Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/809296-17 (ontneming)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de P.I. [plaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 juli 2026 (inhoudelijk).
2. De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 9.868,62 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
Voorafgaand aan deze zitting heeft de officier van justitie aan de rechtbank laten weten dat inmiddels een ontnemingsschikking (als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering) met veroordeelde is getroffen en dat veroordeelde aan de voorwaarden van die schikking heeft voldaan.
Namens de verdachte is mr. S.W. Teuwen verschenen. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. W. Noort.
3. De grondslag voor ontneming
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd tot vaststelling dat de ontnemingsprocedure van rechtswege is geëindigd. De veroordeelde heeft immers voldaan aan de voorwaarden van de hem aangeboden schikking door betaling van € 9.868,62.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de ontnemingsprocedure van rechtswege is geëindigd.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van het bepaalde in artikel 6:4:18 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), juncto artikel 511c Sv, is door voldoening aan de voorwaarden van een schikking van de officier van justitie met de veroordeelde, indien de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.
De rechtbank zal in haar beslissing de officier van justitie en de verdediging volgen in hun standpunt dat in deze situatie een declaratoire beslissing in de rede ligt.
4. De beslissing
De rechtbank:
verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.