ECLI:NL:RBDHA:2026:22383

ECLI:NL:RBDHA:2026:22383

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer 09/021544-26; 10/244275-22 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bedreiging in vereniging door in de lucht te schieten, vuurwapenbezit en handel in vuurwapens, meermalen gepleegd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/021544-26; 10/244275-22 (tul)

Datum uitspraak: 3 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 januari 2026, 17 april 2026 (beide pro-forma), 13 juli 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 augustus 2026 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 augustus 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in het rond te schieten en/of schoten af te vuren;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 juni 2025 tot en met 13 november 2025 te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, één of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- Parabellum, kaliber 9mm (7 augustus 2025: [p. 1463 en 1276)

- een of meer (semi automatische) pistolen, merk Glock, een onbekend model (p.1476 en 1485), model 19 (p. 1477 en 1489) en/of merk CZ, model 70 (p. 1477 en 1490) en/of merk FN, model 1906 (p. 1477 en 1491)

zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 december 2025 tot en met 18 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal zonder erkenning, een of meer wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- semi automatisch pistool van het merk Glock, model onbekend (p. 1478 en 1486)

- een/of meer automatische pistolen van het merk Glock, onbekend model (p. 1479 en 1492)

heeft vervaardigd of in de uitoefening van een bedrijf heeft uitgewisseld of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of heeft verhandeld en/of heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en/of levering van een of meer (vuur)wapen(s) en munitie terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf een beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

Op 7 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur komen bij de politie meldingen binnen dat er knallen of schoten zijn gehoord op het [straatnaam] in Den Haag. Later die dag, rond 12.30 uur, worden zes kogelhulzen gevonden ter hoogte van [adres 1] .

Twee dagen later, op 9 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, komt bij de politie de melding binnen dat er is geschoten op de [adres 2] te Den Haag, een woning op de derde verdieping van een appartementencomplex.

De volgende dag, op 10 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, wordt er wederom geschoten op het [straatnaam] . In de voordeur van [adres 3] bevinden zich zeven kogelinslagen. Acht meter van de woning worden zeven kogelhulzen aangetroffen. In de woning is niemand aanwezig op het moment van de beschieting van de voordeur.

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is [verdachte] als verdachte aangemerkt ten aanzien van het schietincident dat plaatsvond op 7 augustus 2025(feit 1). [verdachte] zou op die datum de schutter zijn geweest. Uit hetzelfde strafrechtelijk onderzoek zijn ook andere verdenkingen tegen de verdachte gerezen, bestaande uit – kort gezegd – vuurwapenbezit (feit 2) en handel in vuurwapens (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Voor zover van belang zal hierna nader uiteen worden gezet wat de raadsvrouw hiertoe heeft gesteld en zal de rechtbank hierop ingaan.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij het schietincident op 7 augustus 2025 worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven. De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en op de overige bewijsvragen.

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Schietincident op 7 augustus 2025 ( [adres 3] )

Op de telefoon van de verdachte wordt in de applicatie Snapchat op 7 augustus 2025 om 2.01 uur als locatie weergegeven: Het Oord, Den Haag. Dit is in de buurt van het [straatnaam] . Pas om 12.19 uur is de volgende locatie weergegeven: Polderbaan, Rotterdam.

Rond 3.00 uur die nacht worden door buurtbewoners van het [straatnaam] meerdere knallen gehoord en komen meldingen binnen bij de politie. Op camerabeelden vanaf een woning aan het [straatnaam] rond dat tijdstip is te zien dat twee mannen richting de plaats lopen vanaf waar de schoten zijn afgevuurd. De ene man is gekleed in een grijs trainingspak en de andere man is gekleed in het zwart. De man in het zwart heeft een telefoon in zijn rechterhand (waarvan het scherm brandt). Een minuut later rennen de mannen in tegengestelde richting terug.

Op een filmpje dat is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is het volgende te zien. Een man die buiten een auto staat, leunt naar binnen, vooral zijn armen zijn te zien. Aan de armen is te zien dat hij een trainingsjasje draagt en dat zijn linkerarm vol staat met tatoeages. De man houdt een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp vast en haalt het magazijn eruit en laat de patronen die erin zitten zien. De man doet dit met zijn blote handen; hij draagt geen handschoenen. Er wordt in het Papiaments gevraagd hoeveel kogels erin zitten. [medeverdachte] heeft dit filmpje op 7 augustus 2025 om 3.59 uur verstuurd.

Uit onderzoek van de politie blijkt dat de man op de camerabeelden van het [straatnaam] en de man op het filmpje in de auto een zelfde soort grijs trainingspak dragen van het merk Under Armour. De man op het filmpje in de auto heeft bovendien opvallende tatoeages op zijn linkerarm. Op een foto, aangetroffen op een telefoon in een ander onderzoek, staat de verdachte met een zelfde type trainingspak. Ook is een trainingspak van dit type aangetroffen bij de doorzoeking van de verdachte zijn woning. Verder blijkt dat de verdachte tatoeages op zijn linker(onder)arm heeft die overeenkomen met de tatoeages op de arm van de man op het filmpje.

Op de telefoon van [medeverdachte] is nog een ander filmpje aangetroffen dat hij om 4.13 uur die nacht heeft verstuurd. Op dit filmpje wordt een andere telefoon gefilmd. Op de telefoon die wordt gefilmd is te zien dat er meldingen van Snapchatberichten binnenkomen afkomstig van het Snapchat-account van de verdachte. Verder is op de gefilmde telefoon te zien dat een man op het [straatnaam] met een grijs trainingspak, dat lijkt op het eerder genoemde grijze trainingspak van het merk Under Armour, ter hoogte van nummer [huisnummer], meerdere keren met een vuurwapen in de lucht schiet. Na het schieten lopen de schutter en de filmer samen weg.

Rond 12.30 uur die dag worden zes kogelhulzen aangetroffen. Op één van de hulzen wordt DNA-materiaal aangetroffen dat een match oplevert met het DNA-materiaal van de verdachte.

Het voorgaande komt erop neer dat de telefoon van de verdachte een uur voorafgaand aan het schietincident aanwezig was in de directe nabijheid van de plek waar is geschoten. Dit is rond 02.00 in de nacht, terwijl de verdachte niet in die buurt woont. Ook is sprake van een DNA-match op één van de aangetroffen hulzen en kan de verdachte gelinkt worden aan beelden met betrekking tot het schietincident door middel van het Under Armour trainingspak. Die nacht is er bovendien een filmpje verstuurd waarop de verdachte wordt herkend aan zijn tatoeages en hetzelfde trainingspak en waarop is te zien dat hij in de weer is met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor deze bevindingen, anders dan dat hij wel eens een nepvuurwapen in zijn handen heeft gehad. Daarmee is echter geen verklaring gegeven voor de DNA-match op de aangetroffen huls. Het voorgaande in samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 7 augustus 2025 heeft geschoten met een vuurwapen op het [straatnaam] .

Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van het DNA-onderzoek, maakt het voorgaande niet anders. Dat het materiaal dat wordt aangetroffen op de huls een onvolledig DNA-profiel betrof, doet immers niet af aan de bewijswaarde van dit spoor. Ook een onvolledig DNA-profiel kan voldoende specifieke (zeldzame) kenmerken hebben die een vergelijking mogelijk maken, hetgeen het geval is in de onderhavige zaak. De DNA-deskundige constateert dat de bewijswaarde (op bronniveau) zeer hoog is. De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van de verdachte juist is, dan wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van één onbekende persoon juist is.

Dat de huls een verplaatsbaar object is, zoals door de raadsvrouw naar voren is gebracht, verandert de conclusie evenmin. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De huls is samen met de andere hulzen aangetroffen op de plaats delict. Alle hulzen zijn, zo blijkt uit onderzoek, afgeschoten met hetzelfde vuurwapen. Anders dan in veel van de door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie ten aanzien van DNA-onderzoek in relatie tot verplaatsbare objecten staat in dit geval het voorwerp, de huls, in een direct verband met het gepleegde feit. De huls is een essentieel onderdeel van een patroon en is geen alledaags voorwerp. Bovendien blijft de huls na het afvuren van de kogel achter. In dat kader is van belang dat de huls diezelfde dag is aangetroffen op de plaats waarvandaan de schoten hebben plaatsgevonden. Voor het scenario dat de huls daar op een andere manier is gekomen, bestaat geen begin van aannemelijkheid. Daar komt bij dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet op zichzelf staan. De rechtbank waardeert het DNA-bewijs in samenhang met de overige bewijsmiddelen en verwijst daarvoor naar wat hiervoor al is overwogen.

De rechtbank acht op grond van de voorgaande overwegingen bewezen dat de verdachte de schutter is geweest op het [straatnaam] op 7 augustus 2025 rond 3.00 uur.

Was sprake van bedreiging?

