ECLI:NL:RBDHA:2026:22320

ECLI:NL:RBDHA:2026:22320

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer C/09/706427 / JE RK 26-974 .
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijziging verlenging ondertoezichtstelling. Ondertoezichtstelling heeft geen meerwaarde. Scheidingsproblematiek. Onvoldoende regie door de gecertificeerde instelling. Vele wisselingen jeugdbeschermer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/706427 / JE RK 26-974

Datum uitspraak: 10 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[de minderjarige 1] , geboren op 4 oktober 2016 in Rotterdam,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op 4 oktober 2016 in Rotterdam,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. F. van Schaik uit Berkel en Rodenrijs,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de stiefvader] ,

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [woonplaats 1] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026;

- het bericht van de vader met bijlagen van 5 juli 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

de moeder met haar advocaat;

de stiefvader;

- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

Een collega-kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de collega-kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

Het geregistreerd partnerschap van de ouders is op [datum] 2019 ontbonden.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 15 juli 2026.

3. Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. Volgens de gecertificeerde instelling is er nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] als gevolg van de voortdurende strijd tussen hun ouders.

Het lukt de ouders niet om te communiceren met elkaar en overeenstemming te bereiken in het belang van de kinderen. De kinderen bevinden zich in een loyaliteitsconflict en hebben te kennen gegeven dat zij willen dat de ouders stoppen met het voeren van strijd. De kinderen worden ernstig belast met de ouderproblematiek.

Voor de ouders is Parallel Solo Ouderschap (PSO) ingezet, maar dit traject is inmiddels beëindigd. ONS (Ouderschap Na Scheiding) heeft besloten dat nu ingezet dient te worden op bemiddeling, om te komen tot een voor beide ouders uitvoerbaar ouderschapsplan.

Volgens de gecertificeerde instelling hebben de kinderen behandeling nodig, maar staat de vader geen gesprekken toe met de kinderen.

4. De standpunten en informatie van de informant

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij teleurgesteld is in de gecertificeerde instelling. Zij roept al 7,5 jaar om hulp en ziet geen toegevoegde waarde meer in de verlenging van de ondertoezichtstelling. Inmiddels zijn er negen jeugdbeschermers betrokken geweest, maar zij hebben tot nu toe niets bereikt. Het ouderschapsplan is opgesteld in 2018 en er hebben inmiddels diverse veranderingen plaatsgevonden. De moeder zou daarom wijzigingen willen aanbrengen in het ouderschapsplan, maar het lukt niet om daarover met de vader afspraken te maken. Eind augustus gaan de vader en de moeder opnieuw om de tafel zitten voor bemiddeling bij het opstellen van een ouderschapsplan.

De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het Gerechtshof Den Haag de beslissing over de beëindiging van het gezag van de vader aangehouden heeft in afwachting van de resultaten van de hulpverlening. Geen van de negen jeugdbeschermers heeft de regie gepakt en er is sprake van gebrek aan vertrouwen in hulpverlening. Onder deze omstandigheden heeft een voortzetting van de ondertoezichtstelling volgens de advocaat geen meerwaarde.

Volgens de vader heeft de ondertoezichtstelling slechts minimale impact gehad en ziet hij niet in hoe er, ondanks alle inzet, nog iets vruchtbaars uit gaat komen. De vader geeft aan dat hij hulpverleningsmoe is, maar dat daar weinig gehoor voor lijkt te zijn. Het beeld dat wordt geschetst dat hij alles zou tegenwerken, klopt niet volgens vader. De moeder voert volgens hem al jarenlang strijd om hem zijn gezag te ontnemen.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zeggen tegen de vader dat zij niet meer willen praten met de hulpverleners, en de vader wil ze niet dwingen. Vader denkt dat de kinderen vooral rust nodig hebben.

Desgevraagd heeft de stiefvader naar voren gebracht dat de vader geen medewerking verleent en dat de stiefvader het nut van een ondertoezichtstelling niet inziet.

5. De beoordeling

De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] af. Weliswaar is nog altijd sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van beide kinderen, maar een verlenging van de ondertoezichtstelling neemt deze bedreiging naar alle waarschijnlijkheid niet weg, en zal eerder averechts werken. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

De kinderrechter ziet twee betrokken ouders die al jarenlang een complexe en moeizame verstandhouding hebben met elkaar en verwikkeld zijn in een langdurige strijd over de kinderen. De ouders zijn onvoldoende in staat gebleken om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] buiten hun strijd te houden, waardoor de kinderen sinds januari 2024 onder toezicht zijn gesteld.

De kinderrechter heeft destijds benadrukt dat het meewerken aan - en profiteren van - de hulpverlening door de ouders van groot belang is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en het op een positieve wijze invullen van hun gezamenlijk ouderschap. Het lukt de ouders tot op heden echter niet om hier gehoor aan te geven, ieder om hun eigen redenen. Dit heeft zijn weerslag op het welzijn van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , waardoor de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog steeds niet is weggenomen. Met name [de minderjarige 2] vertoont zorgelijk gedrag, zoals woedeaanvallen.

De kinderrechter ziet echter niet wat een ondertoezichtstelling daarin zal kunnen veranderen. Daartoe overweegt zij dat de ondertoezichtstelling de afgelopen periode niet heeft kunnen bijdragen aan een oplossing van de communicatieproblemen en het herstellen van het vertrouwen tussen de ouders en in die zin niet effectief is gebleken.

Het is duidelijk dat de ouders hun onderlinge strijd niet hebben kunnen staken. Mede daardoor is hulpverlening tot op heden niet voldoende van de grond gekomen.

Daarnaast constateert de kinderrechter dat de samenwerking met de gecertificeerde instelling niet goed is, mede omdat sinds het begin van de ondertoezichtstelling (in 2024) reeds negen verschillende jeugdbeschermers betrokken zijn geweest, die allemaal slechts kort betrokken waren. De kinderrechter ziet dat het - al zo lang - ontbreken van een vaste jeugdbeschermer problematisch is, omdat daardoor de gewenste regie uitblijft en de ondertoezichtstelling in feite niet werkelijk wordt uitgevoerd. Doordat er steeds wisselende jeugdbeschermers betrokken zijn (geweest) is het tot op heden ook niet gelukt om een vertrouwensrelatie met de jeugdbeschermer op te bouwen.

De kinderrechter verwacht niet dat dit vertrouwen binnen afzienbare termijn hersteld kan worden en verwacht daarom ook niet dat er binnen de gevraagde termijn van zes maanden gewerkt kan worden aan de doelen die de gecertificeerde instelling voor ogen heeft. De kinderrechter weegt hierbij mee dat de kinderrechter in de laatste beschikking van 14 januari 2026 nog haar vertrouwen uitsprak dat de jeugdbeschermer zich actief zou inzetten, zodat er daadwerkelijk de komende zes maanden regie zou worden gevoerd op de inzet van het PSO-traject en na afloop daarvan ingezet kon worden op de noodzakelijke behandeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling de afgelopen zes maanden hieraan geen uitvoering heeft kunnen geven en dat er de afgelopen periode binnen het kader van de ondertoezichtstelling derhalve volstrekt onvoldoende stappen gezet zijn.

Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter geen meerwaarde in een verlenging van de ondertoezichtstelling en verwacht zij dat deze eerder contraproductief zal zijn.

Daar komt nog bij dat uit de risico- en veiligheidstaxatie (ARIJ) van juni 2026 blijkt dat de onveiligheid op dit moment laag is. Nu bovendien is gebleken dat ouders op vrijwillige basis een mediation-traject in gaan, is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling, in ieder geval voor nu, onvoldoende meerwaarde heeft.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afwijst.

De kinderrechter benadrukt dat het voorgaande niet wegneemt dat er nog wel zorgen blijven bestaan en dat de ouders er alles aan dienen te doen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet met hun onderlinge strijd te belasten en te waarborgen dat de kinderen met hun beide ouders een goed contact behouden. Daarbij is van groot belang dat de ouders zich minder richten op (de strijd met) elkaar en meer op de kinderen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L.G. van Otterlo als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand