RECHTBANK DEN HAAG
beschikking
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/685403 / HA RK 25-258
Beschikking van 4 augustus 2026
in de zaak van
1. [verzoekers sub 1] te [woonplaats 1], [land],
2. [verzoekers sub 2]te [woonplaats 1], [land],
3. [verzoekers sub 3]te [woonplaats 2], [land],
4. [verzoekers sub 4]te [woonplaats 2], [land],
verzoekers,
advocaat mr. S.W. Holterman en mr. C.M. Tjoa te Utrecht,
tegen:
1. [verweerder 1] te [woonplaats 3], [land],
2. [verweerder 2]te [woonplaats 4], [land],
3. [verweerder 3]zonder bekende woon- of verblijfsplaats,
verweerders 1-3,
eerder bijgestaan door advocaten mrs. Schutte, Pardoen en De Bekker, inmiddels zonder advocaat,
en
[verweerder 4] te [land],
verweerder 4,niet verschenen,
en
4. [belanghebbende 1] STICHTINGte [vestigingsplaats],
5. [belanghebbende 2]te [woonplaats 5], in zijn hoedanigheid van door de rechtbank benoemde tijdelijke bestuurder tevens onderzoeker,
belanghebbenden,
advocaat mr. J.G. Molenaar.
Verzoekers worden hierna aangeduid als ‘de erfgenamen’, verweerders 1-3 worden aangeduid als ‘[verweerder 1]’, ‘[verweerder 2]’ en ‘[verweerder 3]’, gezamenlijk als ‘[de bestuurders]’ of ‘de bestuurders’, verweerder 4 als [verweerder 4], en de belanghebbenden worden aangeduid als ‘de Stichting’ en ‘de tijdelijke bestuurder’.
1. Samenvatting van de zaak en het oordeel van de rechtbank
De partijen
Verzoekers zijn de kleinkinderen en erfgenamen van de in 2024 overleden [erflater] (hierna: erflater). Erflater heeft tijdens zijn leven een aanzienlijk vermogen opgebouwd en hij heeft de Stichting opgericht, die – in ieder geval voor een deel – de erfenis beheert. [verweerder 1] en [verweerder 3] (en voorheen ook [verweerder 2]) zijn bestuurder van de Stichting. [verweerder 4] is (enig) commissaris van de Stichting.
Het verzoek en de beslissingen tot nu toe
Deze procedure is gestart met een verzoekschrift van de erfgenamen waarin zij de rechtbank op de voet van artikel 2:298 BW hebben gevraagd om de bestuurders van de Stichting te ontslaan en, bij wege van voorlopige voorziening (ex parte), henzelf of een onafhankelijke tijdelijke bestuurder te benoemen. De rechtbank heeft aan het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen gehoor gegeven en heeft in drie beschikkingen verschillende voorlopige voorzieningen getroffen:
Het onderwerp van deze beschikking; oordeel van de rechtbank
Nog voordat de tijdelijke bestuurder zijn onderzoek heeft kunnen afronden, hebben de erfgenamen hun verzoeken ingetrokken. Zij menen dat daardoor een einde komt aan de procedure. De tijdelijke bestuurder voert daartegen (mede namens de Stichting) verweer: hij stelt zich op het standpunt dat het belang van de Stichting (die de door de erflater toevertrouwde belangen behoort te behartigen) gediend is met voortzetting van het onderzoek. De rechtbank komt tot het oordeel dat de erfgenamen de bevoegdheid hebben om hun verzoeken in te trekken, en dat door de intrekking een einde komt aan deze procedure en de daarmee samenhangende voorlopige voorzieningen.
2. De verdere procedure
Na de beschikking van 6 februari 2026 heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
de e-mail van 13 maart 2026 van de tijdelijke bestuurder, met bijlage;
de e-mail van 27 maart 2026 van mrs. Schutte, Pardoen en De Bekker, waarin zij melden als advocaten van de bestuurders terug te treden;
de e-mail van 24 april 2026 van mr. Tjoa, houdende de intrekking van de verzoeken;
de e-mail van 27 april 2026 van de tijdelijke bestuurder;
de e-mail van 1 mei 2026 van de tijdelijke bestuurder;
de e-mails van 5 mei 2026 van mr. Molenaar en mr. Tjoa;
de e-mail van 7 mei 2026 van mrs. Tjoa en Holterman;
de e-mails van 15 mei 2026 van [verweerder 1], [verweerder 4] en [verweerder 3];
de e-mail van 8 juni 2026 van mrs. Tjoa en Holterman;
de e-mail van 9 juni 2026 van de tijdelijke bestuurder;
de e-mail van 18 juni 2026 van de heer [naam] (adviseur van de bestuurders [verweerder 1] en [verweerder 3]).
Op 20 april heeft een van de bestuurders, de heer [verweerder 2], de tijdelijke bestuurder bericht dat hij met onmiddellijke ingang aftreedt als bestuurder van de Stichting. Dit heeft de tijdelijke bestuurder aan de rechtbank laten weten in zijn bericht van 5 mei 2026.
Op 7 juli 2026 heeft een zitting via Teams plaatsgevonden. Daarin is de intrekking van de verzoeken door de erfgenamen en het gevolg daarvan onderwerp van debat geweest.
3. De verdere beoordeling
De erfgenamen trekken hun verzoeken in
De erfgenamen hebben de rechtbank bij e-mail van 24 april 2026 bericht al hun verzoeken in te trekken. Zij verzoeken de rechtbank om een eindbeschikking te wijzen waarin wordt bepaald:
dat, nu de erfgenamen hun verzoeken hebben ingetrokken, hun verzoeken niet langer een beslissing behoeven van de rechtbank en dat de erfgenamen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoeken;
dat de bij beschikkingen van 13 juni 2025, 12 januari 2026 en 6 februari 2026 uit hoofde van artikel 2:298 lid 2 BW getroffen voorlopige voorzieningen, bestaande uit:
- de benoeming van mr. [belanghebbende 2] tot onafhankelijk bestuurder van de Stichting met onder meer beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid,
- de schorsing van [verweerder 4] als commissaris van de Stichting, en
- de bepaling dat de statutaire bepalingen over de taak en bevoegdheden van de raad van commissarissen van de Stichting buiten toepassing blijven;
per datum eindbeschikking direct worden opgeheven;
dat de procedure per datum eindbeschikking per direct wordt beëindigd.
De erfgenamen stellen dat hun intrekking op grond van artikel 283 Rv geen onderbouwing behoeft. Aan de rechtbank komt volgens hen dan ook geen bevoegdheid toe om de intrekking (inhoudelijk) te beoordelen, zodat niet behoeft te worden onderzocht in hoeverre de intrekking de belangen van anderen (zoals de Stichting) raakt. Een belanghebbende kan de intrekking niet blokkeren en daarmee erfgenamen dwingen de verzoeken te handhaven. Desgevraagd hebben de erfgenamen summier toegelicht dat de omstandigheden dat zij zijn erkend als certificaathouders en het aftreden van [verweerder 2] als bestuurder van de Stichting mede redengevend zijn geweest om het verzoek in te trekken. Het ontbreken van die erkenning en de slechte verstandhouding met [verweerder 2] waren destijds reden om het ontslagverzoek in te dienen en op een onderzoek naar de gang van zaken binnen de Stichting met het oog op de beoordeling van het ontslagverzoek aan te dringen. Omdat deze problemen nu zijn opgelost, hebben de erfgenamen geen belang bij een voortzetting van deze verzoekschriftprocedure. Wanneer de rechtbank zou oordelen dat er wel ruimte bestaat om de intrekking inhoudelijk te beoordelen, dan willen de erfgenamen graag de mogelijkheid krijgen te mogen reageren op de bezwaren die de tijdelijke bestuurder tegen de intrekking – het stopzetten van het onderzoek – heeft ingebracht. Ook verzoeken zij om de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep open te stellen, wanneer de rechtbank zou oordelen dat de intrekking niet het door de erfgenamen beoogde effect heeft. In afwachting van het hoger beroep zouden de erfgenamen graag zien dat het onderzoek door de tijdelijke bestuurder wordt stilgelegd.
De tijdelijke bestuurder verzet zich tegen het intrekkingsverzoek
De tijdelijke bestuurder verzet zich tegen de door de erfgenamen verzochte intrekking en verzoekt de rechtbank om:
het intrekkingsverzoek af te wijzen,
de twee bestuurders die nog in functie zijn ([verweerder 1] en [verweerder 3]; [verweerder 2] is inmiddels afgetreden) met onmiddellijke ingang te schorsen totdat de rechtbank anders zal hebben beslist,
de termijn van deponering van het onderzoeksverslag van de tijdelijke bestuurder met zes weken te verlengen, te rekenen vanaf de datum waarop de rechtbank op het onderhavige verzoek beslist,
e erfgenamen te veroordelen in de kosten van dit geding tot zover.
De tijdelijke bestuurder voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank niet gebonden is aan het intrekkingsverzoek van de erfgenamen. De verzochte intrekking raakt de belangen van anderen dan de erfgenamen, namelijk die van de Stichting. Daarom staan – in lijn met HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3356, JOR 2011/42 (KPN/Qwest) – de gevolgen van de intrekking niet ter vrije dispositie van de erfgenamen. De kern van het ingediende verzoek is het ontslag van de bestuurders wegens onbehoorlijke taakvervulling. Bij een beoordeling van dat verzoek is het belang van de Stichting richtinggevend. De tijdelijke bestuurder heeft in zijn onderzoek tot nu toe voldoende aanknopingspunten gevonden dat de bestuurders inderdaad niet in het belang van de Stichting handelen. Een beslissing over (de beëindiging van) deze procedure en de daarmee samenhangende voorlopige voorzieningen kan daarom niet plaatsvinden zonder acht te slaan op de belangen van de Stichting. Volgens de tijdelijke bestuurder moet de rechtbank het intrekkingsverzoek inhoudelijk beoordelen voordat zij daarop beslist.
Vervolgens voert de tijdelijke bestuurder aan dat het intrekkingsverzoek op inhoudelijke gronden dient te worden afgewezen. Toewijzing van de intrekking zou tot gevolg hebben dat de bestuurders en de commissaris in functie blijven. Gelet op de verwijten die de erfgenamen aan de bestuurders hebben gemaakt, is het ongeloofwaardig dat zij terug willen keren naar de situatie van voor de indiening van het verzoek. Een steekhoudende reden voor de veranderde houding ten opzichte van de bestuurders en commissaris geven de erfgenamen echter niet. Nog belangrijker is dat het aanblijven van deze bestuurders en commissaris niet in het belang van de Stichting is. De Stichting dankt haar bestaan en haar vermogensrechtelijke ordening aan de wilsbeschikking van de oprichter (erflater). De familie van de oprichter, waaronder de erfgenamen, onderkennen onvoldoende dat zij in belangrijke mate een andere visie hebben op de Stichting en haar vermogensrechtelijke ordening dan de oprichter had. De tijdelijke bestuurder is er dan ook niet van overtuigd dat de familie de door de oprichter bedachte opzet van de Stichting zal respecteren. Hij houdt er rekening mee dat, wanneer hij van het toneel verdwijnt door het ophouden van de voorlopige voorziening, de erfgenamen via een omweg de controle over de Stichting wensen te verkrijgen om zo naar eigen inzicht over het vermogen van de Stichting te beschikken. Dat is niet in het belang van de Stichting.
Tot slot verzoekt de tijdelijke bestuurder de rechtbank om schorsing van de twee nog in functie zijnde bestuurders. Het is namelijk recent gebleken dat deze bestuurders in januari 2026 gesprekken hebben gevoerd (via een tussenpersoon) om tegen betaling door de familie hun functie neer te leggen. Daarom is collegiale samenwerking tussen deze bestuurders en de tijdelijke bestuurder onmogelijk. De tijdelijke bestuurder acht voortzetting van het onderzoek gewenst en vraagt om verlenging van de termijn voor de deponering van het onderzoeksverslag.
Oordeel van de rechtbank
De erfgenamen hebben gevraagd om het ontslag van de (ten tijde van de indiening van het verzoek nog) drie bestuurders van de Stichting. De ernst van de verwijten beschreven in het verzoekschrift en de onderbouwing daarvan hebben de rechtbank ertoe gebracht – conform het verzoek – zonder de bestuurders te horen (Hoge Raad 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324) – een voorlopige voorziening te treffen (Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624). Nadien, na een aanvullend verzoek van de erfgenamen van 9 december 2025 respectievelijk na een mondelinge behandeling waarbij de bestuurders hun standpunt naar voren hebben kunnen brengen, zijn nieuwe voorlopige voorzieningen getroffen, in twee verschillende beschikkingen, gedateerd 12 januari 2026 respectievelijk 6 februari 2026. Bij de laatste beschikking is aan de tijdelijke bestuurder opgedragen onderzoek te doen.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voorlopige voorzieningen die in het kader van een verzoek tot ontslag van stichtingsbestuurders (of -commissarissen, zie artikel 2:298 lid 4 BW) worden getroffen in hoofdzaak slechts maatregelen zijn die er op gericht zijn gedurende het geding orde of rust te creëren in (de governance van) de stichting, te voorkomen dat de stichting schade wordt berokkend gedurende het geding, en om de nodige informatie te vergaren opdat de rechtbank voldoende geïnformeerd raakt om een afgewogen oordeel over het ontslagverzoek te kunnen geven. Het fundament van te treffen voorzieningen wordt gevormd door het ontslagverzoek: zonder ontslagverzoek geen voorlopige voorzieningen. Voor zover om andere redenen dan in het kader van een ontslagverzoek (spoedeisende) maatregelen in de organisatie van de stichting gewenst zijn zal daarvoor doorgaans het kort geding de aangewezen route vormen.
De erfgenamen hebben, om hen moverende redenen, het ontslagverzoek ingetrokken. Zij hebben een beknopte toelichting gegeven op hun beweegredenen omdat zij van mening zijn dat een motivering niet noodzakelijk is; naar hun oordeel staat het hen vrij het verzoek ongemotiveerd in te trekken.
De rechtbank deelt de opvatting dat intrekking leidt tot het einde van het geding. Indachtig de Hoge Raad-beschikking in de enquête-procedure KPN/Qwest, hiervoor al genoemd, moet geconstateerd worden dat in dit geding louter voorlopige voorzieningen zijn getroffen; van een ‘eindbeschikking’ is geen sprake. Aldus komt de erfgenamen de bevoegdheid toe hun verzoek of verzoeken te ‘verminderen’ op de voet van het bepaalde in artikel 283 Rv, waaronder ook moet worden verstaan intrekken. Die constatering dwingt ertoe dat de wens van de bij de Stichting betrokkenen die deze verzoekschriftprocedure in gang hebben gezet om deze procedure nu te beëindigen moet worden gehonoreerd.
De tijdelijke bestuurder tevens onderzoeker maakt zich, op basis van de feiten en omstandigheden die hij tot nu toe heeft geïnventariseerd, zorgen over de governance in de Stichting. Hij sluit niet uit dat het bestuur zijn taak tot nu toe niet naar behoren heeft vervuld, en is er niet gerust op dat de bestuurders na de beëindiging van deze procedure hun taak naar behoren zullen vervullen. Hij spreekt de vrees uit dat het bestuur de bedoeling die de erflater heeft gehad met het onderbrengen van een substantieel deel van zijn vermogen in de Stichting, niet of niet ten volle zal respecteren. Het betoog van de tijdelijke bestuurder/onderzoeker is, in het licht van zijn voorlopige bevindingen c.q. zorgen, dat de intrekking van het verzoek geen einde mag maken aan deze procedure en dat het onderzoek voltooid moet worden; hij bepleit dat het belang van de Stichting onder deze omstandigheden prevaleert boven het belang van de erfgenamen.
De wettelijke regeling van het ontslag van stichtingsbestuurders, met inachtneming van de uitleg die daaraan is gegeven in de rechtspraak, laat de rechtbank geen ruimte om de door de tijdelijke bestuurder/onderzoeker bepleite koers te volgen. Zonder een ontslagverzoek – en de intrekking van het verzoek door de erfgenamen is nu eenmaal een feit – is er geen oordeel meer te vellen waaraan de voorlopige voorzieningen respectievelijk het bevolen onderzoek dienstig kunnen zijn. In dat kader moet bedacht worden dat de rechtbank niet de rol is toebedacht in het algemeen belang zelfstandig voorlopige voorzieningen te treffen respectievelijk bestuurders te ontslaan. Dat algemeen belang kan wel gediend worden door het openbaar ministerie (artikel 2:298 lid 1 BW), maar het openbaar ministerie is in dit geding niet betrokken.
Het voorgaande betekent dat de erfgenamen in hun verzoeken niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. Het verzoek dat de tijdelijke bestuurder nog heeft gedaan, al of niet namens de Stichting, (schorsing van de bestuurders) wordt afgewezen. De rechtbank zal alle eerder getroffen voorzieningen beëindigen. Wel zal de Stichting nog worden veroordeeld de tijdelijke bestuurder/onderzoeker de vergoeding die hem nog toekomt voor nog niet gedeclareerde uren te, voldoen, op factuur, binnen twee weken na ontvangst daarvan.
4. De beslissing
De rechtbank
verklaart de erfgenamen niet-ontvankelijk in hun verzoeken;
wijst het verzoek van de tijdelijke bestuurder tot schorsing van de (overgebleven) bestuurders van de Stichting af;
beëindigt met onmiddellijke ingang alle in dit geding getroffen voorlopige voorzieningen;
veroordeelt de Stichting tot betaling aan de tijdelijke bestuurder/onderzoeker van diens niet eerder ingediende of nog niet betaalde facturen voor verrichte werkzaamheden in diens beide hoedanigheden, uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan;
verklaart deze beschikking ten aanzien van het hiervoor onder 4.3 en 4.4 besliste uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
2184/hjv