RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2633
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸ verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Procesverloop
1. Eiser werkte van 1 januari 2020 tot 19 augustus 2024 in een administratieve functie voor drie dagen, 24 uur per week. Zijn arbeidsovereenkomst is per 19 augustus 2024 geëindigd. Hij heeft zich op 18 september 2024 ziekgemeld per 19 augustus 2024 bij het Uwv met klachten als stress, depressie, geen energie en gespannen.
Met het primaire besluit van 21 oktober 2024 heeft het Uwv de Ziektewet-uitkering (Zw-uitkering) van eiser beëindigd omdat eiser per die datum geschikt was bevonden voor zijn eigen werk.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 25 februari 2025 heeft het Uwv het het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en primaire besluit gehandhaafd. .
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser was zonder bericht vooraf niet aanwezig.
Standpunt eiser
2. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om zijn eigen werk uit te voeren. Door zijn psychische klachten kan hij geen telefoontjes beantwoorden en niet communiceren met klanten en werknemers. Op de werkvloer en elders kan hij niet meer communiceren zoals voorheen door alle klachten die hij ervaart. De klachten zijn zelfs zo erg geworden dat hij is doorverwezen naar een hogere psycholoog en kan hij niet zonder zijn medicatie citalopram.
Standpunt verweerder
3. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eiser is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Tevens is informatie opgevraagd bij de huisarts. Dat eiser is doorverwezen en citalopram gebruikt is bekend en meegewogen. Er is dan ook geen aanleiding om het standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht de Zw-uitkering van eiser per 21 oktober heeft beëindigd.
In artikel 19, eerste lid, van de ZW, is bepaald dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht heeft op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder "zijn arbeid" verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In deze zaak is dat eisers administratieve functie voor drie dagen, 24 uur per week.De rechtbank stelt voorop dat verweerder een besluit over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn.
Zorgvuldigheid
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op 14 oktober 2024 op het spreekuur gezien en daarbij een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Daarbij heeft hij een uitgebreide anamnese afgenomen. Er is geen nadere informatie bij de huisarts opgevraagd, aangezien eiser voor zijn mentale klachten niet bij de huisarts is geweest. Zijn bevindingen heeft hij opgenomen in het rapport van 20 oktober 2024.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht, eiser gezien op het spreekuur en informatie van de huisarts opgevraagd. De verzekeringsarts b&b heeft haar bevindingen opgenomen in het rapport van 24 februari 2025. De verzekeringsarts b&b heeft tevens de informatie van de huisarts betrokken bij haar beoordeling.
Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Medisch oordeel
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv.
De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 20 oktober 2024 gerapporteerd dat eiser mentaal een normale indruk maakt. De mentale klachten zijn niet dusdanig ernstig dat eiser zijn eigen werk van administratief medewerker van drie dagen, 24 uur per week niet zou kunnen uitoefenen. Er is geen sprake van een consistent en plausibel geheel van klachten, beperkingen en aandoeningen. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser per 21 oktober 2024 geschikt is voor zijn eigen werk.
De verzekeringsarts b&b rapporteert in zijn rapport van 24 februari 2025 dat de in bezwaar verkregen onderzoeksbevindingen niet overtuigend passen bij een psychische stoornis. Zeker geen van een ernst die arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk zou veroorzaken. De van de behandelend sector ontvangen gegevens geven niet overtuigend aanleiding om arbeidsongeschiktheid voor eigen werk aan te nemen. Ook de verzekeringsarts b&b concludeert dat eiser per 21 oktober 2024 op medische gronden geschikt isvoor zijn eigen werk.
Eiser heeft zijn standpunt met betrekking tot de medische beoordeling niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en is van oordeel dat de verzekeringsartsen de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv de beoordeling door de verzekeringsartsen aan de besluiten ten grondslag mogen leggen en de Zw-uitkering van eiser terecht per 21 oktober 2014 beëindigd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.