RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen.
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3352
(gemachtigde: mr. B.F. van Es),
en
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2])
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de definitieve berekening van haar recht op huur- en zorgtoeslag voor 2020. Eiseres is het niet eens met deze besluitvorming en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over deze zaak.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de definitieve berekening van de huur- en zorgtoeslag op juiste gronden heeft vastgesteld. Ook mocht verweerder besluiten tot terugvordering van het teveel betaalde voorschot. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 3 mei 2024 (primaire besluit) is het recht op huurtoeslag en zorgtoeslag van eiseres voor het jaar 2020 definitief berekend en verlaagd ten opzichte van het verstrekte voorschot aan toeslagen.
Met het bestreden besluit van 1 april 2025 heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist en is bij de definitieve berekening van de huur- en zorgtoeslagen in het primaire besluit gebleven.
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1955 in [geboorteland]. Eiseres verblijft sinds 1999 in Nederland en staat in de BRP ingeschreven op [adres] in [plaats].
Wat heeft verweerder besloten?
4. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat eiseres in het jaar 2020 gehuwd was en op hetzelfde adres stond ingeschreven en samenwoonde met de thans wijlen dhr. [naam 1]. Verweerder heeft op grond daarvan geconcludeerd dat zij in 2020 als toeslagenpartners hadden te gelden. Ook is gebleken dat het gezamenlijke jaarinkomen van de toeslagenpartners voor 2020 hoger was dan het geschatte jaarinkomen. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan het jaarrecht op zorgtoeslag en huurtoeslag herberekend voor 2020. Verweerder heeft in het primaire besluit het recht op huurtoeslag vastgesteld op nihil en het recht op zorgtoeslag op €355,-. Omdat eiseres en haar toeslagpartner teveel toeslag hadden ontvangen, heeft verweerder ook besloten tot terugvordering. Na bezwaar zijn deze conclusies door verweerder onverkort gehandhaafd.
Wat zijn de toepasselijke regels?
5. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
6. Eiseres is het niet eens met de herberekening van de toeslagen voor 2020 en het besluit van verweerder tot terugvordering. Ten eerste voert eiseres in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres vanaf 1976 wettig gehuwd was met [naam 1], nu uit een door eiseres overlegde huwelijksakte uit Slowakije blijkt dat eiseres vanaf 1973 al wettig gehuwd was met dhr. [naam 2]. Eiseres stelt dat enkel sprake is geweest van een kerkelijk huwelijk met [naam 1] en dat de registratie van dit huwelijk in de BRP berust op een misverstand ontstaan tijdens een gehoor van [naam 1] bij de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst (afgekort: IND) in 1999. Ook voert eiseres aan dat een BRP registratie geen bindende bewijskracht heeft als daarin aantoonbaar onjuiste gegevens staan.
Eiseres voert ook aan dat - naast het ontbreken van een rechtsgeldig huwelijk - niet anderszins sprake is geweest van fiscaal partnerschap met [naam 1]. Verweerder kan niet uitgaan van de gezamenlijke aangiften inkomstenbelasting die eiseres en [naam 1] hebben ingediend, laatstelijk in 2018. Eiseres spreekt slecht Nederlands, heeft altijd hulp nodig bij het doen van belastingaangiftes en daarom mag niet uitgegaan worden van de informatie in deze aangiftes. In dit kader stelt eiseres dat zij niets wist van deze aangiftes, dat [naam 1] deze zonder haar medeweten heeft gedaan en dat er iets fouts gegaan is. Daarbij stelt eiseres ook dat in 2020 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met [naam 1], in de zin van economische verwevenheid en gedeelde zorgverantwoordelijkheid tussen hen. Het enkele feit dat eiseres en [naam 1] op hetzelfde adres stonden ingeschreven en feitelijk samenwoonden is onvoldoende om fiscaal partnerschap aan te nemen.
Ook vindt eiseres het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In een procedure bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over de vaststelling van het recht op een uitkering is eiseres namelijk niet als erfgenaam van [naam 1] aangemerkt, terwijl het UWV ook samenwoning tussen hen aannam. Verweerder had dit oordeel van het UWV moeten betrekken bij zijn besluitvorming.
Tot slot doet eiseres ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De terugvorderingen van de toeslagen hebben grote financiële impact op eiseres. Deze problemen zijn enkel het gevolg van administratieve misverstanden en een onjuiste inschrijving van een huwelijk in het BRP. Deze problemen zijn niet aan eiseres te wijten vanwege haar taalbarrière en psychische problematiek.
7. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden besloten tot herberekening van het recht op huur- en zorgtoeslag van eiseres voor 2020 en vervolgens tot terugvordering van de teveel uitgekeerde bedragen. Bij deze besluitvorming is verweerder er terecht van uitgegaan dat eiseres en [naam 1] voor 2020 als toeslagpartners hadden te gelden. Niet in geschil is namelijk dat eiseres en dhr. [naam 1] in 2020, net als in de daaraan voorafgaande jaren op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de BRP en daar allebei ook feitelijk woonden. Vaststaat ook dat eiseres en [naam 1] laatstelijk in 2018 - met begeleiding van een fiscaal adviseur - gezamenlijke aangifte voor de inkomstenbelasting hebben gedaan en daar elkaar aangemerkt hebben als fiscale partners. Verweerder mocht op grond van het voorgaande reeds concluderen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toeslagpartnerschap op grond van het in 2020 geldende artikel 3, tweede lid en onder g van de Awir.
Het betoog dat niet van de informatie in de eerdere belastingaangifte van 2018 mag worden uitgegaan, omdat eiseres slecht Nederlands spreekt en altijd begeleiding en hulp nodig heeft bij het doen van belastingaangifte, wordt niet gevolgd. Ook in die omstandigheden mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens, te meer nu eiseres bij het doen van deze aangifte geholpen is door een fiscaal adviseur die toeziet op een juiste afhandeling van de aangifte. Van wilsgebreken of andere aantoonbare fouten of problemen met deze aangifte is niet gebleken en deze zijn ook niet met enige vorm van objectief bewijs onderbouwd. Dat eiseres niets wist van de gezamenlijke belastingaangifte en dat [naam 1] dit zonder haar medeweten heeft gedaan is, gelet op voorgaande, dan ook niet geloofwaardig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Daarbij, ook als geen sprake was van een partner- of huwelijksrelatie tussen eiseres en [naam 1], mocht verweerder toeslagpartnerschap aannemen op grond van ‘medebewoner’ in artikel 2, eerste lid en onder e van de Awir. Van een overeenkomst voor onderhuur voor een deel van de woning tussen eiseres en [naam 1] is niet gebleken.
De stelling van eiseres dat enkel feitelijk samenwonen op hetzelfde adres onvoldoende is voor toeslagpartnerschap is juridisch onjuist, gelet op voornoemde wettelijke regeling voor de medebewoner, en treft dan ook geen doel. Zoals verweerder namelijk terecht heeft opgemerkt is het begrip toeslagpartner sinds 2012 geobjectiveerd en is het niet meer vereist om een gezamenlijke huishouding op basis van economische verwevenheid en gedeelde zorgverantwoordelijkheden tussen de toeslagpartners aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. Nu verweerder, gelet op rechtsoverweging 8 en 9 van deze uitspraak, al mocht concluderen dat sprake is van toeslagpartnerschap tussen eiseres en [naam 1] voor 2020 hebben partijen geen belang bij een rechterlijk oordeel over de vraag of in dit geval ook sprake is geweest van toeslagpartnerschap op basis van een huwelijk. De rechtbank zal hier dan ook niet inhoudelijk op ingaan.
11. Het betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft in dit kader aan eiseres mogen tegenwerpen dat de vraag of eiseres als erfgenaam kan worden aangemerkt door het UWV getoetst wordt aan andere criteria dan toeslagpartnerschap op grond van de Awir in deze zaak. Nu sprake is van toetsing aan twee verschillende toetsingskaders, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
12. Tot slot mocht verweerder concluderen dat niet aannemelijk gemaakt is dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat terugvorderingen van teveel ontvangen toeslagen impact hebben op de financiële positie van eiseres is evident.
In de individuele situatie van eiseres heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om deze terugvorderingen onevenredig te achten, gelet op de bij het besluit te dienen doelen van zorgvuldige besteding van de publieke middelen. De rechtbank weegt in dit kader mee dat verweerder rekening houdt met eiseres haar persoonlijke situatie. Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht de betaalcapaciteit van eiseres op dit moment 0 betreft en dat er om die reden bij een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling geen actieve terugvorderingen bij eiseres zullen plaatsvinden, maar dat de verschuldigde terugbetalingen verrekend worden met het recht op toeslagen dat zij momenteel heeft. Hierdoor hoeft eiseres niet actief terug te betalen, maar kan zij de terugvorderingen over een periode van drie jaar spreiden en in mindering laten brengen op haar huidige toeslagen. Wat eiseres tegen de terugvorderingen heeft aangevoerd slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het recht op huur- en zorgtoeslag van eiseres voor het jaar 2020 op goede gronden heeft herberekend en verlaagd en mocht besluiten tot terugvordering van de teveel betaalde bedragen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding voor de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 2. Definities
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:
(…)
e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:
1°. de partner van de belanghebbende,
2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,
3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort;
Artikel 3. Partner
1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en
(…)
g. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.