ECLI:NL:RBDHA:2026:22311

ECLI:NL:RBDHA:2026:22311

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer C/09/706791 / JE RK 26-1014
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wijziging van zorgregeling op verzoek van de gecertificeerde instelling. Feitelijk inhoudende ontzegging van omgang. 1:265g BW jo 1:377a BW.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/706791 / JE RK 26-1014

Datum uitspraak: 10 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. C. Ekholm uit Leiden.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 juni 2026;

- het bericht van de moeder van 17 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de partner van de vader, [naam 1] als toehoorder.

- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun vader.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 7 september 2026.

De rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2023 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

-de moeder en de kinderen zien elkaar één dag in de week gedurende vier uren bij moeder thuis. De jeugdbeschermer beziet of hierbij nog de begeleiding van opa en oma moederszijde noodzakelijk is;

- begeleide omgang door het Wilmahuis, waarbij het Wilmahuis na dit traject de jeugdbeschermer en de rechtbank informeert over mogelijkheden van (on)begeleide omgang. De duur en frequentie van het contact wordt bepaald door het Wilmahuis en de jeugdbeschermer;

- de jeugdbeschermer zal na het traject bij het Wilmahuis met de ouders en de kinderen een zorgregeling in opbouw afspreken, waarbij toegewerkt wordt naar een regeling waarbij de kinderen om de week een weekend bij de moeder zijn;

3. Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt de door de kinderrechter op 20 december 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, zodanig dat de zorgregeling met de moeder op nihil wordt gesteld. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd. Ondanks de inzet van intensieve en langdurige hulpverlening de afgelopen jaren door het Wilmahuis en Its4Sure is het niet gelukt om het contact tussen de kinderen en de moeder herstellen. Binnen deze trajecten is ook onderzocht waar de weerstand bij de kinderen vandaan komt. Hoewel dit niet helemaal duidelijk is geworden, kwam uit deze trajecten wel consistent naar voren dat de kinderen geen behoefte hebben aan contact. [de minderjarige 2] heeft in de zomer van 2025 wel nog eenmaal een fysiek contact moment gehad, maar heeft hierna opnieuw aangegeven geen verdere behoefte aan contact te hebben. De kinderen zijn op dit moment op een leeftijd en ontwikkelingsniveau waarin volgens de gecertificeerde instelling ook hun eigen mening, beleving en ervaren veiligheid in belangrijke mate mee moet wegen bij de beslissingen over het contact met de moeder. De kinderen hebben herhaaldelijk aangegeven dat zij behoefte hebben aan rust en zelf de regie willen hebben over de invulling en frequentie van het contact, zonder voortdurende hulpverleningstrajecten of druk rondom het contactherstel. Volgens de gecertificeerde instelling kan de aanhoudende druk ook de spanning en de weerstand bij de kinderen vergroten. Het wegnemen van de druk kan er op een later moment mogelijk voor zorgen dat de kinderen zelf behoefte aan contact met de moeder ontwikkelen. Daarbij hebben de kinderen te kennen gegeven zich veilig te voelen om bij de vader en zijn partner aan te kunnen geven als zij wel contact willen met de moeder. Volgens de gecertificeerde instelling is het belangrijk dat de regie voor eventueel toekomstig contact met de moeder bij de kinderen zelf komt te liggen, zodat zij passend bij hun leeftijd en ontwikkeling eigen keuzes kunnen maken en hun grenzen kunnen aangeven.

4. De standpunten

Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. Volgens de vader is deze regeling volledig in het belang van de kinderen en sluit dit ook aan bij hoe de feitelijke situatie al lang is. Het vaststellen van de regeling zal rust geven voor de kinderen en duidelijkheid. De kinderen geven het zelf bij hem aan – dit is het afgelopen jaar ook zo gegaan - als zij wel contact willen met de moeder en dan biedt hij hen hierin de ruimte. De vader ziet dat [de minderjarige 2] hierin iets verder is dan [de minderjarige 1] . Daarbij is de advocaat van de vader van mening dat de eventuele draagkracht bij de kinderen voor het contact ook wordt vergroot als dit niet langer in een gedwongen kader vastligt.

De moeder heeft per digitaal bericht aan de rechtbank laten weten dat zij zich niet gehoord heeft gevoeld. Zij heeft nooit het idee gehad dat de gecertificeerde instelling zich positief heeft ingezet om het contact tussen haar en de kinderen op gang te helpen en de moeder is van mening dat zij partijdig zijn. De diepste wens van de moeder is dat zij haar kinderen weer zal zien. De kinderen zijn altijd welkom.

5. De beoordeling

Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt deze regeling als een regeling als bedoeld in artikel 1:377a, tweede lid, BW.

De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling - hoewel zij niet expliciet verzoekt tot ontzegging van het contact – inhoudelijk een zodanige regeling verzoekt, die feitelijk een volledige ontzegging van het contact tussen de moeder en de kinderen inhoudt. Het verzoek komt er inhoudelijk op neer dat er geen contact plaatsvindt tussen de moeder en de kinderen, tenzij de kinderen dit zelf aangeven wél te willen. De regie voor dit toekomstige contact moet volgens de gecertificeerde instelling bij de kinderen zelf komen te liggen. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van mening dat het verzoek van de gecertificeerde instelling mede getoetst dient te worden aan de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW.

Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW kan de rechter het recht op omgang van een ouder ontzeggen, indien:

a. de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen de omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De kinderrechter is van oordeel dat het wijzigen van de contactregeling van 20 december 2023 in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is. Daarbij is volgens de kinderrechter voldaan aan de ontzeggingsgrond(en) dat de kinderen – die ouder zijn dan 12 jaar – ernstige bezwaren tegen de omgang hebben doen blijken, dan wel dat de omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Sinds eind 2022 verblijven de kinderen – na een incident dat de kinderen als ingrijpend hebben ervaren in de thuissituatie bij de moeder – volledig bij de vader. De afgelopen jaren is – eerst vanuit het vrijwillig kader en daarnaast met ondersteuning van de gecertificeerde instelling – verschillende (intensieve) hulpverlening ingezet om het contact tussen de moeder en de kinderen te herstellen. Ondanks de inzet van deze hulpverlening is het niet gelukt om tot duurzaam contactherstel te komen. De kinderen blijven herhaaldelijk aangeven geen behoefte te hebben aan (structureel) contact met de moeder. Dit hebben de kinderen ook in het kindgesprek met de kinderrechter opnieuw bevestigd. Naar het oordeel van de kinderechter volgt uit de stukken, de kindgesprekken en de toelichting ter zitting dat de kinderen duidelijk behoefte hebben aan rust. Zij ervaren (negatieve) druk voor het contact met de moeder en ervaren de voortdurende hulpverleningstrajecten die gericht zijn op dit contact als belastend. Volgens de kinderrechter is het blijven bestaan van de huidige zorgregeling in strijd met hun zwaarwegende belangen. Daarbij neemt de kinderechter mee dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment al veertien en zestien jaar oud zijn en goed lijken te kunnen aangeven waar zij behoefte aan hebben. Het afgelopen jaar heeft [de minderjarige 2] ook uit zichzelf - toen hij hier behoefte aan had - verzocht om een contactmoment met de moeder. Vervolgens heeft dit contactmoment ook plaatsgevonden. De kinderrechter deelt dan ook met de gecertificeerde instelling de hoop dat het wegnemen van de druk bij de kinderen, juist kan leiden tot een opening bij de kinderen voor het contact tussen hen en de moeder. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de kinderen zich veilig voelen om bij de vader aan te geven als zij wel contact willen. Daarbij heeft de kinderrechter ook vertrouwen dat de vader hen de ruimte geeft om dit contact eventueel in de toekomst vorm te geven. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de kinderen geen contact zullen hebben met de moeder – en ontzegt daarmee het recht op omgang van de moeder – tenzij de kinderen zelf aangeven contact te willen met de moeder.

Ten slotte overweegt de kinderrechter dat een ontzegging van het recht op een zorgregeling tussen een ouder en een kind een in tijd beperkt karakter heeft. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045) kan in ieder geval na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen, ook eerder een (nieuw) verzoek tot vaststelling van een zorgregeling worden ingediend.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken - zoals vastgesteld bij beschikking van 20 december 2023 - zodanig dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] vanaf dit moment geen contact zullen hebben met de moeder – en ontzegt daarmee het recht op omgang van de moeder – tenzij de kinderen zelf aangeven contact te willen met de moeder.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L.G. van Otterlo als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand