RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5195
[eiser 1] B.V., [eiser 2] , [eiser 3] en B.V. [eiser 4], allen uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven),
en
(gemachtigde: mr. S. Verouden).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Holland Steen B.V. uit Nieuw-Vennep, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. J.R. Beelen).
1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van vijf hostelkamers aan [adres] . Eisers zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende vergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van vijf hostelkamers aan [adres] (het pand). Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de verlening gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Vergunninghoudster heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Namens vergunninghoudster zijn de gemachtigde en [naam] verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van een voormalige discotheek en bergruimte in vijf hostelkamers op de begane grond van het pand. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet (Ow). De omgevingsvergunning is verleend voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 4.1 van de planregels. Hostelkamers vallen onder horeca categorie 6 en zijn daarmee in strijd met de op het pand rustende bestemming, die alleen horeca-activiteiten van categorie 1 tot en met 4 toestaat. Hostelkamers zijn volgens het college echter een minder zware horeca categorie dan de oude bestemming als discotheek, waardoor het woon- en leefklimaat van omwonenden niet wordt aangetast. Verder voldoet de aanvraag aan de voorwaarde in artikel 4.1.1 van de planregels, dat aan de gemeentelijke parkeernormen zoals neergelegd in ‘Nota Parkeernormen 2020’ moet worden voldaan. Aan de toenemende parkeerbehoefte wordt met het bouwplan namelijk tegemoetgekomen door de realisatie van parkeerplaatsen op het perceel.
Met het bestreden besluit is het college bij de verlening gebleven, onder verwijzing naar het advies van de regionale commissie bezwaarschriften (de commissie). Volgens de commissie sluit de aanvraag aan op het beleid van de gemeente, omdat de hostelkamers kunnen bijdragen aan het vitaal houden van de retail en horeca. Verder is niet gebleken dat onredelijke hinder voor eisers ontstaat, omdat aan de parkeernormen wordt voldaan, het pand ondanks een smalle ingang en rijbaan voldoende bereikbaar is, en het gaat om een kleinschalig hostel met een beperkt aantal kamers.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 juli 2024. Dat betekent dat in dit geval de Ow van toepassing is.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunning op ziet, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen ‘Zeewaardig’ en ‘Correctie Zeewaardig, fase 2’ van kracht. Die bestemmingsplannen maken sinds 1 januari 2024 dus deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Noordwijk (het omgevingsplan).
Op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan ‘Zeewaardig’ is aan het perceel de bestemming ‘Centrum’ toegekend. De gronden waarop het pand is gevestigd zijn volgens deze bestemming onder andere bestemd voor detailhandel, dienstverlening, horeca-activiteiten van categorie 1 tot en met 4, wonen op de verdieping, aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven.
Op grond van artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan ‘Correctie Zeewaardig, fase 2’ is het bebouwen van gronden uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormen ten behoeve van (vracht)auto’s en overige verkeersvoertuigen en de bijbehorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading zoals die zijn neergelegd in ‘Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013’, dan wel de opvolger daarvan.
Mocht het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verlenen?
6. Het staat niet ter discussie dat het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan, omdat het voorziet in horeca categorie 6, die niet is toegestaan op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan ‘Zeewaardig’. De vergunning kan dus alleen worden verleend als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Eisers betogen dat met het bouwplan geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het pand is gelegen in een binnenterrein met bedrijfsbebouwing dat alleen te bereiken is via een smalle steeg op grond van een recht van overpad. Het is onwenselijk dat aan dit terrein een extra publieksfunctie wordt toegevoegd die een onbepaalde groep mensen aantrekt. Door het bouwplan zal meer verkeer aangetrokken worden en zullen eisers om die reden verkeershinder ervaren. Zo kunnen de bezoekers van het pand de in- en uitgang van het binnenterrein blokkeren, waardoor omliggende bedrijven, zoals die van eisers, niet tijdig bevoorraad kunnen worden en bestellingen niet tijdig worden bezorgd. Dat met het bouwplan aan de parkeernorm wordt voldaan, is volgens eisers onvoldoende om te concluderen dat ook op dat punt geen hinder kan worden ervaren.
De rechtbank overweegt dat het begrip ‘evenwichtige toedeling’ in het Bkl niet nader is omschreven. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt, en dat het de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat voldaan wordt aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en heeft het de omgevingsvergunning mogen verlenen. Het college heeft zich navolgbaar op het standpunt gesteld dat met het bouwplan de functie wordt gewijzigd naar een lichtere categorie horeca, namelijk van discotheek naar hostelkamers, en het heeft dit mogen betrekken bij zijn conclusie dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Verder voldoet het bouwplan, zoals eisers niet hebben betwist, aan de Nota Parkeernormen 2020. Volgens het college biedt de parkeerstrook en het brede trottoir aan het einde van de rijbaan voldoende opstelruimte om verkeersopstopping te voorkomen, ondanks dat de rijbaan naar het binnenterrein smal is. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de aanvraag geen onredelijke verkeershinder veroorzaakt. Bovendien heeft vergunninghoudster in haar reactie toegelicht dat de verkeersgeneratie voor een één-ster-hotel met vijf kamers, waar een hostel ook onder valt, op de locatie van het pand volgens de Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen 2024 van de CROW slechts 1,25, of afgerond 2, voertuigen per etmaal bedraagt, en dat de parkeervraag maximaal 1 parkeerplaats is. Zowel de parkeerbehoefte als de verkeersgeneratie daalt met dit bouwplan ten opzichte van de vorige situatie waarbij sprake was van een discotheek, welke situatie overigens nog altijd bij recht is toegestaan. Eisers hebben deze aantallen niet gemotiveerd bestreden. Voor zover eisers met hun stellingen dat het terrein bestemd is voor privégebruik en dat sprake is van een erfdienstbaarheid die toegang tot het hostel mogelijk niet toestaat, bedoelen te betogen dat het bouwplan vanwege privaatrechtelijke belemmeringen niet kan worden gerealiseerd, overweegt de rechtbank dat deze stellingen niet nader zijn onderbouwd. Alleen al daarom ziet de rechtbank geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor realisatie van het bouwplan.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit, en dus ook de vergunning, in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.