[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman)
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
Eiser heeft op 27 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend in Nederland.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yasin als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser is afkomstig uit [plaats] in de provincie [provincie] en stelt dat hij Syrië in 2013 heeft verlaten vanwege de oorlog. Eiser heeft tot september 2023 in Turkije verbleven en is via Griekenland het grondgebied van de EU ingereisd. Eiser heeft niet eerder asiel aangevraagd.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Syrië vreest voor problemen met zijn oom en zijn neven. Eiser is in 2012 door hen benaderd en onder druk gezet om mee te vechten in het Vrije Syrische Leger. Eiser heeft dit geweigerd en zijn oom en neven verwijten dit hem nog steeds en zien hem als een landverrader. Eiser vreest bij terugkeer nog steeds een risico op ernstige schade vanwege zijn eerdere problemen ten tijde van de oorlog en de militaire dienstplicht onder het Assad-regime. Ook vreest eiser vanwege de onveilige en instabiele situatie in het huidige Syrië.
Wat heeft verweerder besloten?
3. De asielaanvraag van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met oom en neven;
problemen vanwege de oorlog en militaire dienstplicht onder het Assad-regime;
problemen door de onveilige en instabiele situatie in het huidige Syrië.
Verweerder heeft op basis van het echt bevonden individueel uittreksel van de Syrische autoriteiten de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser uit [plaats] in provincie [provincie] in Syrië geloofwaardig geacht. De problemen van eiser met zijn oom en neven zijn niet geloofwaardig geacht. De problemen onder het Assad-regime en de problemen vanwege de onveilige en instabiele situatie in het huidige Syrië is door verweerder niet inhoudelijk op geloofwaardigheid getoetst.
De geloofwaardig geachte asielmotieven leiden niet tot verlening van een asielvergunning, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in Vluchtelingenverdrag, of een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wat vinden eiser beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende – kort en zakelijk weergegeven – aan. Eiser vindt dat de problemen met zijn oom en neef ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Weliswaar geeft eiser aan dat hij niet door de hele buurt als verrader werd gezien, maar hierdoor is het gevaar wat eiser loopt niet minder groot geworden. Eiser voert aan dat hij nog jong was toen hij bedreigd werd en dat hij toen werd beschermd door zijn vader. Verder is het volgens eiser logisch dat hij geen vervelende confrontatie heeft meegemaakt in Turkije met zijn oom en neef omdat eiser hen maar één keer heeft gezien en dat was ook op afstand.
Daarbij vindt eiser dat verweerder onvoldoende gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat er sprake is van een lage mate van willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in [provincie] . Eiser betoogt onder verwijzing naar ambtsbericht van januari 2026 dat hier een veelheid van factoren uit volgt die bijdragen aan instabiliteit en onzekerheid van de veiligheidssituatie. Daarbij heeft verweerder nagelaten om alle relevante humanitaire omstandigheden te betrekken in zijn beoordeling en stelt verweerder ten onrechte dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de beoordeling als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Ook de humanitaire omstandigheden als gevolg van het handelen van een strijdende partij uit het verleden, zoals het regime van Assad, dienen meegewogen te worden. Eiser verwijst hierbij ook naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 december 2025.
Ook vindt eiser dat verweerder ten onrechte het nieuwe beleid heeft toegepast nu verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en eiser hierdoor in een nadeligere positie terecht is gekomen. Ten slotte vindt eiser dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd nu zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
De geloofwaardigheid van eisers problemen met zijn oom en neven
6. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder de problemen van eiser met zijn oom en neven op goede gronden ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft verweerder terecht betrokken dat het bevreemdend is dat eiser al na twee maanden met rust werd gelaten door zijn oom en neven. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het eveneens bevreemdend is dat hij ook in Turkije niet verder door hen is aangesproken of aangespoord om te gaan vechten voor het Vrije Syrische Leger als zij dit eerder zo belangrijk vonden. Dat dit volgens eiser komt omdat eiser zijn oom en neven in Turkije maar één keer heeft gezien, is hiervoor geen aannemelijke verklaring naar het oordeel van de rechtbank. Verder mocht verweerder betrekken dat eiser nooit is gedwongen door zijn oom en neven om mee te vechten met het Vrije Syrische Leger. Verweerder stelt terecht dat dit afdoet aan de geloofwaardigheid van de problemen die eiser met zijn oom en neven ervaarde en de vermoedens die hij daarover heeft geuit. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de problemen van eiser met zijn oom en neven terecht ongeloofwaardig geacht.
Toepassing nieuw beleid
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het nieuwe beleid ten aanzien van Syrië heeft toegepast op de aanvraag van eiser. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 slaagt niet. Het feit dat verweerder te laat heeft beslist op zijn asielaanvraag laat onverlet dat bij het nemen van het besluit getoetst moet worden aan de huidige veiligheidssituatie in het land van herkomst in samenhang met de individuele omstandigheden en het op dat moment geldende beleid. Anders dan de rechtbank in de uitspraak van 24 oktober 2024 heeft geoordeeld, ziet deze rechtbank geen aanleiding het gewijzigde strengere beleid in combinatie met het niet tijdig beslissen door verweerder als een bijzondere omstandigheid aan te merken die maakt dat van genoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Een andere opvatting zou beteken dat verweerder telkens als hij begunstigend beleid intrekt en niet binnen de beslistermijn een besluit neemt, gehouden is het oude beleid toe te passen. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat eiser ook als getoetst wordt met de strengere bewijsmaatstaf een asielvergunning moet worden verleend.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
9. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
10. Verweerder heeft het besluit van 4 maart 2026 gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van januari 2026 dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming meegenomen: de Beslisnota van het Ministerie van Asiel en Migratie over het landenbeleid Syrië van 4 juni 2025, de brief van de Minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië van 10 juni 2025 maar ook informatie van ACLED, UNHCR en het IOM. Met het verweerschrift van 15 juni 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd, wederom onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook informatie betrokken van de EUAA en de SNHR.
11. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026 naar voren komt dat het aantal geweldsincidenten en de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld laag is gebleven. Ook valt uit de genoemde informatie af te leiden dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [provincie] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 8 (september 2025) en 20 (juni 2025). Volgens het UNHCR keerden tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 meer dan 275.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [provincie] . Verweerder heeft ook mogen concluderen dat er ook in [provincie] een verdere afname van het aantal burgerdoden te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat in heel 2025 140 burgerdoden zijn gevallen in [provincie] , waarvan er 58 burgerdoden zijn gevallen in het eerste kwartaal. Hieruit volgt dat er in 2025 een verder afname van het aantal burgerdoden heeft plaatsgevonden. Verder volgt uit de meest recente informatie dat in het eerste kwartaal van 2026 in [provincie] 25 burgerdoden zijn gevallen.
12. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft mogen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in [provincie] veroorzaken en/of in stand houden.
13. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [provincie] .
14. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het feit dat de naar voren gebrachte omstandigheden, zoals zijn werk, mogelijke dakloosheid, het feit dat hij getrouwd is en zijn echtgenote bij hem moet verblijven en de gestelde problemen met zijn oom en neven, niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hierbij is van belang dat van de problemen die eiser stelt te hebben met zijn oom en neven niet ingezien kan worden hoe die maken dat hij meer kans loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld, nog daargelaten dat deze problemen – zoals eerder overwogen – terecht ongeloofwaardig zijn bevonden. Ook de overige omstandigheden zijn niet onderbouwd dan wel zonder meer aannemelijk. Zo is de stelling dat eiser bij terugkeer dakloos zal zijn, niet zonder meer aannemelijk gelet op het feit dat hij familie heeft die in zijn herkomstgebied woont. Eiser heeft verder geen relevante persoonlijke kenmerken aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Artikel 3 van het EVRM
15. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
16. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
17. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Voor zover eiser in dit kader heeft aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, mede gelet op zijn individuele omstandigheden, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 10.4 is overwogen over deze omstandigheden. Aan deze omstandigheden komt om dezelfde redenen in deze beoordeling evenmin gewicht toe. Nu geen sprake is van onderscheidende omstandigheden, heeft eiser – hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie – met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.
Conclusie en gevolgen
19. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.