Voor een beoordeling ter zake van bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk van de bedreiging op de hoogte is geraakt en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Niet is vereist dat de bedreiging rechtstreeks aan de bedreigde is gedaan en evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van een vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het zich bedreigd voelen door de bedreigde moet door de rechter redelijkerwijs verondersteld worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat het met een vuurwapen in de buurt van de woning aan het [adres 3] meermalen in de lucht schieten een bedreiging tegen het leven gericht oplevert. Deze handeling op zichzelf is zonder meer geschikt om bij de bewoners de redelijke vrees te wekken dat zij het leven zullen verliezen. Het schieten met het vuurwapen op 7 augustus 2025 betekende bovendien het begin van een reeks van vier opeenvolgende incidenten gedurende vier opeenvolgende nachten.. De bewoners waren weliswaar op vakantie, maar werden hiervan door familie en buren op de hoogte gesteld. De kans dat de bewoners, ook al waren zij niet aanwezig, geïnformeerd zouden worden over het schietincident is aanmerkelijk en de verdachte moet dit hebben geweten. Door met het vuurwapen te schieten heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans ook aanvaard.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank ziet deze nauwe en bewuste samenwerking met name in de filmpjes die zijn gemaakt door de mededader die het checken van het aantal kogels van het vuurwapen heeft gefilmd en met de verdachte is meegelopen om het schieten van nabij te filmen.

3.4.2.1. Voorhanden hebben vuurwapens (feit 2)

Op het [straatnaam] zijn, zoals hiervoor is overwogen zeven kogelhulzen aangetroffen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de hulzen afkomstig zijn uit een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm type Parabellum. Nu vaststaat dat de verdachte de schutter was op 7 augustus 2025, volgt daaruit eveneens dat het voorhanden hebben van dit vuurwapen bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van de overige vuurwapens overweegt de rechtbank dat de verdenking alleen is gebaseerd op foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte. De foto’s zijn geduid door een verbalisant, die dagelijks is belast met onderzoek naar (vuur)wapens. In het proces-verbaal staat onder meer dat op de foto’s hoogstwaarschijnlijk echte vuurwapens zijn afgebeeld. In het proces-verbaal is echter niet uitgelegd waar die conclusie op is gebaseerd, bijvoorbeeld op basis van uiterlijke kenmerken die duiden op (echte) vuurwapens in plaats van voorwerpen die op vuurwapens lijken. Daar komt bij dat is geverbaliseerd dat pas met zekerheid kan worden vastgesteld dat het echte wapens zijn indien de verbalisant de wapens in zijn handen heeft gehad en deze nader heeft kunnen onderzoeken. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat het gaat om vuurwapens in plaats van op vuurwapen gelijkende voorwerpen. De verdachte zal daarom van dit feit partieel worden vrijgesproken.

3.4.2.2. Handel in vuurwapens (feit 3)

Het toetsingskader

Artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM) stelt strafbaar het zonder erkenning vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van een wapen of munitie.

Sinds de wijziging van de WWM van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van de zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die geen wapens in bezit heeft.

Chatgesprekken

Uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte in ieder geval twee gesprekken heeft gevoerd. Eén gesprek over de aankoop en één gesprek over de verkoop van vuurwapens. Daarbij zijn er afbeeldingen en/of videomateriaal van vuurwapens uitgewisseld en is er gesproken over aan- en verkoopprijzen. Of er daadwerkelijk een transactie heeft plaatsgevonden dan wel of de vuurwapens uiteindelijk van eigenaar zijn gewisseld, is voor een bewezenverklaring niet noodzakelijk. Ook als een transactie uiteindelijk niet is doorgegaan, laat dat onverlet dat de verdachte de onderhandelingen over (potentiële) transacties heeft gevoerd.

Echte vuurwapens

De verdediging heeft aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat de vuurwapens op de afbeeldingen echte, werkende vuurwapens zijn.

De rechtbank overweegt dat de afbeeldingen en het videomateriaal van de vuurwapens die zijn aangetroffen op de iPhone 13 van de verdachte zijn beoordeeld door een wapendeskundige van de politie. De wapendeskundige concludeert op basis van de uiterlijke kenmerken van de op de foto’s afgebeelde vuurwapens dat het hoogstwaarschijnlijk om echte (verboden) vuurwapens gaat die vallen in de categorie III van de Wet wapens en munitie. Zoals hiervoor is overwogen, is dat op zichzelf niet genoeg om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van echte vuurwapens. Anders dan voor de wapens die zijn opgenomen onder feit 2, bevat het dossier ten aanzien van feit 3 echter ook chatgesprekken.

Uit de gesprekken maakt de rechtbank op dat het om echte vuurwapens gaat, meer specifiek uit de genoemde prijzen en bewoordingen (bijvoorbeeld ‘orgi’, waarmee – zo begrijpt de rechtbank – wordt geïnformeerd naar de echtheid van het wapen en waarop een bevestigende reactie komt: ‘is origineel’).

Conclusie

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat die wapens echte, scherp-schietende vuurwapens zijn en dat het dus gaat om wapens van categorie III als bedoeld in de WWM. Van het onderdeel “beroep of gewoonte maken” van wapenhandel wordt de verdachte partieel vrijgesproken Het handelen van de verdachte kwalificeert daarmee als het verhandelen van wapens in de zin van artikel 9 van de Wet wapens en munitie.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 7 augustus 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door meermaals met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , schoten af te vuren;

2.

hij op 7 augustus 2025 te 's-Gravenhage, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- Parabellum, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 16 december 2025 tot en met 18 december 2025 in Nederland zonder erkenning, ten aanzien van wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- semi automatisch pistool van het merk Glock, model onbekend

- automatische pistolen van het merk Glock, onbekend model

heeft onderhandeld over de aankoop en/of verkoop .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en vijf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft hiertoe gewezen op de opgelegde straffen in vergelijkbare zaken, alsmede op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Op 7 augustus 2025 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een bedreiging door in de buurt van een woning met een vuurwapen in de lucht te schieten. Dit schietincident vormde de start van een reeks incidenten in de daarop volgende drie dagen. Bedreigingen als deze zijn voor de directe slachtoffers zeer beangstigend. De bedreigingen hadden voor hen bovendien ook grote gevolgen. Zij moesten hun woning op last van de burgemeester tijdelijk – met een pasgeboren baby – verlaten. Ook in meer algemene zin dragen zulke misdrijven bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en tweemaal aan de handel in vuurwapens. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, omdat het bezit van vuurwapens maar al te vaak leidt tot het gebruik ervan, met alle mogelijke gevolgen van dien. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale wapenhandel in Nederland en daarmee aan de mogelijkheid dat deze wapens worden gebruikt.

De rechtbank rekent de verdachte dit alles ernstig aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Bovendien liep hij, toen hij de thans bewezenverklaarde strafbare feiten pleegde, nog in de proeftijd van deze eerdere veroordeling en werd hij begeleid door de reclassering. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 29 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere gebieden, te weten: dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, houding en gedrag. Eerder reclasseringstoezicht verliep moeizaam. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte, bij wijze van laatste kans, hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden die zien op de aanpak van de hiervoor genoemde problematiek.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting alsmede bij uitspraken in vergelijkbare strafzaken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanknopingspunten; de verdachte stond al onder reclasseringstoezicht en heeft de onderhavige feiten tijdens zijn proeftijd begaan. De rechtbank overweegt verder dat het werken aan de door de reclassering genoemde problematiek op een later moment kan plaatsvinden, in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 22.192,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.192,55 aan materiële schade en € 6.000,-- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke (hoofdelijke) toewijzing van de vordering, dat wil zeggen met uitzondering van de schade die aan de woning is ontstaan ten gevolge van de explosie op 8 augustus 2025 (te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen, waarbij rekening wordt gehouden met het (beperkte) aandeel van de verdachte in de schade en niet aan te sluiten bij de regeling voor groepsaansprakelijkheid.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partijen geen rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De materiële schade aan de woning is ontstaan ten gevolge van de explosie op 8 augustus 2025 en het schietincident op 10 augustus 2025 en niet ten gevolge van het schietincident op 7 augustus 2025 dat bewezen is verklaard. Ter terechtzitting is namens de benadeelde partij toegelicht dat de materiële schade desalniettemin voor rekening dient te komen van de verdachte, omdat hij kan worden aangemerkt als deelnemer aan groepsgeweld in de zin van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende en dat maakt dat ook de schade ten gevolge van de explosie en het schietincident dat op 10 augustus 2025 plaatsvond hier volgens de benadeelde partijen onder zouden moeten vallen. Dat er sprake is van een groepsverband en een duidelijke samenhang tussen het bewezenverklaarde feit, de explosie van 8 augustus 2025 en het schietincident op 10 augustus 2025 is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op hun vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,--. De rechtbank verwijst hiertoe naar de Rotterdamse schaal, in het bijzonder categorie 19.5 ‘Bedreiging (art. 285 Sr)’, waarbij een bandbreedte is bepaald tot € 1.500,-.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag aan immateriële schade, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025, ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

In het dossier bevindt zich een schriftelijke vordering van 9 juni 2026. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 10/244275-22 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Rotterdam op 20 januari 2023 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor duur van zes maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de officier van justitie niet toe te wijzen, maar de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te verlengen met de duur van een jaar.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 9 juni 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 9 juni 2026, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 47, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de gevorderde immateriële schade deels toe tot een bedrag van € 1.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige deel van de gevorderde schade niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Rotterdam d.d. 20 januari 2023, gewezen onder parketnummer 10/244275-22, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. F.M. Guljé, rechter,

mr. S. Pereth, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Rootring
  • mr. S. Pereth

Griffier

  • mr. J.M. Molenaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand