Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/036352-26
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
verblijfadres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats]
.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 april 2026 (pro-forma), 30 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 augustus 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 juni 2026 (cursief weergegeven) - ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2025 tot en met 17 augustus 2025 te
(Rijksweg A77 en/of A73) Boxmeer, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland
en/of te Wuppertal en/of Düsseldorf en/of (Rijksweg E31) Alspray, althans in
Duitsland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2025 tot en met 17 augustus 2025 te (Rijksweg A77 en/of A73) Boxmeer, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland en/of te Wuppertal en/of Düsseldorf en/of (Rijksweg E31) Alspray, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft hiertoe gewezen op de afgetapte telefoongesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte] die spreken over een klus in Duitsland. Er wordt gesproken over 50 liter of 50 stenen. Er is een video waarop vijf bigshoppers te zien zijn, gevuld met langwerpige blokken. Ook wordt er gesproken over sannie (straattaal voor cocaïne), 3-MMC en synthetische drugs. De klus vindt plaats in de nacht van 16 op 17 augustus 2025. De verdachte heeft voor deze klus een driver geregeld, maar rijdt, blijkens (o.a.) zijn historische verkeersgegevens, zelf ook naar Duitsland om ervoor te zorgen dat de import van de cocaïne slaagt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de genoemde feiten. De raadsman heeft daartoe gewezen op de verklaring van de verdachte zoals afgelegd op de terechtzitting van de inhoudelijke behandeling op 30 juni 2026. De verdachte heeft verklaard dat hij was gevraagd om een tas met 50 kilogram wiet te halen in Duitsland waar hij 1.000 euro voor zou krijgen. De verdachte had voor de praktische uitvoering iemand anders ingeschakeld, een driver, en reed zelf in een andere auto, op de heenweg achter de driver, op de terugweg voor de driver uit. Toen de verdachte op de terugweg een video van de lading kreeg, dacht hij dat het om cocaïne (sannie) ging omdat het op die manier was verpakt. De verdachte was er op dat moment van overtuigd dat hij een ‘enorme klapper’ ging maken. Eenmaal terug in Nederland, zo verklaart de verdachte, bleek in de daarop volgende dagen dat het niet om cocaïne ging, maar om een waardeloze hoeveelheid versnijdingsmiddel en ontstond er ruzie over de uitbetaling aan alle deelnemers. De raadsman heeft een aantal passages genoemd afkomstig uit een afgetapt telefoongesprek, een spraakmemo en een chatgesprek die de verklaring van de verdachte volgens hem ondersteunen, te weten: dat het niet ging om cocaïne maar het versnijdingsmiddel procaïne.
De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan voor het geval dat de rechtbank de verdediging niet volgt in de bepleite vrijspraken, inhoudende dat wenst te horen als getuigen: [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [medeverdachte] .
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. Uit het dossier komen weliswaar aanwijzingen naar voren dat de verdachte zich in de nacht van 16 op 17 augustus 2025 heeft beziggehouden met de invoer van 50 kilogram cocaïne naar Nederland, maar van een eenduidig beeld is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Vooropgesteld dient te worden dat uit het dossier niet blijkt dat er cocaïne (of procaïne) bij de verdachte is aangetroffen. Het draait om de interpretatie van afgetapte telefoongesprekken die de verdachte tussen 16 en 19 augustus 2025 heeft gevoerd met [medeverdachte] en een ander en berichten die omstreeks die periode zijn verstuurd tussen de verdachte en anderen. Uit deze communicatie tussen de verdachte en anderen blijkt dat er in het kader van de klus in Duitsland niet alleen wordt gesproken over ‘sannie’ en ‘stenen’, maar ook over ‘50 liter’, het ‘echt maken’ van ‘sanny’ door te mixen met ‘synthetisch’ en 3-MMC, dat ‘neppe spullen drukken geen nut heeft’ en dat het ‘geen sanni is’. Uit de communicatie tussen de verdachte met anderen leidt de rechtbank af dat er zowel over ‘sannie’ (cocaïne) als over ‘proca’ (procaïne, een versnijdingsmiddel) dan wel ‘neppe spullen’ wordt gesproken. Daarmee zijn er – naast aanwijzingen voor de aanwezigheid van cocaïne – ook aanwijzingen voor andere mogelijkheden. Een duidelijke verklaring voor de tegenstrijdigheden ten aanzien van de vraag of sprake was van cocaïne, ontbreekt.
Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er meer aanknopingspunten nodig zijn om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat het ging om cocaïne.
Daarmee is er in het onderhavige geval onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van het tenlastegelegde. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van deze feiten.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de verdediging zoals hiervoor onder 3.2. genoemd.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rootring, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.