Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/074551-26 en 09/106067-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Polen),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. den Haan en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.M.V. Bandhoe naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/074551-26 (hierna: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een schuur aan het [adres] , bij een ander, te weten bij [benadeelde] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/106067-26 (hierna: dagvaarding II)
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Alphen aan den Rijn een fles port en/of een zak soep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (vestiging: De Aarhof 61), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. Aangezien het bij dagvaarding I tenlastegelegde oorspronkelijk voorwaardelijk was geseponeerd, stelt de verdediging zich op het standpunt dat voor dat feit niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet volgen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
ten aanzien van het feit op dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026084379, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 22).
1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 11 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 7-8):
Op 11 maart 2026 omstreeks 19.45 uur kreeg ik telefoon van buren van het perceel naast mijn perceel aan [adres] . Ik kreeg toen te horen dat een persoon in het schuurtje op ons perceel lag te slapen.Omstreeks 20.30 uur was ik op mijn perceel aanwezig en constateerde ik dat er een man in mijn schuur aan het slapen was. Ik kan de man als het volgt omschrijven:
- ongeveer 1.70 meter lang;- blank;- fors postuur;- kaal;- pools sprekend;- donker gekleed.Ik denk dat de man via het raam de schuur is ingekomen. De schuur was met een slot afgesloten. Er zitten geen ruiten in de kozijnen in mijn schuur. Ik zei tegen de man dat hij weg moest gaan en niet welkom was op mijn terrein. Ik zag dat de man bleef liggen.Om 20:50 uur kwam er een politievoertuig aan bij mijn perceel. Zij hebben toen de persoon verwijderd van mijn perceel en meegenomen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 12):
Op woensdag 11 maart 2026Omstreeks 20:55 kwamen wij ter plaatse. Vanaf de buitenkant zagen wij een man in de keet zitten. Later bleek deze man te zijn:- [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1981 (44) te [geboorteplaats] (Polen).
ten aanzien van het feit op dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026121538, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 april 2026, voor zover inhoudende (p. 5):
Plaats delict: De Aarhof 61 te Alphen aan den Rijn (Albert Heijn)Pleegdatum: 8 april 2026 Ik doe aangifte van diefstal. Ik heb de diefstal zelf gezien. Ik zag een man in de winkel lopen. Ik zag dat hij een fles port in zijn hand had. Ik zag dat hij de fles port in zijn tas deed.De goederen zijn door de verdachte uit het zicht gebracht. Later zag ik dat hij ook een zak soep in de rechter buitenzak van zijn jas had.De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: Tawny Port Unox soep in zak. De totale verkoopwaarde van de weggenomen goederen is € 13,48.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 april 2026, voor zover inhoudende (p. 10):
Ik hoorde dat collega [naam 1] zei dat [verdachte] tijdens zijn verhoor verklaarde dat hij van plan was om de soep en de port af te rekenen. Ik zag dat er in bij de insluitingsfouillering van [verdachte] geen geld, bankpas, telefoon of andere betaalmiddelen waren aangetroffen.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 april 2026, voor zover inhoudende (p. 12):
Op 8 april 2026 werd aangifte gedaan van winkeldiefstal bij de Albert Heijn in het winkelcentrum de Aarhof 61 in Alphen aan den Rijn.Ik was belast met het uitkijken van camerabeelden van de Albert Heijn.Om 14:41:50 uur zag ik in het beeld "Drogmetica" een man in beeld komen die ik als volgt kan omschrijven:- Man;- blank;- circa 45 jaar oud;- kaalgeschoren hoofd;- opvallend dikke buik;- zwarte jas;- zwart t shirt;- blauwe spijkerbroek;- sneakers met witte zolen;- zwarte zonnebril op voorhoofd.Ik zag dat deze man om zich heen keek en vervolgens om 14:41:54 uur een artikel, lijkend op een fles rode wijn of port, onder de rechterkant van jas verstopte terwijl hij verder het gangpad inliep. Ik zag de man nog wat aan de rechterkant van jas zitten, waardoor de fles niet meer zichtbaar was. Hij keek nog een paar keer naar achteren en voren de winkel in, waarna hij weer onder zijn jas zat met zijn rechterhand. Het leek alsof hij iets goed moest zetten.
4. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 8 april 2026, voor zover inhoudende (p. 25):
V: Je haalde goederen uit de schap. Waar heb je deze spullen gestopt?A: De soep in mijn jaszak. De wijn in een tasje.
Bewijsoverwegingen
ten aanzien van het feit op dagvaarding I:
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat er sprake was van een schuur waar de verdachte zich niet in had mogen begeven, nu de verdachte heeft verklaard dat het ging om een oud en vervallen schuurtje. Daarnaast zou het onduidelijk zijn of de schuur was voorzien van een deur en een slot. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte voldoende blijkt dat sprake was van een schuur die door middel van een slot was afgesloten. De verdachte heeft geen toestemming gehad om die schuur te betreden. Dat de schuur mogelijk verouderd was, doet niets af aan de wederrechtelijkheid.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zoals omschreven onder 3.5.
ten aanzien van het feit op dagvaarding II:
Door de verdediging is naar voren gebracht dat naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de goederen te stelen. De verdachte had immers nog geen kassa gepasseerd en heeft verklaard dat hij de goederen wilde afrekenen. In het geval dat de verdachte geen middelen bij zich had om te betalen, had de verdachte de goederen nog terug kunnen leggen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Bij een voltooide diefstal gaat het erom dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over die goederen heeft verschaft dan wel die goederen zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte de fles port en de zak soep in zijn jas en tas heeft gestopt. Daarmee is naar oordeel van de rechtbank aan de vereisten voor een voltooide diefstal voldaan. Dat de verdachte op deze manier handelde met een ander doel dan het onttrekken van de goederen aan de feitelijke heerschappij van de supermarkt, is niet aannemelijk geworden nu bij de fouillering van de verdachte is gebleken dat hij niet beschikte over enig betaalmiddel.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zoals omschreven onder 3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/074551-26 (hierna: dagvaarding I)
hij op 11 maart 2026 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, in het besloten lokaal, te weten een schuur aan het [adres] , bij een ander, te weten bij [benadeelde] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/106067-26 (hierna: dagvaarding II)
hij op 8 april 2026 te Alphen aan den Rijn een fles port en een zak soep, die geheel aan Albert Heijn (vestiging: De Aarhof 61) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van één jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de zachte criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel en verzoekt om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair verzoekt de verdediging om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en lokaalvredebreuk. Hij heeft hiermee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans goederen en eigendommen. Daarnaast is uit het strafblad van de verdachte van 12 juni 2026 gebleken dat de verdachte veelvuldig voor soortgelijke delicten is veroordeeld, onder meer tot gevangenisstraffen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 14 april 2026, opgemaakt en ondertekend door reclasseringswerker mevrouw [naam 2] .
Uit het reclasseringsadvies volgt dat de verdachte - nadat hij in 2022 naar Nederland is
gekomen om te werken - sinds 2023 herhaaldelijk in aanraking komt met politie en justitie, onder meer in het kader van vermogensdelicten. De verdachte is
nimmer ergens in zorg geweest en er is hem nooit een reclasseringstoezicht opgelegd.
Uit navraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt (opnieuw) dat de verdachte geen aanbod gedaan kan worden vanuit de reclassering. De verdachte heeft geen verblijfsrecht meer in Nederland. Om deze reden kunnen er geen interventies ingezet worden om tot een gedragsverandering te komen. Hij mag niet werken en kan geen aanspraak op sociale voorzieningen maken. De instabiliteit op diverse leefgebieden en het alcoholgebruik van de verdachte maakt dat de reclassering het recidiverisico op hoog inschat. Om deze reden adviseert GGZ reclassering Fivoor om de verdachte bij een veroordeling de onvoorwaardelijke ISD maatregel op te leggen.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-criteria van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldoet. Het bewezenverklaarde feit wordt gekwalificeerd als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 12 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer waren gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Ook aan de zogenoemde ‘zachte’ criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Dat betekent dat de rechtbank geen reëel alternatief ziet voor het opleggen van deze maatregel. Op grond van het reclasseringsadvies, het strafblad van de verdachte en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat het de verdachte de afgelopen jaren niet gelukt is zijn gedrag te veranderen. De rechtbank hecht daarbij in het bijzonder waarde aan haar vonnis van 27 januari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte destijds nadrukkelijk heeft verklaard dat hij direct zou terugkeren naar Polen en was doordrongen van de betekenis en omvang van de ISD-maatregel die hij niet wilde. De rechtbank heeft hem destijds in dat verband nog een laatste kans willen bieden en heeft volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van zestig dagen. Nu de verdachte, ondanks die laatste kans naar Nederland is terug gekeerd en, hier opnieuw een vermogensdelict heeft gepleegd, acht de rechtbank het (opnieuw) opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De verdachte heeft immers ook nu herhaling laten zien zich niet te laten weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Een dergelijke straf is daarmee een gepasseerd station.
Ondanks het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte in Nederland als ongewenst vreemdeling is aangemerkt en dat het daarom de bedoeling is dat hij terugkeert naar Polen. De verdachte heeft ter terechtzitting opnieuw verklaard dat hij evenmin de wens heeft om in Nederland te blijven. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte na afloop van de voorlopige hechtenis in onderhavige strafzaak aansluitend in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst, waardoor de terugkeer van de verdachte naar Polen daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Met het opleggen van de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin beoogt de rechtbank aan de verdachte deze keer een ondubbelzinnig signaal af te geven dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in het vooruitzicht ligt in het geval hij zich in de toekomst wederom schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit.
De rechtbank zal aan de voorwaardelijke ISD-maatregel dan ook de algemene voorwaarde verbinden dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen, met een proeftijd van drie jaren. Als de verdachte wederom terugkeert naar Nederland en zich niet aan deze voorwaarde kan houden, zal de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nodig zijn om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen. Om die reden zal de rechtbank de voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en daarbij bepalen dat de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft gezeten, niet wordt afgetrokken van de duur van die maatregel.
Voorlopige hechtenis
Nu de rechtbank een voorwaardelijke ISD-maatregel zal opleggen en geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of maatregel die de voortduring van de voorlopige hechtenis rechtvaardigt, ziet de rechtbank aanleiding het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n, 38p, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/074551-26 (dagvaarding I):
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/106067-26 (dagvaarding II):
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.