerdere inkomen dat de rechtbank het onredelijk vindt om daar dan rekening mee te houden.

De rechtbank houdt verder rekening met:

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.925,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.925 – (1.178 + 1.365)] = € 967,- per maand.

Dit betekent dat er voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (€ 967,- / 2=) € 484,- beschikbaar is.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.042,- per maand (€ 1.558 + € 484). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te voorzien.

De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 484 / 2.042 x 1.638 = € 388,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.558 / 2.042 x 1.638 = € 1.250

samen € 1.638,-

Van de totale behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 388,- per maand, wat neerkomt op € 194,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van

€ 1.250,- per maand, wat neerkomt op € 625,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de vastgestelde zorgregeling rekent de rechtbank met 35% zorgkorting. De zorgkorting bedraagt dan € 573,-.

Conclusie

De zorgkorting strekt in mindering op het aandeel van de man. Dat betekent dat ook in periode 2 de zorgkorting hoger is dan het aandeel van de man.

De rechtbank bepaalt daarom dat de vrouw met ingang van datum beschikking een kinderalimentatie aan de man moet voldoen van (€ 573,- - € 388,- =) € 185,-. Het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie wijst de rechtbank af.

Vordering tot verrekening alimentatie

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen de verrekening van de te veel betaalde kinderalimentatie bij de financiële afwikkeling betrekken. De rechtbank ziet dus geen belemmering in de stelling dat het geld opgesoupeerd is, nu verrekening in het kader van uitkoop van vrouw door de man ter zake van de echtelijke woning mogelijk is. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Partneralimentatie

Het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie is op de zitting door de vrouw ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer behoeft te beslissen.

Huwelijksvermogen

Huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarin zij iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. De huwelijkse voorwaarden bevatten in artikel 7 een periodiek verrekenbeding. Partijen hebben het verrekenbeding niet uitgevoerd. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder in artikel 9 een finaal verrekenbeding in geval van echtscheiding.

Artikel 9 bepaalt dat de verrekening van de waarde van de vermogens bij helfte plaatsvindt alsof de echtgenoten waren getrouwd in een gemeenschap van goederen, waartoe behoren alle aan de echtgenoten afzonderlijk of gezamenlijk toebehorende goederen en schulden, met uitzondering van:

De financiële afwikkeling van het huwelijksvermogensregiem ziet op het volgende:

Eenvoudige gemeenschappen

De rechtbank zal als peildatum voor de eenvoudige gemeenschappen 16 december 2024 hanteren, te weten de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek van de man.

Vast is komen te staan dat tussen partijen de volgende eenvoudige gemeenschappen bestaan:

Ad. a. echtelijke woning, hypothecaire geldeling en hypotheekvoorwaarden

Partijen gaan er vanuit dat de man probeert de echtelijke woning over te nemen. De rechtbank zal hiervoor in het dictum een spoorboekje opnemen.

De rechtbank merkt hierbij op dat als de vrouw door de man uitgekocht wordt, de aflossingen op de hypotheek die zij niet meebetaald heeft hierbij betrokken worden alsmede de door de man teveel betaalde alimentatie. Zoals op de zitting besproken heeft de man alle aflossingen voldaan, terwijl de helft daarvan door de vrouw gedragen had moeten worden. Het bedrag dat de vrouw toekomt, de uitkoopwaarde, moet daarom worden verminderd met de te veel betaalde alimentatie en met wat de man voor haar aan aflossing heeft betaald.

De rechtbank bepaalt tot slot in redelijkheid dat de man de hypotheekvoorwaarden mag voortzetten. De rechtbank komt tot dit oordeel vanwege het feit dat de man op dit moment kan profiteren van de hypotheekvoorwaarden, terwijl het nog onduidelijk is wanneer/of de vrouw een woning zal kopen en dus een hypotheek nodig heeft.

Ad. b. inboedel

Partijen hebben beiden een verzoek gedaan met betrekking tot de inboedel van de echtelijke woning, maar zij verklaren haaks op elkaar. De rechtbank zal daarom in redelijkheid bepalen dat ieder van hen houdt wat hij of zij heeft, met uitzondering van de huissleutels die toekomen aan de man, waarbij niet gebleken is dat een der partijen hiermee is overbedeeld.

Ad. c. bakfiets

De man verzoekt de bakfiets toe te delen aan de vrouw voor een waarde van € 4.000,-. De vrouw is primair van mening dat de bakfiets zonder verrekening aan haar dient te worden toegedeeld. Subsidiair moet hij aan haar toegedeeld worden voor een waarde van € 2.339,-, omdat partijen dat bedrag vanwege hulp van de voormalig werkgever van de vrouw hebben betaald voor de bakfiets.

De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van partijen de bakfiets toedelen aan de vrouw. Voor wat betreft de waarde zal de rechtbank aansluiten bij de door de man gestelde waarde.

Dat partijen minder betaald hebben voor de fiets betekent immers niet dat de waarde van de fiets minder is. De helft van een bedrag van € 4.000,-, te weten € 2.000,-, komt daarom toe aan de man.

Ad. d. gezamenlijke rekening

Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de gezamenlijk bankrekening per peildatum verdeeld moet worden. Zij zijn het er ook over eens dat dat saldo nihil is.

De rechtbank bepaalt dat het saldo van de gezamenlijk rekening per peildatum verdeeld moet worden. De man zal de gezamenlijk rekening voortzetten, en als hij dit niet wil zal hij de rekening beëindigen.

Ad. e. auto

Partijen zijn het erover eens dat de auto een eenvoudige gemeenschap is. De man vraagt toebedeling van de auto aan hem, voor een waarde van € 14.000,-. De vrouw is het eens met de toebedeling van de auto aan de man, maar vindt dat de waarde € 15.000,- bedraagt.

De rechtbank zal bepalen dat de auto wordt toebedeeld aan de man, en zal de waarde in redelijkheid vaststellen op € 14.500,-. De helft van dat bedrag moet de man aan de vrouw voldoen.

Te verrekenen vermogen

Passiva zijde man
Activa zijde vrouw
Passiva zijde vrouw

Partijen hebben aangeven dat 16 december 2024 de peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen is. Hoewel de rechtbank in de huwelijkse voorwaarden leest dat verrekening plaatsvindt over de periode waarop partijen samenwoonden, zal zij op verzoek van partijen de peildatum 16 december 2024 hanteren.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat volgens partijen het te verrekenen vermogen op de peildatum uit de volgende bestanddelen bestaat:

Activa zijde man

Schuld bij de belastingdienst;

Schuld kinderalimentatie;

Woning aan de [adres 1];

BankSpaarplusrekening;

Bankrekeningen op naam van de vrouw;

Hypotheek;

Schuld aan ouders van de vrouw.

De rechtbank zal de bestanddelen achtereenvolgens bespreken. De rechtbank merkt hierbij nog op dat partijen op de zitting hebben afgesproken verder af te zien van verrekening van eventuele schulden over en weer. De rechtbank zal daar dus niets over beslissen.

Ad. a. bankrekeningen op naam van de man

De man heeft een bankrekening bij de ING met een Oranje Spaarrekening en een Duitse betaalrekening, Sparkasse.

Ter zitting is aangegeven dat in de belastingaangifte van de man meer rekeningen genoemd staan dan de hiervoor genoemde. Het is niet helemaal duidelijk geworden om wat voor rekeningen het gaat. Partijen zijn het er wel over eens dat deze rekeningen in de verrekening betrokken moeten worden. De rechtbank beslist overeenkomstig.

Ad. b. Renteversicherung

De man heeft een Renteversicherung in Duitsland. Volgens de man is dit een soort levensverzekering, vergelijkbaar met een lijfrente of een pensioenuitkering in Nederland. De man vindt dat rekening gehouden moet worden met een belastinglatentie van 30%, waardoor de polis voor maximaal € 17.360,- in de verrekening betrokken kan worden.

De vrouw vindt dat de man onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de Renteversicherung. De man zet de Renteversicherung voort, maakt hem niet contant en de waarde is bekend. De vrouw vindt daarom niet dat rekening gehouden met worden met een latentie.

De rechtbank overweegt dat zij onvoldoende kan bepalen of, zoals door de man is gesteld, een belastinglatentie in aanmerking genomen moet worden. Vaststaat dat op 1 mei 2025 de waarde van de Renteversicherung € 24.800,- was, en per 1 januari 2024 € 20.000,- volgens de aangifte IB 2024. Omdat de peildatum 16 december 2024 is, vindt de rechtbank het redelijk dat in de verrekening een bedrag van € 23.000,- aan Renteversicherung betrokken wordt.

Ad. c. schuld belastingdienst

De man heeft een schuld bij de belastingdienst van € 1.873,- en € 1.932,-. Deze schulden dienen in de verrekening te worden meegenomen.

Ad. d. schuld kinderalimentatie

Door de man is naar voren gebracht dat hij een achterstand in de betaling van de kinderalimentatie voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] had, die op de peildatum € 3.437,09 bedroeg.

De rechtbank bepaalt dat dat bedrag in de verrekening meegenomen moet worden.

Ad. e. woning aan de [adres 1]

Tussen partijen is er discussie over hoe de waarde van de woning van de vrouw bepaald moet worden. Volgens de man moet uitgegaan worden van de onverhuurde staat, omdat de vrouw de verhuur onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast denkt de man dat de vrouw de huurders op korte termijn zal doen vertrekken.

De vrouw vindt dat uitgegaan moet worden van de verhuurde staat van de woning. De woning is gedurende het huwelijk, maar ook daarvoor altijd verhuurd geweest. De vrouw heeft een taxatie laten doen om de waarde van de woning vast te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals ter zitting aangegeven, uit dient te worden gegaan van de economische waarde op de peildatum in verhuurde staat. De woning zal voor de bepaling van die waarde opnieuw getaxeerd moeten worden. Het bedrag dat uit die taxatie volgt dient meegenomen te worden in de verrekening.

Ad. f. BankSpaarplusrekening

Partijen zijn het erover eens dat de BankSpaarplusrekening van de vrouw in de verrekening betrokken wordt voor een bedrag van € 31.692,36. De rechtbank beslist overeenkomstig.

Ad. g. bankrekeningen op naam van de vrouw

Ter zitting is gebleken dat ook aan de zijde van de vrouw meer rekeningen genoemd staan in haar belastingaangifte. De rechtbank bepaalt daarom dat alle rekeningen op naam van de vrouw in de verrekening betrokken moeten worden.

Ad. h. hypotheek

Op de woning van de vrouw aan de [adres 1] rust een hypotheek. De waarde van deze hypotheek op de peildatum moet in de verrekening worden meegenomen.

Ad. i. schuld aan de ouders van de vrouw

De vrouw heeft een leningsovereenkomst en bankoverzichten overgelegd waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 50.000,- heeft geleend. Vervolgens heeft zij nog bijgeleend waardoor de hoofdsom van de lening € 62.000,- bedraagt. Het extra geleende bedrag is volgens de vrouw verkregen onder dezelfde voorwaarden als de eerder geleende € 50.000,-, waarvoor de leningsovereenkomst is opgesteld. Over de hoofdsom moet de vrouw rente betalen die door haar berekend is op € 12.349,22.

De man erkent de lening van € 50.000,-, maar geeft aan dat hierop al de helft is afgelost. Daarnaast is er nooit rente betaald en dit zal volgens de man ook niet gaan gebeuren, omdat de schuld bij de ouders van de vrouw is. Voor de € 12.000,- is er geen overeenkomst waarin afspraken over rente en/of aflossingen zijn opgenomen. € 5.000,- daarvan is volgens de man aangegaan net voor de voorlopige voorzieningenprocedure, om advocaatkosten te betalen. De man vindt niet dat hij daaraan moet bijdragen. Maximaal € 25.000,- kan volgens de man in de verrekening betrokken kan worden.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de vrouw een lening van € 50.000,- is aangegaan bij haar ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat hierop € 25.000,- is afgelost. Wel is duidelijk dat er geen rente is betaald. Omdat het gaat om een lening bij een familielid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gebleken dat sprake is van een daadwerkelijke rentebetalingsverplichting. Het overige bedrag, de € 12.000,-, zal de rechtbank niet als schuld aanmerken. Het is onvoldoende gebleken dat de verkregen bedragen leningen betreffen, ook omdat ze ontvangen zijn van een familielid van de vrouw. Er kan niet zomaar worden aangenomen dat de eerdere leningsovereenkomst van toepassing is op de bedragen. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging wat door de man gesteld is ten aanzien van de € 5.000,- die kort voor de voorlopige voorzieningenprocedure door de vrouw ontvangen is.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat partijen bij de verrekening aan de zijde van de man rekening moeten houden met de waarde van de activa, te weten de saldi op zijn bankrekeningen per de peildatum, de Renteversicherung voor € 23.000,-, en de passiva, te weten de schuld aan de Belastingdienst à € 3.805,- en de achterstallige kinderalimentatie ten belope van € 3.437,09, dat is totaal € 7.242,09.

