Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/265503-25; 10/060814-23 (tul)
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in Detentiecentrum [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 januari 2026, 17 april 2026 (beide pro-forma), 30 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 augustus 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 juni 2026 (cursief weergegeven) - ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1], van het leven te beroven (meermaals) gericht met een vuurwapen op de voordeur van de woning aan de [adres 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders, op of omstreeks 9
augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf [slachtoffer 1]
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te
beroven (meermaals) gericht met een vuurwapen op de voordeur van de woning
aan de [adres 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte
toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door de
schutter van en naar de plaats delict te vervoeren en/of de vluchtauto te besturen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door:
- ( meermaals) met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in het rond te schieten en/of schoten af te vuren en/of
- ( meermaals) met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten
en/of
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders, in of omstreeks de periode van 7 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door:
- ( meermaals) met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in het rond te schieten en/of schoten af te vuren en/of
- ( meermaals) met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten
en/of
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten;
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door de schutter van en naar de plaats delict te vervoeren en/of de vluchtauto te besturen
3.
hij in of omstreeks de periode van 31 januari 2025 (p. 1689) tot en met 19 september 2025 (p. 1689, 1691 en 1693) te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie van:
- een pistool van het merk Glock, type 26 (p. 1695) en/of
- een pistool van een tot dusver onbekend gebleven merk, type Parabellum, kaliber 9mm (p. 1272),
zijnde een of meer vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
Op 7 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur komen bij de politie meldingen binnen dat er knallen of schoten zijn gehoord op het [straatnaam 1] in Den Haag. Later die dag worden er zes kogelhulzen gevonden ter hoogte van [adres 3].
Twee dagen later, op 9 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, komt bij de politie de melding binnen dat er is geschoten op de [adres 2] te Den Haag, een woning op de derde verdieping van een appartementencomplex. In de voordeur van het appartement bevinden zich zes kogelinslagen. In het trappenhuis worden zes kogelhulzen aangetroffen. In het appartement bevinden zich twee personen op het moment van de beschieting van de voordeur. Eén van deze twee personen, [slachtoffer 1], ligt op dat moment op bed in de slaapkamer tegenover de voordeur. In de slaapkamer worden vijf kogels aangetroffen.
De volgende dag, op 10 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, wordt er wederom geschoten op het [straatnaam 1]. In de voordeur van [adres 4] bevinden zich zeven kogelinslagen. Acht meter van de woning worden zeven kogelhulzen aangetroffen. In de woning is niemand aanwezig op het moment van de beschieting van de voordeur.
Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is [verdachte] als verdachte aangemerkt ten aanzien van alle drie genoemde schietincidenten. De verdachte zou de schutters met een auto van en naar de plaats delict hebben vervoerd. Uit hetzelfde strafrechtelijk onderzoek is een daarmee samenhangende verdenking tegen de verdachte gerezen, te weten het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair (impliciet subsidiair; medeplegen poging doodslag op 9 augustus 2025), 2 primair (medeplegen bedreigingen op 7 en 10 augustus 2025) en 3 (voorhanden hebben vuurwapen) tenlastegelegde. De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde voorbedachte raad niet bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Voor zover van belang, zal hierna nader uiteen worden gezet wat de raadsman hiertoe heeft gesteld en zal de rechtbank hierop ingaan.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Bij de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij de schietincidenten, worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven. De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en die niet al worden besproken in onderstaande feitenvaststellingen, alsmede op de overige bewijsvragen.
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Schietincident op 7 augustus 2025 ([straatnaam 1]) – feit 2
Op 7 augustus 2025 worden rond 3.00 uur door buurtbewoners van het [straatnaam 1] meerdere knallen gehoord. Op camerabeelden vanaf een woning aan het [straatnaam 1] rond dat tijdstip is te zien dat twee mannen richting de plaats lopen vanaf waar de schoten zijn afgevuurd. De ene man is gekleed in een grijs trainingspak en de andere man is gekleed in het zwart. De man in het zwart heeft een telefoon in zijn rechterhand (waarvan het scherm brandt). Een minuut later rennen de mannen in tegengestelde richting terug.
Om 3.59 uur die nacht, stuurt de verdachte aan [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1]) – via Snapchat – een filmpje. Op dit filmpje is het volgende te zien. Een man die buiten een auto staat, leunt naar binnen, vooral zijn armen zijn te zien. Aan de armen is te zien dat hij een grijs trainingsjasje draagt en dat zijn linkerarm gevuld is met tatoeages. De man houdt een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp vast en haalt het magazijn uit het vuurwapen en laat de patronen die erin zitten zien. Er wordt in het Papiaments gevraagd hoeveel kogels erin zitten. Voor wat betreft het onderzoek naar de auto op het filmpje heeft de politie een vergelijking gemaakt met de zwarte Toyota Yaris (met kenteken [kenteken]) van de verdachte. Daarbij komt de politie tot de conclusie dat de interieurs met elkaar overeenkomen, met name qua bekleding, matjes en de aanwezigheid van een zelfde soort rood kinderzitje.
Ook zoekt de verdachte om 3.59 uur op zijn telefoon naar nieuwsberichten over ‘schietpartij den haag’.
Ongeveer een kwartier later, om 4.13 uur, stuurt de verdachte nog een filmpje. Dit keer naar [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2]). Bij het filmpje is de tekst ‘En weer 5K gemaakt simpel’ geplaatst door de verdachte. Op het filmpje wordt een andere telefoon gefilmd. Op de gefilmde telefoon is te zien dat een man op het [straatnaam 1] met een grijs trainingspak ter hoogte van nummer [huisnummer] meerdere keren met een vuurwapen in de lucht schiet. Na het schieten rennen de schutter en de filmer samen weg.
Uit zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van de verdachte die nacht in de buurt van het [straatnaam 1] is. Zijn telefoon maakt contact tussen 1.29 en 1.52 uur met een basisstation aan de Berensteinlaan in Den Haag (ruim een uur voor het schietincident). Dit is in de omgeving van het [straatnaam 1]. In de periode ervoor en erna maakt de telefoon contact met een basisstation in Rotterdam .
Uit de hiervoor opgenomen omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte betrokken is geweest bij het schietincident op 7 augustus 2025. Zo kan de auto van de verdachte aan het schietincident worden gelinkt en is de telefoon van de verdachte daar eerder die nacht ook geweest. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de verdachte op 7 augustus 2025 – zoals ten laste is gelegd – heeft geschoten dan wel de schutter heeft vervoerd en/of de vluchtauto heeft bestuurd. De hiervoor benoemde bevindingen zijn daarvoor niet genoeg, in aanmerking genomen dat de telefoon van de verdachte zich toen weer in Rotterdam bevond en er ook anderszins geen concrete aanwijzingen zijn die de verdachte in de auto of nabij de plaats delict plaatsen op of rondom het moment waarop is geschoten. Dat de auto op het hiervoor besproken filmpje van de verdachte is, maakt het voorgaande niet anders. Daar kan immers ook iemand anders gebruik van hebben gemaakt, zoals in dit strafdossier vaker voorkomt. Hoewel wel zou kunnen worden vastgesteld dat de verdachte behulpzaam is geweest door zijn auto ter beschikking te stellen, is dat voor de bewezenverklaring niet relevant, aangezien dat niet ten laste is gelegd. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde voor zover dit feit ziet op het schietincident dat plaatsvond op 7 augustus 2025.
Schietincidenten op 9 en 10 augustus 2025 ([straatnaam 2]/[straatnaam 1]) – feiten 1 en 2
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij zowel op 9 als 10 augustus 2025 de chauffeur was die iemand naar de plaatsen delict heeft gebracht met een gehuurde Greenwheels-auto. Hoewel de verdachte heeft ontkend dat hij wist dat degene die hij naar de plaats delict bracht een vuurwapen bij zich had en de bedoeling had om daar te schieten op een voordeur, gaat de rechtbank ervan uit dat hij hier wel degelijk van op de hoogte was, gelet op de hiervoor besproken filmpjes en zoekopdracht op het internet naar een schietpartij in Den Haag. Daar komt bij dat de verdachte bij beide schietincidenten geen gebruik maakte van zijn eigen auto, maar van een huurauto van Greenwheels die hij twee keer kort leende van [medeverdachte 2] die op zijn beurt deze auto weer had gehuurd via een katvanger. Bovendien is uit forensisch onderzoek naar de hulzen en (voor zover teruggevonden) projectielen gebleken dat het gebruikte vuurwapen bij het incident op 7 augustus 2025 ook is gebruikt bij de schietincidenten op 9 en 10 augustus 2025.
Geen medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het feit. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de schutter is niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de rol van de verdachte groter was dan die van een chauffeur. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld niet dat de verdachte ook is meegelopen naar de woningen om het schieten te filmen; dat heeft de schutter zelf gedaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte ook ten aanzien van 9 en 10 augustus 2025 vrijspreken van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde.
Medeplichtigheid
Voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict) of, ingeval het (voorwaardelijk) opzet niet (volledig) was gericht op het gronddelict, op een misdrijf dat voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige van belang. Verder geldt dat bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige hoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.
Medeplichtigheid aan poging moord/doodslag [adres 2] (feit 1 subsidiair)
Ten aanzien van het schietincident op 9 augustus 2025 aan de [adres 2] geldt dat de rechtbank uit het dossier niet kan afleiden dat de verdachte moest vermoeden dat er meer zou gebeuren dan het schieten in de lucht, zoals dat op 7 augustus 2025 had plaatsgevonden. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen kan uit (onder meer) het sturen van filmpjes kort na het schietincident van 7 augustus 2025 worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van het vuurwapen en ook wist dat daarmee daadwerkelijk is geschoten. Dat de verdachte daarmee ook moest hebben geweten dat op een deur van een woning zou worden geschoten terwijl de bewoners aanwezig waren, kan de rechtbank uit het dossier niet afleiden. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende verband tussen enerzijds het (ongericht) schieten in de lucht en anderzijds het gericht schieten op een deur waarbij mensen in de woning aanwezig zijn. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de aan hem (onder feit 1, subsidiair) tenlastegelegde medeplichtigheid aan een poging moord/doodslag.
Medeplichtigheid aan de bedreigingen van 9 en 10 augustus 2025
Ten aanzien van het schietincident van 9 augustus 2025 (de [adres 2]) geldt dat het schieten op de woning, hetgeen bewezen kan worden verklaard, als bedreiging kan worden gekwalificeerd. Ook voor het schietincident op 10 augustus 2025 ([adres 4]) geldt dat het schieten op de woning bewezen kan worden verklaard. Uit de aangiftes en de slachtofferverklaringen, zoals afgelegd ter terechtzitting, blijkt bovendien dat alle bewoners enorm geschrokken zijn en dat zij zich door deze beschietingen bedreigd voelen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, naast opzet op de handeling als medeplichtige, namelijk het vervoeren van de schutter in de door hem geregelde (want geleende) huurauto, ook opzet heeft gehad op het gronddelict “bedreiging”. Daartoe is redengevend dat de verdachte, zoals hierboven uiteengezet, wist dat dat er op 7 augustus 2025 in de lucht was geschoten. Schieten met een vuurwapen in de lucht is zonder meer als een bedreiging te duiden. Twee dagen daarna, op 9 augustus 2025 leent hij van [medeverdachte 2] een auto, rond 02.37 uur in de ochtend. Zonder enige reden, want hij had een eigen auto. Hij vervoert vervolgens een persoon (de schutter) en zoekt om 11.12 uur die dag op internet naar “gecshoten den haag flattencomplex” en “[straatnaam 2] geschoten”. Schieten met een vuurwapen op een woning is zeker als een bedreiging aan te merken. Vervolgens leent Noor, weer iets later, in de avond van 9 augustus 2025, wederom diezelfde huurauto van [medeverdachte 2]. Hij vervoert daarmee wederom de latere schutter van het schieten op een woning aan de [adres 4]. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte, zowel op 9 augustus 2025 als op 10 augustus 2025, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door de persoon die hij vervoerde bedreigingen (met een vuurwapen) zouden worden gepleegd.
Gelet hierop zal de rechtbank de onder 2, subsidiair 1ste cumulatief (tweede gedachtestreepje ne 2de cumulatief ten laste gelegde feiten, te weten: de medeplichtigheid aan de bedreigingen op 9 en 10 augustus 2025 bewezen verklaren.
Voorhanden hebben vuurwapens (feit 3)
De rechtbank gaat er – zoals hiervoor overwogen – op grond van de bewijsmiddelen vanuit dat de verdachte de schutter heeft vervoerd op 9 en 10 augustus 2025 en dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de schutter een vuurwapen bij zich had. Zowel op 9 augustus 2025 op de [straatnaam 2], als op 10 augustus 2025 op het [straatnaam 1] zijn hulzen en projectielen aangetroffen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de hulzen (en projectielen) afkomstig zijn uit hetzelfde (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm type Parabellum. Nu vaststaat dat de verdachte de schutter op beide dagen heeft vervoerd met de auto, heeft de verdachte op die data het vuurwapen voorhanden gehad.
De rechtbank zal feit 3 dan ook bewezen verklaren voor zover het betreft het voorhanden hebben van een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm type Parabellum op 9 en 10 augustus 2025.
Ten aanzien van de overige vuurwapens overweegt de rechtbank dat de verdenking alleen is gebaseerd op foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte. De foto’s zijn geduid door een verbalisant, die dagelijks is belast met onderzoek naar (vuur)wapens. In het proces-verbaal staat onder meer dat op de foto’s hoogstwaarschijnlijk echte vuurwapens zijn afgebeeld. In het proces-verbaal is echter niet uitgelegd waar die conclusie op is gebaseerd, bijvoorbeeld op basis van uiterlijke kenmerken die duiden op (echte) vuurwapens in plaats van voorwerpen die op vuurwapens lijken. Daar komt bij dat is geverbaliseerd dat pas met zekerheid kan worden vastgesteld dat het echte wapens zijn indien de verbalisant de wapens in zijn handen heeft gehad en deze nader heeft kunnen onderzoeken. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat het gaat om vuurwapens in plaats van op vuurwapen gelijkende voorwerpen. De verdachte zal van het derde feit dan ook partieel worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 2 subsidiair (1ste cumulatief, 2de gedachtestreepje en 2de cumulatief) en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2.
[medeverdachte 1] of een mededader, in of omstreeks de periode van 7 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te ’s-Gravenhage,
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door:
meermaals met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten
en
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten;
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door de schutter van en naar de plaats delict te vervoeren en/of de vluchtauto te besturen
3.
hij in de periode van 9 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool type Parabellum, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar en vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende de gevorderde gevangenisstraf te matigen zodat deze gelijk is aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft hiertoe gewezen op rol die de verdachte had bij het bewezenverklaarde, zijn proceshouding, zijn jonge leeftijd en zijn overige persoonlijke omstandigheden.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan twee bedreigingen die zijn geuit in de vorm van het in de nacht schieten op de voordeur van twee woningen, op 9 en 10 augustus 2025. De beschietingen vormden onderdeel van een reeks incidenten. De verdachte bracht de schutter beide keren naar de betreffende woning en zorgde ervoor dat ze na de beschieting met de auto snel weg konden komen. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen.
De beschietingen zijn voor de bewoners van de getroffen woningen zeer beangstigend geweest. Bij een van de twee woningen lag er tijdens de beschietingen een persoon te slapen in de slaapkamer recht tegenover de voordeur. Dat zij niet is geraakt door een van de kogels is uitsluitend aan geluk te danken. Dat de impact op haar nog altijd groot is, is gebleken uit de toelichting op de vordering tot vergoeding van schade die namens haar is ingediend. Bij de andere woning waren de bewoners niet thuis tijdens de beschieting. Zij werden tijdens en na hun vakantie geconfronteerd met de beschieting en de schade die daar het gevolg van was. Ook moesten zij hun woning op last van de burgemeester tijdelijk – met een pasgeboren baby – verlaten. Meer in het algemeen overweegt de rechtbank dat schietincidenten als de onderhavige zorgen voor sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank rekent de verdachte dit alles ernstig aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 juni 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder voor misdrijven is veroordeeld. Bovendien liep de verdachte, toen hij de thans bewezenverklaarde strafbare feiten pleegde, nog in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdachte heeft op de terechtzitting voor het eerst een (inhoudelijke) verklaring afgelegd waarin hij bekent dat hij de chauffeur was op 9 en 10 augustus 2025. De verdachte heeft op vragen van de rechtbank, naar de achtergronden van het gebeurde en de aanloop ernaartoe, echter nauwelijks antwoord gegeven en heeft ook ontkend te hebben geweten dat er zou worden geschoten. Uit de verklaringen van de verdachte kan dus niet worden opgemaakt dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn betrokkenheid, die in het voordeel van de verdachte zou moeten worden meegewogen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting alsmede bij uitspraken in vergelijkbare strafzaken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank op dit moment geen aanknopingspunten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.203,84, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 203,84 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 22.192,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.192,55 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
[slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke (hoofdelijke) toewijzing van de vordering, dat wil zeggen met uitzondering van de schade die aan de woning is ontstaan ten gevolge van de explosie op 8 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
[slachtoffer 1]
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering vanwege de korte termijn waarop de vordering is ingediend, dan wel vanwege onvoldoende onderbouwing. De stukken zijn niet opgesteld in de Nederlandse taal en kunnen derhalve niet worden getoetst op betrouwbaarheid en authenticiteit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot € 2.000,-.
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen voor wat betreft het stuc- en schilderwerk, nu dit is veroorzaakt door een explosie op 8 augustus 2025. Subsidiair heeft de raadsman verzocht benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen ten aanzien van het stuc- en schilderwerk, vanwege onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van de overige materiële kosten heeft de raadsman bepleit de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering vanwege onvoldoende onderbouwing, dan wel vanwege onvoldoende rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten, dan wel het bedrag te matigen. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering van de gevorderde immateriële schade wegens onvoldoende onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot € 2.675,--.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële kosten, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 subsidiair (tweede cumulatief) bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 (tweede cumulatief) bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,--. Dit bedrag is lager dan gevorderd, omdat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de Rotterdamse schaal, in het bijzonder categorie 19.3 ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing (art. 157 Sr)’, ‘meest ernstig’, waarbij een bandbreedte is bepaald van € 5.000,- tot € 8.000,-.. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze categorie, hoewel het in het onderhavige geval niet gaat om een ontploffing, aan bij de onderhavige situatie waarbij er herhaaldelijk op de woning van de benadeelde partij is geschoten met een vuurwapen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag aan immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is, gelet op het voorgaande, namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.203,84, bestaande uit € 203,84 aan materiële schade en € 8.000,-- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,-- vanaf 9 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schadeposten vanaf die data zijn ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 subsidiair (tweede cumulatief) bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.203,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, ten behoeve van [slachtoffer 1].
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post eigen bijdrage bezwaarprocedure woningsluiting, is namens de verdachte betwist, maar namens de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 subsidiair (eerste cumulatief) bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Ten aanzien van de post die betrekking heeft op huurkosten voor een vervangende woning kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, naar het oordeel van de rechtbank, de schade die de benadeelde partijen hebben geleden worden begroot op € 1.000,- (gelijk aan twee maanden huur). Dit bedrag is gebaseerd op de duur van de woningsluiting en de tijd die nodig was om terug te keren naar de woning.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt de schade vast overeenkomstig de offerte die bij het verzoek om schadevergoeding is gevoegd. In totaal betreft het een bedrag van € 13.516,55. In deze offerte zijn ook kosten opgenomen die samenhangen met de explosie op 8 augustus 2025, terwijl de bewezenverklaring daar geen betrekking op heeft. Het gaat om € 3.705,- aan schilder- en stucadoorkosten en algehele kosten die zijn uitgedrukt als een percentage van het geheel, zoals kosten voor projectbegeleiding en BTW. Deze algemene kosten bedragen € 1.482,-. Ter terechtzitting is namens de benadeelde partijen toegelicht dat ook de kosten die het gevolg zijn van de explosie voor rekening moeten komen van de verdachte, omdat hij kan worden aangemerkt als deelnemer aan groepsgeweld in de zin van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende en dat maakt dat ook de schade ten gevolge van de explosie hier volgens de benadeelde partijen onder moet vallen. Dat er sprake is van een groepsverband en een duidelijke samenhang tussen de bewezenverklaarde feiten en de explosie van 8 augustus 2025 is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal om die reden de kosten die betrekking hebben op herstel van schade die is ontstaan door de explosie in mindering brengen op het gevorderde bedrag. Dit leidt tot de slotsom dat de materiële schade ten aanzien van de herstelwerkzaamheden wordt vastgesteld op € 8.329,55. .
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 2 subsidiair (eerste cumulatief) bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op hun vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank verwijst hiertoe naar de Rotterdamse schaal, in het bijzonder categorie 19.3 ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing (art. 157 Sr)’, ‘ernstig’, waarbij een bandbreedte is bepaald van € 1.000,- tot € 5.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank, sluit deze categorie bij gebrek aan een aparte categorie voor bedreiging in de vorm van schieten (op een woning bij afwezigheid van de bewoners) met een vuurwapen, het beste aan bij de onderhavige situatie.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag aan materiële en immateriële schade, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is, gelet op het voorgaande, namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 14.505,55, bestaande uit € 9.505,55 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 subsidiair (eerste cumulatief) bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.505,55, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025, ten behoeve van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
In het dossier bevindt zich een schriftelijke vordering van 19 december 2025. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 10/060814-23 door de meervoudige kamer van de rechtbank te Rotterdam op 27 juni 2023 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor duur van 8 maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. De raadsman heeft hiertoe gewezen op het belang van de (thans geldende) bijzondere voorwaarden die de kans op herhaling verminderen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht slechts een deel van de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen en dit om te zetten naar een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 19 december 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Rotterdam d.d. 27 juni 2023, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 48, 49, 57, 60 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair (cumulatief/alternatief) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 subsidiair (cumulatief) en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2 subsidiair (cumulatief):
medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 (twee-en-veertig) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 8.203,84 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.203,84 vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 66 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als (een van) de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;
ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 14.505,55 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3];
bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partijen, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.505,55 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald; ten behoeve van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 97 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als (een van) de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Rotterdam op 27 juni 2023, gewezen onder parketnummer 10/060814-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rootring, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.