RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9863
(gemachtigde: L. Visscher),
en
(gemachtigde: H. Smit).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel [derde-partij 1] , [derde-partij 2] en [derde-partij 3] uit [woonplaats] , derde-partij
(gemachtigde: mr. J.S. Maas).
Procesverloop
1. Voor het procesverloop tot en met 10 februari 2026 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft op 7 april 2026 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft in reactie hierop schriftelijk haar zienswijze naar voren gebracht.
Derde-partij heeft schriftelijk hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft op 19 mei 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De tussenuitspraak
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college het op basis van door de derde-partijen overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft kunnen vinden dat het gebruik van het pand aan de [adres] (het pand) als muziekschool onder het overgangsrecht valt. Aan het bestreden besluit ligt in zoverre onvoldoende onderzoek ten grondslag en het bestreden besluit wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Om deze reden is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet toereikend gemotiveerd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd genomen met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om de gebreken te herstellen, moet verweerder nader onderzoek doen naar de vraag of het gebruik als muziekschool onder het overgangsrecht valt. Daartoe moet het onderzoeken of het pand op de peildatum (21 februari 2019) en daarna onafgebroken als muziekschool werd gebruikt. Ook moet worden onderzocht of dat gebruik niet is uitgebreid ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Op basis van dit onderzoek zal het college opnieuw moeten beoordelen of gebruik als muziekschool in overeenstemming is met het bestemmingsplan.
De herstelpoging
3. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nadere motivering overgelegd. Daarin staat samengevat het volgende. Het college beslist het beroep op het overgangsrecht te laten vervallen, omdat het onvoldoende vast kan stellen dat het pand op de peildatum tot de beslissing op bezwaar onafgebroken is gebruikt als muziekschool. Het college stelt zich echter op het standpunt dat op grond van artikel 4.1, aanhef en onder c, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bomenbuurt” (bestemmingsplan) het gebruik van het pand als muziekschool is toegelaten als ‘dienstverlening’. Uit de begripsbepaling van artikel 1.42 van het bestemmingsplan volgt dat het moet gaan om het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Volgens het college valt het geven van muziekles daaronder. Bovendien wordt een muziekschool niet genoemd in de opsomming van gevallen die niet onder dienstverlening vallen. In dit kader verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Het geven van muziekles is hierdoor niet in strijd met het bestemmingsplan en zodoende is er geen overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden, aldus het college.
De reactie van eiseres
4. Eiseres heeft bij gelegenheid van de mogelijkheid om te reageren op de herstelpoging van het college een zienswijze gegeven op de tussenuitspraak. Daarbij stelt zij zich – samengevat en onder verwijzing naar een notitie van NSG – op het standpunt dat de rechtbank en het college hadden moeten uitgaan van een muziekschool van categorie B, met een planologisch toegestane woningbouwvrije geluidgebruiksruimte van 50 meter, overeenkomstig de VNG-brochure 2009. Die muziekschool is volgens eiseres niet mogelijk op het perceel, omdat daarvoor geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Om die reden kan voor dat gebruik ook geen beroep op het overgangsrecht worden gedaan.
Eiseres is in haar reactie niet concreet ingegaan op het standpunt van het college dat gebruik als muziekschool onder ‘dienstverlening’ valt.
Het oordeel van de rechtbank
5. Zoals overwogen onder 2 van deze uitspraak staat het de rechtbank, behoudens uitzonderlijke gevallen, niet vrij terug te komen op een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel.
In haar zienswijze naar aanleiding van de nadere motivering van het college keert eiseres zich tegen volgens haar onjuiste overwegingen in de tussenuitspraak. Daarbij herhaalt zij hoofdzakelijk standpunten over de betekenis van de VNG-brochure en de in acht te nemen ‘woningbouwvrije geluidgebruiksruimte’ waarover de rechtbank zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven. In de zienswijze ziet de rechtbank geen uitzonderlijk geval dat aanleiding geeft om terug te komen op de beoordeling in de tussenuitspraak.
Hoewel het college niet in staat is gebleken om alsnog het voor gebruik als muziekschool gedane beroep op het overgangsrecht te onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat het college met zijn reactie van 7 april 2026 de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken alsnog heeft hersteld. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Op grond van artikel 1.42 van de planregels van bestemmingsplan “Bomenbuurt” wordt onder ‘dienstverlening’ verstaan: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waaronder mede begrepen publieksgerichte dienstverlening, al of niet met baliefunctie, op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of cosmetisch gebied, fotostudio's, uitzendbureaus, reisbureaus, kapsalons, snelfoto-ontwikkel- en kopieerservicebedrijven, videotheken en andere verhuurbedrijven, autorijscholen, alsmede ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 1.61; onder dienstverlening wordt niet begrepen: garagebedrijven, belwinkels, internetcafé, seksinrichtingen, escortbedrijven en kamerverhuurbedrijven.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het geven van muziekles worden gevat onder de in artikel 1.42 bedoelde bedrijfsmatige dienstverlening. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens de tekst van deze begripsbepaling alle bedrijfsmatige dienstverlening onder dienstverlening valt, met uitzondering van een aantal met name genoemde functies, waaronder een garagebedrijf. Het geven van muziekles valt niet onder de uitgezonderde functies. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 en in de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025. De rechtbank volgt het college daarom in het standpunt dat het geven van muziekles – en daarmee gebruik van het pand als muziekschool – niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Uit het voorgaande volgt ook dat de vraag of het gebruik als muziekschool in overeenstemming is met bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën A en B van de Staat van bedrijven bij functiemenging – niet relevant is voor de vraag of het geven van muziekles een overtreding van het bestemmingsplan oplevert.
De slotsom is dat het college met de reactie van 7 april 2026 alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat het gebruik als muziekschool niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het geven van muziekles als bedrijfsmatige dienstverlening rechtsreeks is toegelaten op grond van artikel 4.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan. Over het gebruik als geluidsopnamestudio inclusief drumactiviteiten heeft de rechtbank in de tussenuitspraak al geoordeeld dat dit valt onder omgevingsvergunning van 14 juni 2017, waarbij is afgeweken van het bestemmingsplan. Omdat ook het gebruik van het pand als muziekschool geen overtreding van het bestemmingsplan oplevert, is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is daarom terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde onderzoeks- en motiveringsgebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Omdat het college met de gewijzigde motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen in stand.
Omdat het beroep gegrond is moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1,5 punt op (1 punt voor het deelnemen van de gemachtigde van eiseres aan de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt een proceskostenvergoeding van € 1.401,- aan eiseres. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.