Aan de zijde van de vrouw moet rekening gehouden worden met de waarde van de activa, te weten de woning aan de [adres 1] in verhuurde staat, de bankspaarrekening (€ 31.692,36), de bankrekeningen, en de passiva, te weten de hypotheek verbonden aan de [adres 1], en de schuld aan de ouders van de vrouw (€ 50.000,-).

De rechtbank kan gelet op het bovenstaande de verrekeningsvordering niet zelf vaststellen, in het bijzonder omdat de saldi op de bankrekeningen niet (volledig) bekend zijn. Daarnaast moet de woning aan de [adres 1] nog worden getaxeerd. Het verzoek om de verrekeningsvordering vast te stellen wijst de rechtbank dan ook af.

Partijen dienen met elkaar te verrekenen in die zin, dat bij de vergelijking van de saldi van partijen het saldo van de activa minus de passiva aan de zijde van de man en het saldo van de activa minus de passiva aan de zijde van de vrouw gelijk zijn. Voor zover het saldo van de man het saldo van de vrouw overstijgt moet de man een verrekeningsvergoeding voldoen aan de vrouw ter hoogte van het verschil gedeeld door twee. Andersom moet de vrouw een verrekeningsvergoeding aan de man voldoen ter hoogte van het verschil gedeeld door twee op het moment dat het saldo aan haar zijde het saldo van de man overstijgt.

Wettelijke rente

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw wettelijke rente verschuldigd is over de verrekenvordering.

De vrouw vindt dat verzoek niet voldoende onderbouwd. De vermogensverrekening is nog in volle gang, de vorderingen zijn nog niet definitief vastgesteld en staan tussen partijen ter discussie. Zolang de eindafrekening niet kan worden opgemaakt, is er geen bepaalbare, opeisbare vordering waarover wettelijke rente kan lopen.

Gelet op het feit dat er ten aanzien van de uitkoop van de echtelijke woning in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap ook geen sprake is van wettelijke rente, ziet de rechtbank in redelijkheid aanleiding om het verzoek af te wijzen. Temeer gezien de conflictueuze situatie tussen partijen. Een toewijzing van het verzoek zal de financiële afwikkeling onredelijk bemoeilijken mede gelet op het financiële gewicht.

Vergoedingsrechten en overige vorderingen

Gebruiksvergoeding

De man wil een vergoeding voor eigenaarslasten. De rechtbank overweegt dat, zoals genoemd onder de verdeling van de echtelijke woning, aflossingen die door de vrouw niet zijn betaald meegenomen worden in de verdeling. Voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw eigenaars- of gebruikerslasten moet betalen, omdat zij niet in de echtelijke woning heeft gewoond en ook eigen lasten heeft. In dat licht zal ook het verzoek van de vrouw tot gebruiksvergoeding worden afgewezen, zoals ter zitting besproken.

[kinderopvang]

De vrouw vindt dat zij een vordering op de man heeft, omdat zij alle kosten voor [kinderopvang] gedragen heeft. De rechtbank overweegt dat, zoals in de voorlopige voorziening de opvang geen behoefteverhogende factor is geweest ten aanzien van de kinderalimentatie, ook in onderhavige uitspraak de kinderopvang kosten niet als zodanig worden gezien. De kosten blijven daarom voor rekening van de vrouw. In dat licht is dan ook geen sprake van een vordering. Dat de man nog enige tijd de kosten wel heeft meebetaald doet daar niet aan af.

Kosten huishouding

De man vindt dat de vrouw een bedrag aan hem moet voldoen in het kader van kosten huishouding. Eerder maakte zij de netto huuropbrengst van de woning aan de [adres 1] over naar de en/of-rekening om de kosten mee te voldoen, maar daar is ze mee gestopt. De man wil € 14.000,- of € 9.000,- ontvangen.

De vrouw is het hier niet mee eens. Na de indiening van het echtscheidingsverzoek is er geen verrekenplicht meer tussen partijen. De man heeft het verzoek niet voldoende onderbouwd.

De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Bij de kinderalimentatie is al rekening gehouden met de huurinkomsten die de vrouw ontvangt. In dat licht acht de rechtbank het onredelijk te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan de man moet voldoen.

Overig

Ter zitting is de rechtbank nog nagegaan of er andere vorderingen zijn, zoals vergoedingsrechten buiten de verrekening. Dat is niet gebleken. Hetzelfde geldt voor regresvorderingen. Ook een vergoedingsrecht op basis van onttrekkingen uit de eenvoudige gemeenschap, de gezamenlijke bankrekening, is niet gebleken.

Rekeningen [minderjarige 2] en [minderjarige 1]

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man de bedragen die hij van de rekeningen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] heeft afgehaald terugstort, op straffe van een dwangsom. De man heeft aangegeven dat hij deze bedragen van de rekeningen afgehaald heeft, omdat hij bang was dat de vrouw dit anders zou doen. De bedragen staan nog gereserveerd ergens.

De rechtbank overweegt dat dit niet een verzoek is waar zij op kan beslissen. De rechtbank gaat er wel vanuit dat partijen de saldi op de rekeningen van de kinderen restitueren.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2022 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat de minderjarigen bij de man zullen zijn:

*

verleent toestemming – die de toestemming van de man vervangt – voor de aanmelding van [minderjarige 2] op de [schoolnaam 1] te [plaats 2] ;

*

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van heden een bijdrage in de verzorging van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betaalt van € 185,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt vast:

1. aan de man worden toegedeeld:

de inboedel die hij op dit moment onder zich heeft, inclusief de huissleutels, zonder nadere verrekening;

de auto Mitsubishi, onder de verplichting de helft van de waarde van

€ 14.500,- aan de vrouw te voldoen;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

de inboedel die zij op dit moment onder zich heeft, exclusief de huissleutels, zonder nadere verrekening;

de bakfiets, onder de verplichting de helft van de waarde van € 4.000,- aan de man te voldoen;

3. het saldo op de gezamenlijk wordt bij helfte verdeeld, waarbij de man de rekening voortzet;

4. ten aanzien van de echtelijke woning aan de [adres 2] te [plaats 6] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:

1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;

b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij/zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur. Hierbij geldt dat door de man te veel betaalde alimentatie en de aflossingen die de vrouw niet heeft meebetaald worden verrekend, en derhalve in mindering komen op haar helft van de overwaarde, danwel bij haar helft van de te dragen onderwaarde komt;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

f) de man zet de huidige hypotheekvoorwaarden voort;

2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur. Hierbij geldt dat de door de man te veel betaalde alimentatie en de aflossingen die de vrouw niet heeft meebetaald worden verrekend, en derhalve in mindering komen op haar helft van de overwaarde, danwel bij haar helft van de te dragen onderwaarde komt;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

*

bepaalt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden – onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – dat partijen moeten verrekenen, zoals in deze beschikking overwogen, waarbij in de verrekening meegenomen moet worden:

aan de zijde van de man:

de saldi van de rekeningen;

de Renteversicherung voor € 23.000,-;

de schuld van de man bij de Belastingdienst voor € 3.805,-;

de achterstand in de kinderalimentatie voor € 3.437,09;

aan de zijde van de vrouw:

de waarde van de [adres 1] in verhuurde staat, waarbij geldt dat deze waarde door middel van een taxatie dient te worden vastgesteld;

de BankSpaarplusrekening voor € 31.692,36;

de saldi van de rekeningen;

de hypotheek van de [adres 1];

de schuld bij de ouders van de vrouw voor 50.000,-;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G. Meeder

Griffier

  • mr. E.M. van Middelkoop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand