ECLI:NL:RBDHA:2026:22363

ECLI:NL:RBDHA:2026:22363

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer SGR 25/7861
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Handhavingsverzoek wegens geluidoverlast van luide stemgeluiden van bewoners van een beschermd wonen locatie afgewezen. Het college heeft het verzoek mogen afwijzen en zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van overtreding van artikel 4:5 APV. Voldoende onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de geluidshinder. Geen belangenafweging, omdat geen sprake is van een overtreding. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/7861

en

(gemachtigde: mr. G. Gadzuric).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Fonteynenburg uit Rijswijk, de stichting

(gemachtigde: mr. C.J. Dekker).

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om handhaving tegen geluidsoverlast van bewoners van de beschermd wonen locatie [zorginstelling] aan de [adres 1] in [plaats]. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek van eiser heeft mogen afwijzen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van bewoners van de beschermd wonen locatie [zorginstelling] aan de [adres 1] in [plaats].

Bij primair besluit van 12 december 2024 is het handhavingsverzoek door het college afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.

De stichting heeft schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Namens de stichting zijn de gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. Eiser woont aan de [adres 2] in [plaats]. De achtertuin van eiser grenst aan de achtertuinen van [zorginstelling] aan de [adres 1] in [plaats]. [zorginstelling] is een beschermd wonen locatie van Stichting Fonteynenburg (stichting), waar dove en slechthorende volwassenen met een psychische kwetsbaarheid begeleid wonen. Eiser heeft op 16 september 2024 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen geluidsoverlast van bewoners van [zorginstelling]. Eiser heeft zowel overdag als ‘s nachts last van luide stemgeluiden zoals geschreeuw, gerochel en gekrijs. Contact met [zorginstelling] heeft volgens eiser niet geleid tot vermindering van de overlast. Eiser vindt dat de overlast makkelijk te voorkomen is door de recent ingerichte gezelschapsruimte in de achtertuin te verplaatsen naar de voorzijde van de woningen van [zorginstelling], maar de stichting is daar niet toe bereid.

Op 12 december 2024 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen, omdat volgens het college geen sprake is van geluidhinder in de zin van artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zoetermeer (APV). Voor de daar gereguleerde “overige geluidhinder” ontbreken volgens het college algemeen geldende criteria of normen; een zekere mate van hinder is onvermijdelijk. Uit twee bezoeken van een toezichthouder aan [zorginstelling], gerapporteerd in de inspectierapporten van 1 en 18 november 2024, is volgens het college niet gebleken dat sprake is van een overtreding van artikel 4:5 van de APV. Bovendien zijn zowel bij de stichting als bij het college geen meldingen of klachten van andere bewoners bekend over geluidsoverlast van [zorginstelling].

In het bestreden besluit van 24 september 2025 is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. Het college is daarbij afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften (commissie), waarin is geadviseerd aanvullend onderzoek te doen naar de geluidshinder.

De commissie vindt dat het college eraan voorbij is gegaan dat handhaving op basis van artikel 4:5 van de APV mogelijk is, ook zonder toetsingskader. Het is aan het college om consequent en op eigen wijze invulling te geven aan de vraag of sprake is van geluidshinder in de zin van artikel 4:5 van de APV. Eiser heeft volgens de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat er wel degelijk klachten en meldingen van geluidsoverlast zijn. Omdat het college dit in het primaire besluit heeft miskend, dient het college nader onderzoek te verrichten naar de vermeende geluidshinder.

Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen aanvullend onderzoek nodig is, omdat het primaire besluit niet op onjuiste feiten berust. Voorafgaand aan het primaire besluit heeft het college navraag gedaan bij de stichting en andere instanties, waaruit geen klachten van andere omwonenden zijn gebleken. Het college was verder op de hoogte van de meldingen van eiser over geluidsoverlast van [zorginstelling], aangezien deze bij het handhavingsverzoek zijn meegestuurd. Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft het college opnieuw navraag gedaan bij verschillende instanties naar meldingen van geluidsoverlast, waaruit blijkt dat in de periode 2023 tot en met 2025 enkele meldingen zijn gedaan. Volgens het college is dit onvoldoende om te spreken van geluidhinder in de zin van artikel 4:5 van de APV waartegen handhavend kan worden opgetreden.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 4:5 van de APV is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit [de rechtbank begrijpt: het Activiteitenbesluit milieubeheer] op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Heeft het college het handhavingsverzoek van eiser mogen afwijzen?

5. Eiser betoogt dat het college op basis van artikel 4:5 van de APV handhavend moet optreden tegen de geluidshinder door bewoners van [zorginstelling]. Het college heeft volgens eiser te weinig onderzoek gedaan naar de geluidshinder. Daarnaast heeft het college miskend dat er wel degelijk structurele klachten over geluidsoverlast zijn. Deze structurele klachten blijken onder andere uit berichten in een Whatsappgroep met de stichting en buurtbewoners, waarin buurtbewoners meerdere keren hebben gemeld last te hebben van (stem-)geluiden van bewoners van [zorginstelling].

De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een overtreding van artikel 4:5 van de APV. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de toelichting van eiser en de erkenning door het college dat de bewoners van [zorginstelling] enige geluidshinder veroorzaken, omdat het stemgeluid van doven en slechthorenden met een psychische kwetsbaarheid anders kan zijn dan dat van andere omwonenden, is het aan het college om onderzoek te doen naar de aard en omvang van de geluidshinder.

Een toezichthouder heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek tweemaal bij [zorginstelling] gecontroleerd of sprake is van ernstige geluidshinder, maar die heeft geen geluidsoverlast geconstateerd. Daarnaast heeft het college navraag gedaan bij de politie, de Omgevingsdienst Haaglanden en afdelingen binnen de gemeente over meldingen van geluidsoverlast. Bij de politie is slechts één melding bekend, van 4 april 2023. Uit interne navraag bij de gemeente blijkt dat in september 2023 en augustus 2024 en op 23 en 27 juli 2025 meldingen van geluidsoverlast zijn ontvangen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het college ten tijde van het bestreden besluit wel degelijk bekend was met de klachten van andere buurtbewoners dan eiser in de whatsappgroep, maar dat geen meldingen zijn gedaan bij instanties waar het college navraag bij heeft gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de aard en omvang van de geluidshinder. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank ook deugdelijk gemotiveerd dat het niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat geen overtredingen van artikel 4:5 van de APV zijn geconstateerd. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat enige geluidshinder in een woongebied geaccepteerd dient te worden, de toezichthouder tijdens zijn controles geen geluidsoverlast heeft geconstateerd, dat het aantal geregistreerde meldingen in de afgelopen jaren beperkt is en dat er nauw contact is tussen de wijkagent, [zorginstelling] en buurtbewoners om de overlast te beperken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van een onevenwichtige belangenafweging?

6. Eiser betoogt dat het college in het bestreden besluit een onevenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Het college heeft namelijk geen redelijke afweging gemaakt tussen enerzijds de hinder en anderzijds het belang van goed nabuurschap.

De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande geen bevoegdheid bestaat om handhavend op te treden, omdat geen sprake is van een overtreding. Het college is daarom niet toegekomen aan een belangenafweging.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. van der Ven

Griffier

  • mr. H. Raben

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand