RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709106 / JE RK 26-1234
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. van Haeften uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam 1],
hierna te noemen; de begeleider van [zorginstantie].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juli 2026 mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- [naam 2], namens de Raad;
[naam 3], namens de gecertificeerde instelling;
de begeleider van [zorginstantie].
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar begeleider van [zorginstantie], een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij [zorginstantie].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. Het verzoek
De Raad doet een herstelverzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd heeft langdurig onder toezicht gestaan en is al geruime tijd uit huis geplaatst. [minderjarige] verblijft nu 2 jaar bij [zorginstantie]. Haar perspectief wordt echter bij [zorginstelling] gezien. [minderjarige] is hier aangemeld en zij staat op de wachtlijst. Helaas is er nog geen concreet zicht op een mogelijke plaatsing. Onder meer deze onduidelijkheid, maar ook de interactiepatronen tussen [minderjarige] en de ouders, kunnen voor onveiligheid voor haar zorgen. Het gaat hierbij vooral over de interacties waarbij [minderjarige], als zij zich niet goed voelt, tegen afspraken in contact opneemt met de moeder. Het lukt de moeder dan onvoldoende om niet mee te gaan in de problematiek van [minderjarige], waardoor de situatie vervolgens verslechterd. Als [minderjarige] op zulke momenten geen contact met de moeder heeft dan doet ze dit bij de vader. [zorginstantie] wordt hierdoor buiten spel gezet. Tussen de moeder en de vader kan dit ook nog spelen. Het is blijvende problematiek, wat iets vraagt van de toekomstige woonplek. De vraag die hier centraal staat, is of de maatregelen nog noodzakelijk zijn. Alle betrokkenen zijn het er namelijk over eens dat een thuisplaatsing niet meer mogelijk is en dat [minderjarige] langdurig zorg nodig heeft. De Raad heeft overwogen, naar wens van de gecertificeerde instelling en de moeder, dat het wellicht mogelijk is om het gezin over te dragen aan het vrijwillige kader. Er is immers overeenstemming over het plan en het perspectief van [minderjarige], Oog voor Thuis kan de regie dan overnemen van de gecertificeerde instelling in het vrijwillige kader en de betrokken jeugdbeschermer is nu al nog zeer beperkt betrokken bij de gezinsleden.
De Raad is echter van mening, evenals de vader en [zorginstantie], dat de maatregelen nog noodzakelijk zijn. De problematiek van [minderjarige] en de dynamiek die zij heeft met haar ouders vereist een tussenpersoon die duidelijke kaders voor haar kan stellen. Mocht er plek vrijkomen bij [zorginstelling] dan kan begeleiding vanuit de gecertificeerde instelling ook helpend zijn, omdat dit een grote verandering voor [minderjarige] zal zijn. Bovendien ziet [zorginstantie] ook meerwaarde in een verlenging van de maatregelen.
De Raad overweegt dat het op dit moment niet goed gaat met [minderjarige] bij [zorginstantie]. De groep waar zij verblijft is niet passend voor haar en er is nog geen zicht op wanneer zij kan worden overgeplaatst. [minderjarige] heeft momenteel geen dagbesteding en gaat niet naar school, voelt zich ongelukkig, automutileert en er zijn regelmatig (heftige) escalaties op de groep van [zorginstantie]. [minderjarige] brengt haar dag vooral door op haar kamer. Daarnaast heeft [minderjarige] op dit moment geen vorm van hulpverlening.
De jeugdbeschermer ziet op dit moment geen mogelijkheden meer om de situatie door middel van de maatregelen te verbeteren en verschilt dus van mening met de Raad hierover.
De Raad is echter van mening dat, gezien het feit dat er veel meer zorgen zijn dan beschermende factoren, het afsluiten van de maatregelen op dit moment niet gepast is. Door de escalaties die nog plaatsvinden tussen [minderjarige] en de ouders en doordat er nog geen hulpverlening is ingezet, zouden [minderjarige] en de ouders in het vrijwillige kader op het moment van crisis op zichzelf aangewezen zijn. Dat is gezien de huidige situatie niet verantwoord. De Raad vindt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar daarom noodzakelijk.
4. De standpunten
De advocaat van de moeder heeft namens haar primair verzocht het verzoek af te wijzen. De maatregelen hebben geen meerwaarde meer. Alle betrokkenen zijn het eens over [minderjarige]’s huidige plaatsing en haar perspectief bij [zorginstelling]. In het afgelopen jaar is er niks binnen het gedwongen kader ingezet. De jeugdbeschermer heeft enkel een regiefunctie gehad, wat onvoldoende is om de maatregelen te rechtvaardigen. De jeugdbeschermer en de betrokken gedragswetenschapper delen deze mening ook. De maatregelen zijn een ultimum remedium en de nog aanwezige problematiek kan in het vrijwillige kader worden opgepakt. Subsidiair verzoekt de moeder dat, wanneer de maatregelen nog noodzakelijk worden geacht, de gecertificeerde instelling meer zal doen in het kader van de maatregelen. Er moet worden ingezet op therapie voor [minderjarige] en op het mogelijk maken van haar overplaatsing. De huidige situatie zorgt voor veel stress bij de moeder, wat niet in haar of [minderjarige]’s belang is.
De vader stemt in met het verzoek en sluit zich aan bij hetgeen de begeleider van [zorginstantie] ter zitting naar voren heeft gebracht. De vader heeft niet veel contact met de betrokken jeugdbeschermer, maar zijn betrokkenheid als tussenpersoon en in het handhaven van afspraken tussen [minderjarige] en de ouders is wel goed voor hen allemaal, omdat het wat meer afstand kan creëren tussen hen op moeilijke momenten.
De gecertificeerde instelling voert verweer tegen het verzoek en sluit zich aan bij het standpunt van de moeder en haar advocaat. Gelet op de leeftijd van [minderjarige], de bereikte overeenstemming over het toekomstperspectief en de beperkte toegevoegde waarde van het gedwongen kader in de huidige fase, wordt beëindiging van de maatregelen als passend gezien. De noodzakelijke ondersteuning dient primair gericht te zijn op het waarborgen van consistentie in afspraken, het hanteren van duidelijke kaders en het adequaat reageren op escalaties, hetgeen ook binnen een vrijwillig kader vormgegeven kan worden wanneer er een goede overdracht plaatsvindt.
De begeleider van [zorginstantie] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [zorginstantie] de maatregelen nog noodzakelijk acht. De gecertificeerde instelling heeft een beschermfunctie naar de ouders. [minderjarige] kan nog dwingend zijn in haar gedrag, waarbij escalaties hoog op kunnen lopen, en het is fijn als de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling dan nog de afspraken kan handhaven. Wanneer de jeugdbeschermer deze rol inneemt, kan [zorginstantie] in haar begeleiderrol blijven en de ouders in hun ouderrol. Hiernaast zijn de maatregelen nog goed voor de continuïteit voor [minderjarige] wanneer zij bij [zorginstelling] geplaatst zou worden, en [zorginstantie] niet meer betrokken is. Het gezin is nu aangemeld voor het regionaal expertiseteam, zodat kan worden onderzocht hoe [minderjarige] beter geholpen kan worden. Van de uitkomst van dit onderzoek is nog geen terugkoppeling geweest, maar ook hier is nog een taak voor de jeugdbeschermer.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe dat er sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie. Alle betrokkenen willen graag het beste voor [minderjarige] en zijn het eens over haar perspectief. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is echter ook gebleken dat de meningen nog sterk uiteen lopen met betrekking tot de maatregelen en in welke mate deze nog doelmatig en in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zijn. [minderjarige] is een meisje met complexe problematiek, waar zij, hoe verdrietig dit ook is, naar alle waarschijnlijkheid nog lange tijd last van zal hebben. De problematiek van [minderjarige] uit zich onder meer in soms dwingend contact naar haar ouders, wat kan leiden tot forse escalaties. [minderjarige] verblijft verder op dit moment op een groep van [zorginstantie], waar het niet goed met haar gaat en waar zij niet de hulpverlening en dagbesteding krijgt die zij nodig heeft. Er is nog geen zicht op wanneer een overplaatsing naar [zorginstelling], waar haar perspectief is bepaald, kan plaatsvinden. Het expertiseteam is ingeschakeld om te onderzoeken hoe [minderjarige] tot die tijd het beste geholpen kan worden, maar de kinderrechter begrijpt uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat hier nog geen advies uit is voortgekomen. Dit wordt ieder moment verwacht en dan kan de jeugdbeschermer dit oppakken.
Gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] en van de situatie en het feit dat er op dit moment nog veel meer zorgen zijn over haar dan beschermende factoren om haar te helpen, volgt de kinderrechter de Raad in haar betoog en is zij van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] nog noodzakelijk zijn. De kinderrechter volgt hierin ook de wensen van [minderjarige] zelf. [minderjarige] is zestien jaar en het is in haar belang dat haar mening wordt meegenomen in de overweging van zaken die over haar gaan. In het kader van de ondertoezichtstelling blijft het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer fungeert als tussenpersoon zodat de ouders in hun ouderrol kunnen blijven en zodat hun relatie met [minderjarige] niet wordt verstoord. Ook dient de jeugdbeschermer zich verder in te zetten voor de plaatsing van [minderjarige] bij [zorginstelling] en kan de jeugdbeschermer de adviezen van het expertiseteam ten uitvoer leggen wanneer deze bekend zijn.
Gelet op het voorgaande zijn de maatregelen nog steeds nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ook verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.