ECLI:NL:RBDHA:2026:22429

ECLI:NL:RBDHA:2026:22429

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer SGR 24/1230
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Omgevingsvergunning woonark. Beroep ingesteld door omwonenden. College heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vervangen van de oude door een nieuwe - iets grotere - woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] e.a., uit [woonplaats], eisers,

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/1230

en

(gemachtigden: mr. S. Ramsoekh en S. Chotkan).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats], vergunninghouder

(gemachtigde: mr. R. Swinkels).

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het vervangen van een bestaande woonark door een nieuwe woonark. Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning aan de hand van deze beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vergunning mocht worden verleend, maar dat aan het bestreden besluit wel een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De rechtbank passeert dat gebrek echter, omdat eisers daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze vergunning met het bestreden besluit van 11 januari 2024 verleend.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Bij brief van 27 mei 2026 hebben eisers [eiser 2] en [eiser 3] hun beroep ingetrokken.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 24/1066 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, vergunninghouder en zijn gemachtigde. Eisers zijn niet ter zitting verschenen.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghouder woont op een woonark aan de [adres]. Eisers zijn omwonenden. Vergunninghouder vervangt zijn voormalige woonark door een nieuwe woonark. Hij heeft daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd die door het college is verleend. Deze omgevingsvergunning is onderwerp van geschil. De nieuwgebouwde woonark is in breedte, lengte en hoogte groter dan de voormalige woonark. De oude woonark (bak inclusief opbouw) was 16 meter lang, 5 meter breed en 2,20 meter hoog. De opbouw van de vergunde woonark is 16 meter lang, 5,50 meter breed en 3 meter hoog. De bak van de nieuwe woonark is 18 meter lang en 6 meter breed. Partijen zijn het erover eens dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Het college heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De aanvraag is wel in strijd met het bestemmingsplan “Zuidelijke Schil” (bestemmingsplan), omdat in het bestemmingsplan geen bouwregels voor woonarken zijn opgenomen. Vanwege de geconstateerde strijdigheid met het bestemmingsplan, heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3⁰, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens het college is het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en is sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning op 1 augustus 2022 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing.

De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

Participatie

6. De rechtbank begrijpt het beroep van eisers zo dat zij betogen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat de direct omwonenden niet dan wel onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming daarvan. Bij geen van de eisers was bekend dat vergunninghouder bezig was met deze aanvraag, totdat in het gemeentelijk nieuwsblad stond dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen zou afgeven en daarna dat de vergunning was verleend en beroep kon worden ingesteld bij de rechtbank.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat onder de Wabo het niet voorgeschreven is dat een aanvrager van tevoren met omwonenden communiceert over zijn plannen. Uit het dossier en de verklaring van het college ter zitting blijkt dat de aanvraag om een omgevingsvergunning op de gebruikelijke wijze bekend is gemaakt en vanaf 11 augustus 2022 twee weken ter inzage heeft gelegen. Voorts blijkt uit het dossier dat de aanvraag en de kennisgeving van het ontwerpbesluit op 16 maart 2023 op de gebruikelijke wijze zijn gepubliceerd en aansluitend van 17 maart 2023 tot en met 28 april 2023 ter inzage hebben gelegen. Daarnaast was het bouwplan al die tijd digitaal raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Eenieder kon dus op de hoogte geraken van de plannen en heeft zienswijzen mogen indienen. Voor zover eisers beogen te betogen dat de publicatie van het ontwerpbesluit niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, is dat in het licht van hetgeen het college heeft toegelicht onvoldoende onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat het voor eisers frustrerend is dat zij de publicatie om welke reden dan ook gemist hebben, maar dit levert geen reden op om het bestreden besluit te vernietigen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is het college bij de vergunningverlening uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens?

7. Eisers betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college in het bestreden besluit is uitgegaan van een te brede watergang ter plaatse. Anders dan waar het college van uitgaat, is geen sprake van een watergang van 21 meter breed. De watergang is slechts 13,5 meter breed.

Het staat tussen partijen niet ter discussie dat het college bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van een onjuiste breedte van de watergang ter plaatse van 21 meter. De daadwerkelijke breedte betreft 13,50 meter. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het lag immers op de weg van het college om bij de voorbereiding van het te nemen besluit vast te stellen wat de werkelijke breedte van de watergang is. De breedte van deze watergang betreft een ruimtelijk relevant aspect en speelde daarmee een rol in de afweging of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Deze beroepsgrond slaagt dus.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eisers hierdoor niet worden benadeeld. Ook als wordt uitgegaan van de juiste (smallere) breedte van de watergang, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie en plaatsing van de nieuwe woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank licht dit hieronder nader toe.

Goede ruimtelijke ordening

8. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van de woonark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voeren eisers het volgende aan. De vergunde afmetingen van de woonark zijn te groot voor de betreffende ligplaats. Omdat een vergunning is verleend voor geschatte in plaats van exacte afmetingen, bestaat daarnaast ruimte om de gehanteerde normen voor afmetingen van woonschepen nog verder te overschrijden. Verder heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom het ruimtebeslag van de woonark op het water geen belemmering vormt voor de doorvaart. Er wordt niet voldaan aan de eis dat twee derde van de watergang vrij moet zijn voor doorvaart. Tot slot voeren eisers ter onderbouwing van hun standpunt aan dat het college bij de beoordeling of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hun uitzicht nog verder wordt beperkt dan nu al het geval is.

Het college stelt zich, hierin gesteund door vergunninghouder, op het standpunt dat het realiseren en plaatsen van de aangevraagde woonark aan de ligplaats op de Schelpenkade 35A niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Beoogde afmetingen van de woonark

De eisen voor afmetingen van woonarken waar eisers een beroep op doen, zijn opgenomen in het Ligplaatsenplan woonschepen 2012 (het ligplaatsenplan) dat deel uitmaakt van de Woonschepenverordening 2009 (de verordening). Woonschepen op deze locatie mogen op basis hiervan een opbouw hebben van maximaal 16 meter lang, 5,50 meter breed en 3 meter hoog. De ligplaats heeft een afmeting van maximaal 18 meter lang en 6 meter breed. De verordening en het ligplaatsenplan vormen samen het toetsingskader bij de beoordeling van een aanvraag om een ligplaatsvergunning. In dit geval gaat het echter niet om een ligplaatsvergunning, maar om een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de regels uit de verordening en het ligplaatsenplan niet rechtstreeks van toepassing zijn op de aanvraag.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het college de aanvraag beoordelen aan de hand van de bij de aanvraag gevoegde gegevens en stukken en niet aan de hand van hoe het bouwplan daadwerkelijk is of wordt uitgevoerd. Voor zover niet in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning wordt gebouwd, is dat een kwestie van handhaving. De vergunning is gebaseerd op de tekeningen bij de aanvraag. Deze tekeningen maken deel uit van de vergunning en daarop staan de exacte afmetingen van de nieuw te bouwen woonark. De vergunning is dus niet verleend op basis van de geschatte afmetingen van de woonark. Anders dan eisers kennelijk vrezen is het dus niet zo dat vergunninghouder op basis van de vergunning een grotere woonark kan bouwen dan op de tekeningen staat opgenomen. De afmetingen van de vergunde woonark passen binnen de maximale afmetingen van de ligplaats en voldoen aan de maximale afmetingen die voor woonschepen volgens het ligplaatsenplan op deze locatie gelden. De enkele stelling van eisers dat de afmetingen van de nieuwe woonark te groot zijn voor deze ligplaats en dat daarom de vergunning geweigerd had moeten worden, treft daarom geen doel.

Doorvaarbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de nieuwe woonark de doorvaart niet onaanvaardbaar belemmert, ook als wordt uitgegaan van de werkelijke breedte van de watergang van 13,50 meter. De rechtbank acht het redelijk dat het college voor de doorvaarbaarheid maatgevend heeft geacht dat de woonark naast die van vergunninghouder dezelfde of mogelijk zelfs nog iets grotere afmetingen heeft dan de woonark die is vergund met het bestreden besluit. Daarmee staat vast dat de doorvaarbaarheid van de watergang door de vergunde woonark niet verder beperkt wordt. In het bestemmingsplan is daarnaast vastgelegd dat op deze plek drie woonschepen mogen liggen in een aanduidingsvlak van 56 meter lang. In het ligplaatsenplan is vastgelegd dat de woonarken op deze plek een ligplaats mogen innemen van maximaal 18 meter lang en 6 meter breed. De vergunde woonark voldoet hieraan. Het Hoogheemraadschap heeft desgevraagd aan het college bevestigd dat de doorvaart niet verder wordt belemmerd.

Belemmering uitzicht

De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de beperkte afname van uitzicht voor eisers niet maakt dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de feitelijke situatie ter plekke, kan de rechtbank het college volgen in zijn argumentatie dat de gevolgen van het bestreden besluit voor het uitzicht van eisers op het water minimaal en aanvaardbaar zijn. De afmetingen vallen immers binnen de normen van het ligplaatsenplan en de verordening, sluiten aan bij de afmetingen van de naastgelegen woonarken en de nieuw te bouwen woonark wordt slechts beperkt groter dan de voormalige woonark van vergunninghouder. Ter zitting heeft het college bovendien onweersproken toegelicht dat de eisers die op de wal wonen vanaf de begane grond in de oude situatie ook al geen zicht hadden op het water.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren en plaatsen van de door vergunninghouder aangevraagde woonark op de ligplaats aan de [adres] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.

10. Gelet op overweging 7.1 en 7.2 kleeft aan het bestreden besluit wel een zorgvuldigheidsgebrek. Daarom moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Artikel 2.12

1.

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);

(…)

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (…).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand