RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/688746 / HA ZA 25-639
Vonnis van 29 juli 2026
in de hoofdzaak van
[eiseres] BV, te [plaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.C. de Kanter,
tegen
RIDGE B.V., te Veenendaal,
gedaagde,
hierna te noemen: Ridge,
advocaat: mr. J.B. Evenboer.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het vonnis in het incident van 19 november 2025 en de daarin genoemde stukken;- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
- de akte in geding brengen producties en vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 18 tot en met 21;
- de antwoordakte tevens akte houdende uitlatingen van Ridge.
Op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van de met deze zaak samenhangende vrijwaringszaak tussen Ridge B.V. en De Nieuwe Norm B.V. (hierna: DNN) met zaak- / rolnummer C/09/696612 / HA ZA 25/1148. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er naar voren is gebracht en besproken.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Het gebouw “ [naam gebouw 1] ” maakt onderdeel uit van een groter perceel aan de Mgr. Angenentlaan 1 te Warmond met daarop meerdere panden. Op 28 februari 2020 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [eiseres] [naam gebouw 1] heeft verkocht aan Ridge. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“15.14. Door verkoop geldt als uitgangspunt dat het gebouw [naam gebouw 1] door Koper als losstaande entiteit wordt her ontwikkelt. Het Verkochte, dat thans afhankelijk is van de energiebron in het ketelhuis gelegen aan de achterzijde van het gebouw [naam gebouw 2] , dient het Verkochte uiterlijk 1 september 2021 zelfvoorzienend (onafhankelijk van het ketelhuis, dan wel andere omliggende gebouwen [naam gebouw 2] en [naam gebouw 3] ) te functioneren. Tot 1 september 2021 wordt het verbruik van de gebouwen [naam gebouw 1] en Het [naam gebouw 3] naar rato van gebruikers en m2 GO verrekend.”
Ridge heeft het gebouw [naam gebouw 1] gekocht om het te kunnen herontwikkelen. De herontwikkeling is (deels) uitgevoerd door aannemer DNN, in opdracht van de werkmaatschappij van Ridge.
Op 1 september 2021 had het gebouw [naam gebouw 1] in afwijking van zoals het in de koopovereenkomst was bepaald nog geen eigen energievoorziening.
Op 30 april 2022 hebben partijen een allonge getekend met betrekking tot de huur door Ridge van een deel van het aangrenzende gebouw “Het [naam gebouw 3] ”. In de allonge hebben partijen opgenomen dat de huurprijs € 3.000 exclusief omzetbelasting per maand bedraagt.
Op 28 september 2022 hebben partijen de definitieve versie van een tweede allonge ondertekend. Hierin zijn partijen overeengekomen dat Ridge na 1 september 2021 de aansluiting van het gebouw [naam gebouw 2] blijft gebruiken. In de allonge is opgenomen dat Ridge een tussenmeter heeft geplaatst voor de aansluiting van het gebouw [naam gebouw 1] en dat het energieverbruik onder meer aan hand van metingen van de tussenmeter zal worden bepaald. Tot slot is in de allonge ook bepaald dat het energieverbruik zal worden afgerekend op basis van nacalculatie.
Op 2 december 2022 hebben partijen vastgesteld dat de tussenmeter geen verbruik registreerde. Partijen zijn daarom in 2023 met elkaar in overleg getreden over de manier waarop het energieverbruik zou worden berekend en aan Ridge zou worden gefactureerd.
Op 26 februari 2024 heeft [eiseres] een factuur (vervaldatum 11 maart 2024) gestuurd aan Ridge voor een bedrag van € 122.676,33. De factuur ziet zowel op de huur van een deel van Het [naam gebouw 3] als op het energieverbruik over 2021 en 2022.
In een e-mail van 22 januari 2025 heeft [eiseres] voorgesteld dat Ridge het factuurbedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dat bedrag, in zeven termijnen aan [eiseres] betaalt.
In de e-mail van 31 januari 2025 heeft een van de bestuurders van Ridge in reactie op deze e-mail onder meer het volgende geantwoord:
“Hierbij ons akkoord op het termijnschema voor de betaling van de energieafrekening zoals hieronder in jouw e-mail voorgesteld. Vertrouwende erop dat we je hierbij voldoende hebben geïnformeerd.”
Op verzoek van [eiseres] heeft op 3 februari 2025 ook de andere bestuurder van Ridge op de e-mailwisseling gereageerd en is met de betalingsregeling akkoord gegaan.
Ridge heeft geen enkele betaling aan [eiseres] gedaan.
3. Het geschil
in de hoofdzaak
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Ridge veroordeelt tot betaling van € 122.676,33, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;
II. Ridge veroordeelt tot betaling van € 3.211,76 aan buitengerechtelijke kosten;
III. Ridge veroordeelt tot betaling van beslagkosten van € 2.524,17 en de volledige proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[eiseres] legt daar – samengevat – het volgende aan ten grondslag. [eiseres] en Ridge zijn overeengekomen dat Ridge zou betalen voor huur en energieverbruik. Partijen zijn ook overeengekomen hoe het energieverbruik zou worden berekend. Ridge moet deze overeenkomsten nakomen.
Ridge concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. Ook concludeert Ridge dat de rechtbank in de vrijwaringszaak zo mogelijk gelijktijdig oordeelt en beslist als in de hoofdzaak.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
Ridge vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. DNN, gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, veroordeelt aan Ridge te voldoen al datgene waartoe Ridge als gedaagde in de bodemzaak jegens [eiseres] wordt veroordeeld, waaronder de integrale proceskosten inclusief beslagkosten;
II. DNN veroordeelt in de kosten van de vrijwaringsprocedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
Ridge legt daar – samengevat – aan ten grondslag dat Ridge en DNN zijn overeengekomen dat de kosten voor de huur en het energieverbruik die Ridge aan [eiseres] moet betalen, uiteindelijk door DNN worden gedragen. DNN is gebonden aan de afrekening tussen [eiseres] en Ridge, omdat DNN een tussenmeter heeft geplaatst die geen verbruik bleek te meten.
DNN voert verweer in de vrijwaringszaak dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en zij vordert in reconventie dat een toewijzend vonnis in conventie pas kan worden geëxecuteerd als eerst alle vorderingen van DNN op Ridge zijn betaald.
Op de standpunten van partijen wordt ingegaan in het vonnis in de vrijwaringszaak. Zoals ter zitting namelijk is besproken, wordt eerst vonnis in de hoofdzaak gewezen en zal er een latere datum worden bepaald voor het wijzen van vonnis in de vrijwaringszaak. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Ridge heeft DNN gedagvaard, nadat de rechtbank dit bij vonnis in het incident van 19 november 2025 had toegestaan. De hoofdzaak is op 17 juni 2026 samen met de vrijwaringszaak op de mondelinge behandeling aan de orde geweest. Op grond van artikel 215 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt als uitgangspunt dat wanneer beide procedures tegelijk in staat van wijzen zijn, gelijktijdig in beide zaken vonnis wordt gewezen. Wanneer dat niet het geval is kunnen de procedures worden gesplitst, waarbij in de hoofdzaak of in de vrijwaringszaak afzonderlijk wordt beslist.
De vordering in de hoofdzaak is overzichtelijk en is niet betwist door Ridge. In de vrijwaringszaak voeren partijen daarentegen een uitgebreid debat over de vordering. Als gevolg hiervan heeft de procedure in de vrijwaringszaak onder meer een ander tijdspad. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak hangen daarnaast niet op een wijze met elkaar samen die verhindert dat de rechtbank eerst een beslissing zal nemen in de hoofdzaak en op een later moment in de vrijwaringszaak.
4. De beoordeling
[eiseres] stelt dat zij met Ridge heeft afgesproken dat Ridge de huur en de kosten van het energieverbruik betaalt. Als gevolg van een niet functionerende tussenmeter is het daadwerkelijke energieverbruik niet gemeten. Partijen hebben daarom ten behoeve van de afrekening van het energieverbruik in onderling overleg afgesproken hoe het af te rekenen energieverbruik wel zou worden berekend. Op basis van die berekening heeft [eiseres] op
26 februari 2024 € 122.676,33 aan Ridge gefactureerd. [eiseres] stelt tot slot dat Ridge heeft toegezegd het bedrag van die factuur aan [eiseres] te zullen voldoen en dat [eiseres] en Ridge daarvoor een betalingsregeling overeen zijn gekomen.
Ridge betwist de factuur en betalingsregeling niet maar voert als verweer in deze procedure aan dat zij met DNN is overeengekomen dat DNN op haar beurt dit verschuldigde bedrag aan huur en energieverbruik voor haar rekening moet nemen. DNN weigert dat want zij betwist dat zij verplicht is de huur en het energieverbruik te betalen. Ridge meent dat zij als tussenpersoon voor de betaling van de vordering van [eiseres] afhankelijk is van de uitkomst van haar geschil met DNN.
Echter, Ridge heeft de verschuldigdheid van de factuur van 26 februari 2024 niet betwist. Ridge heeft daarvoor een betalingsregeling afgesproken, die ze niet is nagekomen. Daarmee staat vast dat Ridge € 122.676,33 aan [eiseres] moet betalen. Ridge heeft dus een zelfstandige betalingsverplichting jegens [eiseres] , die niet afhangt van de verhouding tussen Ridge en DNN. De rechtbank zal de vordering tot betaling aan [eiseres] van € 122.676,33 toewijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 3.211,76. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijk tarief. Op grond van het Besluit zal daarom een bedrag van € 2.001,76 worden toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
[eiseres] vordert dat het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Ridge heeft verzocht dat het vonnis in de hoofdzaak niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, althans dat in de hoofdzaak en vrijwaringszaak gelijk wordt geoordeeld ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
Het uitgangspunt is dat een veroordeling tijdens hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn. Onder omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Ridge heeft onvoldoende onderbouwd waarom in dit geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank zal het vonnis daarom, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Wettelijke handelsrente
[eiseres] vordert dat Ridge wettelijke handelsrente over de hoofdsom betaalt vanaf 11 maart 2024. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente toewijzen, omdat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Op grond van dat artikel gaat de wettelijke handelsrente in op de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. De vervaldatum voor de factuur van 26 februari 2024 was 11 maart 2024. Dit betekent dat Ridge wettelijke handelsrente moet betalen met ingang van 12 maart 2024.
Beslagkosten
[eiseres] vordert Ridge te veroordelen tot betaling van de beslagkosten, waaronder € 1.800,17 voor de deurwaardersexploten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, maar wel tot een lager bedrag dan gevorderd. De deurwaarderskosten die aan de beslagene in rekening mogen worden gebracht, zijn vastgelegd in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag). Daarin staan standaardbedragen voor door de deurwaarder verrichte ambtshandelingen in het kader van beslag. In de beslag- en betekeningsexploten die de deurwaarder opmaakt worden de voor de betreffende ambtshandeling in rekening gebrachte standaardbedragen vermeld. Die bedragen komen voor rekening van de schuldenaar. Indien de deurwaarder aan de opdrachtgever hogere bedragen dan de standaardbedragen in rekening brengt, komt het meerdere voor rekening van de opdrachtgever.
Op basis van de bedragen vermeld in de overgelegde exploten komt de rechtbank tot een bedrag van € 1.344,76 aan kosten voor de deurwaardersexploten. Ridge is niet gehouden het bedrag dat de deurwaarder daar bovenop aan [eiseres] in rekening heeft gebracht, te betalen. Het meerdere komt voor rekening van [eiseres] . De beslagkosten worden daarom vastgesteld op € 1.344,76 voor kosten deurwaardersexploten, € 714 voor griffierecht en € 2.051 voor salaris advocaat (1 punt× € 2.051), totaal € 4.109,76.
Proceskosten
Ridge is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor zover [eiseres] met haar vordering tot betaling van de “volledige proceskosten” een integrale proceskostenveroordeling heeft bedoeld, geldt dat [eiseres] deze vordering niet heeft onderbouwd. De proceskosten van [eiseres] worden daarom op de gebruikelijk wijze begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
6.147,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
10.557,40
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten en proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt Ridge om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 122.676,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 12 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Ridge om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.001,76 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt Ridge in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.109,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Ridge in de proceskosten van € 10.557,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ridge niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Ridge tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
3669