RECHTBANK DEN HAAG
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B/C)
Zaaknummer: 12044808 \ RL EXPL 26-254
Vonnis van 13 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING WOONBRON te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Woonbron,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Over de Vest,
tegen
[partij B] te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 december 2025 met producties 1 t/m 6;- de conclusie van antwoord, met daarin ook een eis in reconventie (tegenvordering), van 4 maart 2026 met een productie;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
[partij B] heeft kort vóór de mondelinge behandeling gemeld dat zij vanwege medische omstandigheden niet in staat is naar de rechtbank te komen. Zij heeft daarbij verzocht de mondelinge behandeling uit te stellen tot een moment waarop haar ‘medische situatie het toelaat’ om naar de rechtbank te komen. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en (via de griffier) gemeld dat [partij B] , bij wijze van uitzondering, telefonisch aan de mondelinge behandeling kan deelnemen. Daarbij is gevraagd naar het telefoonnummer waarop zij bereikbaar is. [partij B] heeft hierop afwijzend gereageerd. [partij B] is er toen op gewezen dat in dat geval de mondelinge behandeling mogelijk zonder haar inbreng plaatsvindt.
Op de mondelinge behandeling is namens Woonbron verschenen de heer [naam] (werkzaam bij Gerechtsdeurwaarderskantoor Over de Vest). [partij B] is niet verschenen. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling laten doorgaan. [partij B] heeft de stelling dat zij niet in staat is de mondelinge behandeling bij te wonen of telefonisch deel te nemen, niet geconcretiseerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Woonbron verhuurt aan [partij B] met ingang van 19 januari 2016 de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 676,38 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
In 2024 is [partij B] in verzuim geraakt met haar betalingsverplichtingen.
Woonbron heeft [partij B] toen gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening en haar vervolgens met het oog daarop (overeenkomstig het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening) aangemeld bij de gemeente Delft. Dat heeft niet tot resultaat geleid.
In een verstekvonnis van 3 oktober 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank op vordering van Woonbron, samengevat weergegeven, de huurovereenkomst ontbonden en [partij B] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling van € 1.906,09 aan achterstallige huur.
Woonbron heeft ervan afgezien om met gebruikmaking van dit verstekvonnis het gehuurde te laten ontruimen. Wel heeft zij door middel van beslaglegging de vordering op [partij B] geïncasseerd.
Sinds oktober 2025 is [partij B] opnieuw in verzuim gekomen met de betaling van huur.
Op 10 november 2025 heeft Woonbron [partij B] aangeschreven om de huurachterstand over oktober en november 2025 te betalen, met daarbij de aanzegging dat als zij dat niet binnen veertien dagen doet, de vordering wordt vermeerderd met € 241,89 voor buitengerechtelijke incassokosten.
[partij B] heeft hieraan niet voldaan. Daarna is de huurachterstand tot en met juli 2026 opgelopen tot € 6.841,20.
3. Het geschil
In conventie
Woonbron vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de huurovereenkomst ontbindt en [partij B] veroordeelt tot:
a. a) ontruiming van het gehuurde;
c) betaling van € 2.271,03 (huur oktober t/m december 2025);
d) betaling van € 241,89 (buitengerechtelijke incassokosten);
e) betaling van € 676,38, dan wel het bedrag dat geldt als de maandelijkse huurprijs mag worden geïndexeerd, voor iedere maand dat [partij B] vanaf 1 januari 2026 het gehuurde in gebruik heeft;
f) betaling van wettelijke rente over € 1.332,76 vanaf 1 november 2025,
een ander met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
Woonbron legt daaraan het volgende ten grondslag. De betalingsachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Verder moet [partij B] de openstaande huurschuld alsnog voldoen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten.
[partij B] voert verweer.
In reconventie
[partij B] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis:
a. a) erkent dat de incassomaatregelen van de deurwaarder ‘buitensporig en onredelijk’ waren;
b) Woonbron en de deurwaarder verplicht ‘tot naleving van hun zorgplicht en proportionaliteit bij toekomstige vorderingen’;
c) Woonbron veroordeelt tot betaling van ‘een passende compensatie’ van € 30.000.
[partij B] legt daaraan het volgende ten grondslag. De deurwaarder heeft onzorgvuldig gehandeld bij de eerdere beslaglegging. Verder zijn er gebreken aan het gehuurde.
Woonbron voert verweer.
Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
[partij B] betaalt sinds oktober 2025 geen huur meer. Dat is een ernstige en langdurige tekortkoming die op grond van artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan Woonbron een grondslag geeft om de huurovereenkomst te laten ontbinden. Weliswaar geeft het artikel ruimte om bij een weging van de wederzijdse belangen toch van ontbinding af te zien, maar de kantonrechter ziet daartoe in dit geval geen aanleiding. Woonbron is na het eerdere vonnis al mild geweest door [partij B] een tweede kans te geven. Die kans heeft zij niet aangegrepen. Integendeel, [partij B] heeft de huurachterstand opnieuw ver laten oplopen. Woonbron heeft recht en belang om de huurrelatie te beëindigen.
De kantonrechter heeft bij de genoemde belangenafweging – in lijn met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind – de belangen van de minderjarige kinderen van [partij B] meegewogen, maar dat kan niet tot een andere uitkomst leiden. In antwoord op vragen van de kantonrechter heeft Woonbron toegelicht dat – rekeninghoudend met de kinderen – een langere ontruimingstermijn (twee maanden) kan worden gehanteerd, zodat [partij B] tijd krijgt om te zoeken naar vervangende huisvesting. Verder heeft Woonbron gezegd dat zij met de [gemeente] een afspraak heeft op grond waarvan in een uiterst geval, als [partij B] niet zelf voor onderdak zorgt, de kinderen ergens anders worden opgevangen. De kinderen raken hoe dan ook niet dakloos, aldus Woonbron.
De kantonrechter benadrukt dat [partij B] – als ouder van haar kinderen – in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor hun onderdak. Gelet op de toelichting van Woonbron is evenwel voldoende gewaarborgd dat in een uiterst geval de kinderen na een ontruiming met hulp van de gemeente Delft op een andere plek kunnen worden opgevangen.
De slotsom is dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden toegewezen.
De – niet gemotiveerd weersproken – vordering tot betaling van (achterstallige) huur wordt ook toegewezen, vermeerderd rente en buitengerechtelijke incassokosten (die op grond van de wet verschuldigd zijn). Ten slotte wordt ook de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf januari 2026 (als gegrond op artikel 7:225 BW) toegewezen.
In reconventie
De tegenvorderingen van [partij B] wijst de kantonrechter af. Van ontoelaatbare incassomaatregelen is niet gebleken. Van gebreken aan het gehuurde evenmin. Verder heeft [partij B] geen grondslag om betaling van schadevergoeding te vorderen.
Proceskosten
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonbron worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.406,45
Omdat Woonbron tegen de vorderingen in reconventie ten opzichte van het geschil in conventie vrijwel geen aanvullende standpunten naar voren heeft hoeven brengen, begroot de kantonrechter de proceskosten in reconventie op nihil (nul).
5. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
ontbindt de huurovereenkomst tussen Woonbron en [partij B] met betrekking tot het gehuurde;
veroordeelt [partij B] om binnen twee maanden na betekening van een daartoe strekkend bevel het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze van Woonbron zijn, en de sleutels af te geven aan Woonbron;
veroordeelt [partij B] tot betaling van € 2.271,03, te vermeerderen met wettelijke rente over € 1.332,76 vanaf 1 november 2025;
veroordeelt [partij B] vanaf 1 januari 2026 tot betaling van € 676,38 per maand tot en met de dag dat de ontruiming plaatsvindt (althans een evenredig gedeelte van dit bedrag als het een deel van de maand betreft), met bepaling dat het verschuldigde bedrag wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de wettelijk toegestane indexering van de maandelijkse huurprijs;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.406,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.