ECLI:NL:RBDHA:2026:22426

ECLI:NL:RBDHA:2026:22426

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer SGR 24/1066
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Omgevingsvergunning woonark. Beroep ingesteld door omwonende. College heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vervangen van de oude door een nieuwe - iets grotere - woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/1066

(gemachtigde: mr. A.B. Kardes),

en

(gemachtigden: mr. S. Ramsoekh en [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats], vergunninghouder

(gemachtigde: mr. R. Swinkels).

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het vervangen van een bestaande woonark door een nieuwe woonark. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning aan de hand van deze beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vergunning mocht worden verleend, maar dat aan het bestreden besluit wel een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De rechtbank passeert dat gebrek echter, omdat eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze vergunning met het bestreden besluit van 11 januari 2024 verleend.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 24/1230 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghouder woont op een woonark aan de [adres] te [plaats]. Eiser woont op naastgelegen woonark, op nummer [huisnummer]. Vergunninghouder vervangt zijn voormalige woonark door een nieuwe woonark. Hij heeft daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd die door het college is verleend. Deze omgevingsvergunning is onderwerp van geschil. De nieuwgebouwde woonark is in breedte, lengte en hoogte groter dan de voormalige woonark. De oude woonark (bak inclusief opbouw) was 16 meter lang, 5 meter breed en 2,20 meter hoog. De opbouw van de vergunde woonark is 16 meter lang, 5,50 meter breed en 3 meter hoog. De bak van de nieuwe woonark is 18 meter lang en 6 meter breed. In de oude situatie zat er een afstand van 95 centimeter tussen de bakken en een afstand van 3,50 meter tussen de gevels van de woonarken van vergunninghouder en eiser. In de vergunde situatie betreffen deze afstanden 76 centimeter en 2,50 meter. Partijen zijn het erover eens dat de nieuwe woonark in strijd is met het bestemmingsplan.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Het college heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) en de Bouwverordening en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De woonark is wel in strijd met het bestemmingsplan “Zuidelijke Schil” (bestemmingsplan), omdat in het bestemmingsplan geen bouwregels voor woonarken zijn opgenomen. Vanwege de geconstateerde strijdigheid met het bestemmingsplan, heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3⁰, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens het college is het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en is sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning op 1 augustus 2022 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing.

De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

Is het college bij de vergunningverlening uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens?

6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college het bestreden besluit heeft gebaseerd op onjuiste feitelijke gegevens. Hij voert daartoe in de eerste plaats aan dat wat er feitelijk wordt gebouwd niet overeenkomt met de bouwtekeningen en dat de vergunning daarom niet verleend had mogen worden.

De rechtbank is van oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag terecht is uitgegaan van de gegevens zoals die in de aanvraag staan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het college de aanvraag beoordelen aan de hand van de bij de aanvraag gevoegde gegevens en stukken en niet aan de hand van hoe het bouwplan daadwerkelijk is of wordt uitgevoerd. Er rust geen plicht op het college om deze feitelijke gegevens ter plaatse zelf nog te controleren. Ook artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht daar niet toe. Voor zover niet in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning is of wordt gebouwd, is dat een kwestie van handhaving.

Eiser betoogt wel terecht dat het college is uitgegaan van een onjuiste breedte van de watergang ter plaatse van 21 meter. De daadwerkelijke breedte betreft 13,50 meter. Het besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het lag immers op de weg van het college om ter voorbereiding op het te nemen besluit vast te stellen wat de breedte van de watergang is. De breedte van deze watergang betreft een ruimtelijk relevant aspect en speelde daarmee een rol in de afweging of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Deze beroepsgrond slaagt dus in zoverre.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet wordt benadeeld. Ook als wordt uitgegaan van de juiste (smallere) breedte van de watergang, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie en plaatsing van de nieuwe woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank licht dit hieronder nader toe.

Goede ruimtelijke ordening

7. Eiser betoogt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van de vergunde woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voert eiser het volgende aan. Uit het bestreden besluit blijkt allereerst niet waarom in dit geval afgeweken kan worden van de afstandseisen uit de Woonschepenverordening 2009 (de verordening). Doordat van die afstandseisen wordt afgeweken, worden de belangen van eiser onevenredig geschonden. Er is door het college onvoldoende rekening gehouden met de inbreuk op eisers privacy, de eventuele schade die kan ontstaan aan zijn woonark, de beperking van zijn recreatiemogelijkheden en de beperking van uitzicht vanuit en lichtinval in zijn woonark. Het college heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom, ondanks dat van voormelde afstandseisen wordt afgeweken, de brandveiligheid voldoende is gewaarborgd. Dat in de muur van de nieuwe woonark brandwerend materiaal wordt gebruikt, blijkt niet uit het dossier. Bovendien hebben de aangrenzende woonschepen een dergelijke voorziening niet. Tot slot voert eiser aan dat de doorvaart ter plaatse door deze grotere woonark onwenselijk wordt belemmerd.

Het college stelt zich, hierin gesteund door vergunninghouder, op het standpunt dat het realiseren en plaatsen van de aangevraagde woonark aan de ligplaats op de [adres] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Strijd met afstandseisen uit de Woonschepenverordening 2009

De afstandseisen waar eiser een beroep op doet, zijn opgenomen in artikel 6 van de verordening en vormen – samen met het Ligplaatsenplan woonschepen 2012 (het ligplaatsenplan) dat daar deel van uitmaakt – het toetsingskader bij de beoordeling van een aanvraag om een ligplaatsvergunning. In dit geval gaat het echter niet om een ligplaatsvergunning, maar om een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de regels uit de verordening niet rechtstreeks van toepassing zijn op de aanvraag. Niet in geschil is dat aan de daarin opgenomen onderlinge afstandseisen niet wordt voldaan. Het college heeft echter afdoende gemotiveerd waarom dat in dit geval niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank licht dat oordeel hieronder toe.

Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting naar voren gebracht dat het feit dat in dit geval niet wordt voldaan aan de afstandseisen uit de verordening een consequentie is van de afmetingen die op deze specifieke plek in het ligplaatsenplan worden toegestaan. In het ligplaatsenplan is op deze locatie een aanduidingsvlak van 56 meter voorzien, met daarbinnen drie ligplaatsen van elk 18 meter lang. De opbouw van een woonark mag op deze locatie maximaal 16 meter breed, 5,50 meter lang en 3 meter hoog zijn. Hoewel de opbouw van een woonark 16 meter lang mag zijn, is de bak vaak wel 18 meter lang. Het gaat hier om een situatie die historisch zo gegroeid is en in 2004 is aan eiser zelf een ligplaatsvergunning verleend voor een woonark met de maximale afmetingen. Het is voorstelbaar dat vergunninghouder ook eenzelfde wens heeft tot vergroting van zijn woonark. Omdat de aangevraagde afmetingen overeenkomen met de in het ligplaatsenplan genoemde maximale afmetingen voor ligplaatsen op deze plek, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen beslissen dat de afwijking van de afstandseisen uit de verordening in dit geval aanvaardbaar is.

Het college heeft voorts voldoende inzichtelijk gemaakt dat de afstand van 2,50 meter tussen de gevels van beide woonschepen ook vanuit een oogpunt van brandveiligheid aanvaardbaar is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat voorheen een afstand van vijf meter tussen de gevels van woonarken aanbevelenswaardig was, omdat woonarken toen nog niet aan het Bouwbesluit hoefden te voldoen. Daar is verandering in gekomen na de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014. Ten tijde van het bestreden besluit werd bij de bouw van woonarken ook getoetst aan onder meer de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit. Als daaraan wordt voldaan, is een beperktere onderlinge afstand tussen de gevels mogelijk. Volgens het college heeft vergunninghouder aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit. Voorts blijkt uit hetgeen door het college in het verweerschrift en ter zitting nader is toegelicht dat de nieuwe woonark voldoet aan het bepaalde in artikel 2.84, eerste lid, van het Bouwbesluit. Uit dit artikel volgt dat de gevel uitgevoerd moet worden met materiaal dat 60 minuten bestand is tegen branddoorslag of -overslag (‘wbdbo’). Uit de tekeningen die als bijlage 15 bij de aanvraag zijn opgenomen, valt af te leiden dat de gevel van de vergunde woonark aan de zijde van de woonark van eiser uitgevoerd moet worden in ‘60 wbdbo’. Eiser heeft niets concreets aangevoerd wat de rechtbank aan het voorgaande doet twijfelen. Op grond van artikel 2.84, achtste lid, van het Bouwbesluit moet, ter beperking van het gevaar van brandoverslag, altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een aangrenzend perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te bouwen gebouw. Ook wanneer aan de andere kant van de perceelsgrens al een gebouw staat, moet ongeacht de kwaliteit van dat gebouw worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen te bouwen gebouw identiek gebouw. Dat de woonark van eiser niet over een soortgelijke voorziening beschikt als de vergunde woonark, doet in dit kader dan ook niet ter zake.

Uit het bestreden besluit en ook uit hetgeen het college daarover in het verweerschrift en ter zitting aanvullend naar voren heeft gebracht, blijkt tot slot dat het college de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen bij zijn beslissing om in te stemmen met een afname van de onderlinge afstand tussen de beide woonarken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het gaat om een beperkte vergroting van de vergunde woonark ten opzichte van de voormalige woonark. Voor zover eiser stelt dat zijn privacy onevenredig wordt geschonden, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank mogen meewegen dat de boten in de huidige situatie al dicht tegen elkaar aanliggen. Niet is gebleken dat de nieuwe situatie een onevenredige verslechtering oplevert ten opzichte van de bestaande situatie. Daarbij weegt ook mee dat in de zijgevel van de vergunde woonark waar eiser op uitkijkt, geen ramen zijn voorzien. Dit lijkt juist een verbetering ten opzichte van de oude situatie, omdat in de voormalige woonark van vergunninghouder wel een raam op die plek zat. Voor zover eiser stelt dat door de afname van de afstand tussen de beide woonschepen het risico op schade aan zijn woonark toeneemt, heeft eiser dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Het college heeft in de belangenafweging mogen meewegen dat een onzekere toekomstige gebeurtenis, zoals de hier gestelde maar niet nader onderbouwde vrees voor schade, geen reden is om de vergunning te weigeren. Ook de door eiser gestelde afname van (zon)lichtinval en uitzicht is door eiser niet nader onderbouwd. De situatie zal ten opzichte van de oude situatie wellicht iets verslechteren, maar zonder nadere onderbouwing daarvan door eiser heeft het college in redelijkheid kunnen overwegen dat deze aantasting niet zodanig groot is dat de vergunning moest worden geweigerd. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de recreatiemogelijkheden voor eiser dermate verslechteren dat dit maakt dat het college tot een andere belangenafweging had moeten komen. Ook hiervoor geldt dat de enkele stelling van eiser dat dit zo is, daartoe onvoldoende is.

Gelet op het voorgaande heeft het college voldoende onderbouwd dat de afstand van 76 centimeter tussen de bakken en 2,50 meter tussen de gevels van de vergunde woonark en de woonark van eiser geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening.

Doorvaarbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de nieuwe woonark de doorvaart niet onaanvaardbaar belemmert, ook als wordt uitgegaan van de werkelijke breedte van de watergang van 13,50 meter. De rechtbank acht het redelijk dat het college voor de doorvaarbaarheid maatgevend heeft geacht dat de naastgelegen woonark van eiser dezelfde of mogelijk zelfs nog iets grotere afmetingen heeft dan de woonark die is vergund met het bestreden besluit. Daarmee staat vast dat de doorvaarbaarheid van de watergang door de vergunde woonark niet verder beperkt wordt. In het bestemmingsplan is daarnaast vastgelegd dat op deze plek drie woonschepen mogen liggen in een aanduidingsvlak van 56 meter lang. In het ligplaatsenplan is vastgelegd dat de woonarken op deze plek een ligplaats mogen innemen van maximaal 18 meter lang en 6 meter breed. De vergunde woonark voldoet hieraan. Het Hoogheemraadschap heeft desgevraagd aan het college bevestigd dat de doorvaart niet verder wordt belemmerd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren en plaatsen van de door vergunninghouder aangevraagde woonark op de ligplaats aan de [adres] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Strijd met het evenredigheidsbeginsel?

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat minder vergaande middelen beschikbaar zijn. Het college had aan het bestreden besluit bijvoorbeeld voorschriften kunnen verbinden met betrekking tot de afstand tussen de nieuw te realiseren woonark en de omliggende woonschepen.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de eventueel nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en dat het college daarom in redelijkheid niet tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan. Uit hetgeen hiervoor onder 7.6 is overwogen, blijkt dat het college eisers belangen voldoende heeft meegewogen bij beantwoording van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Er is daarnaast voldoende gebleken dat het voor het college niet mogelijk is om nadere eisen te stellen aan de situering van de woonark van vergunninghouder en daarmee de nadelige gevolgen voor eiser te beperken, omdat het aanduidingsvlak daar geen ruimte toe laat.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.

10. Gelet op de overwegingen 6.2 en 6.3 kleeft aan het bestreden besluit wel een zorgvuldigheidsgebrek. Daarom moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.12

1.

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);

(…)

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (…).

Woonschepenverordening 2009

Artikel 6

(…)

3. Een ligplaatsvergunning kan worden geweigerd indien:

(…)

i.de onderlinge afstand tussen de naar elkaar gekeerde buitenwanden van de opbouwen van naast elkaar gelegen woonschepen minder dan 5 meter bedraagt;

j.de onderlinge afstand tussen de woonschepen met de bijbehorende en/of extra voorzieningen minder dan 2 meter bedraagt.

Bouwbesluit 2012

Artikel 2.84 (Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift is ten minste 60 minuten.

(…)

8. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. (…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand