RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709324 / JE RK 26-1264
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H. Loonstein uit Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
BRP-adres te [plaats] , feitelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juli 2026;
het rapport van de Raad van 27 juli 2026;
- de brief van de vader met bijlagen van 29 juli 2026;
- productie met begeleidend schrijven van de advocaat van de moeder van 29 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
2. De feiten
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] verblijft bij de moeder. Isabelle verblijft in een netwerkpleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 mei 2026 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 1 augustus 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder en een machtiging verleend [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de moeder en van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden ernstig bedreigd in hun ontwikkeling. Er bestaan zorgen over tekortkomingen in meerdere opvoeddomeinen. Door verschillende verhuizingen van het gezin ontbrak het aan een vaste woonomgeving, continuïteit in onderwijs of kinderopvang en een stabiele betrokkenheid van de gezondheidszorg. Omdat de kinderen lange tijd niet naar school of de peuterspeelzaal gingen en weinig deelnamen aan gestructureerde activiteiten, waren ook hun contacten met leeftijdsgenoten beperkt, hetgeen hun sociale ontwikkeling negatief heeft beïnvloed. Dit was voornamelijk bij [de minderjarige 1] merkbaar toen zij ging starten op de basisschool. [de minderjarige 1] liet zowel op cognitief als sociaal-emotioneel gebied een ontwikkelingsachterstand zien. Ook vertoonde zij fysiek agressief gedrag. Daarnaast tonen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] boosheid en agressie tegen elkaar en kunnen zij hun eigen emoties niet reguleren. [de minderjarige 1] ging niet regelmatig naar school en was nog niet zindelijk. Door de verhuizingen en de wisselende houding van de ouders kwam hulp voor de kinderen niet goed van de grond. Verder is er sprake van veel onrust en een verstoorde dynamiek tussen de ouders. De kinderen zijn blootgesteld aan verbale en mogelijk ook fysieke escalaties binnen de thuissituatie tussen de ouders, wat een risico vormt voor hun gevoel van veiligheid en hun sociaal-emotionele ontwikkeling.
De Raad ziet wel dat sinds de start van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder en het netwerkpleeggezin positieve stappen zijn gezet. De echtscheidingsprocedure is in gang gezet en er wordt zeer intensieve hulpverlening bij de moeder thuis ingezet, waar de moeder ook van lijkt te profiteren. Daarnaast lijkt er, mede door de machtiging uithuisplaatsing, wat rust te zijn ontstaan in de woonomgeving van de kinderen. Bij [de minderjarige 1] wordt een positieve ontwikkeling gezien door moeder, en deze wordt bevestigd door de school. Bovendien is zij inmiddels zo goed als zindelijk. Volgens het netwerkgezin doet [de minderjarige 2] het daar ook goed. Er is echter momenteel weinig zicht vanuit de hulpverlening op hoe het werkelijk met [de minderjarige 2] gaat. Hoewel er dus sprake is van een positieve ontwikkeling, is deze nog erg pril. De Raad heeft zorgen over in hoeverre de moeder zonder deze zeer intensieve hulpverlening weerbaar en opvoedvaardig genoeg is om zelfstandig de zorg voor beide kinderen te dragen. Ook wordt gezien dat de communicatie tussen ouders zeer zorgwekkend verloopt en is verhard. De Raad heeft zorgen over de positie van de vader. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en heeft de kinderen in de afgelopen maanden zeer weinig gezien. Het is nog niet gelukt om met elkaar afspraken te maken rondom een goede omgangsregeling. Ook de fysieke en emotionele afstand tot het netwerkgezin waar [de minderjarige 2] verblijft, bemoeilijkt het realiseren van een gestructureerde omgangsregeling met de ouders. Hierdoor bestaat het risico dat de band tussen de ouders en de kinderen verder onder druk komt te staan.
De moeder heeft [de minderjarige 2] de afgelopen periode slechts een keer gezien wegens het ontbreken van de financiële middelen om naar Drenthe te reizen. Juist in deze levensfase wordt de ouder-kindrelatie opgebouwd en onderhouden door frequente, voorspelbare en betekenisvolle contactmomenten. Ook wanneer een kind tijdelijk elders verblijft, blijft het van belang dat de ouders, voor zover dit veilig en in het belang van het kind is, fysiek aanwezig zijn en een actieve rol blijven vervullen. Dit wordt door de Raad niet mogelijk geacht door de plaatsing in het huidige netwerkpleeggezin. De Raad is van mening dat gelet op de grote zorgen, het feit dat het ouders onvoldoende lukt te profiteren van hulpverlening in het vrijwillige kader en dat het hen onvoldoende lukt in het belang van de kinderen te communiceren en afspraken te maken over hen, een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk is. De jeugdbeschermer kan de regie voeren in de hulpverlening en kan fungeren als tussenpersoon tussen de ouders. Ook dient een omgangregeling te worden opgesteld. Verder is de Raad van mening dat het in het belang is van [de minderjarige 1] dat zij bij de moeder kan blijven. Voor [de minderjarige 2] is het noodzakelijk dat zij in een neutraal pleeggezin in de regio geplaatst wordt, zodat zij regelmatig contact met beide ouders kan hebben.
4. De standpunten
De vader berust in het verzoek van de Raad. Wel wil de vader naar voren brengen dat hij zich in zeer lastige positie bevindt. De vader heeft geen eigen woon- of verblijfplaats omdat hij uit de gezamenlijke woning is gezet en hij mag niet in de woning verblijven. Toch heeft de moeder meerdere keren een beroep op hem gedaan om langs te komen om te zorgen voor [de minderjarige 1] op momenten dat zij de zorg niet kon dragen waardoor de financiële situatie van de vader erg is verslechterd. De vader is op dit moment bezig met het verkrijgen van urgentie om een woning te krijgen, waarin de Raad en de gecertificeerde instelling hem ondersteunen. De vader benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat beide ouders een rol spelen in hun leven. Hij heeft beide kinderen sinds het uit elkaar gaan zeer weinig gezien. De moeder staat niet open voor het door hem voorgestelde ouderschapsplan. Ook wordt de vader door zowel de moeder als het netwerkpleeggezin van [de minderjarige 2] buitengesloten en wordt hij geblokkeerd op Whatsapp.
Er is door en namens de moeder ingestemd met het verzoek van de Raad met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de moeder. Wel voert de moeder verweer tegen het verzoek van de Raad om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin. [de minderjarige 2] verblijft nu bij een vriendin van de moeder. Het is in [de minderjarige 2] haar belang dat zij hier kan blijven. Het zorgt voor stabiliteit voor haar en het is ook op financieel gebied mogelijk. Hiernaast wil de moeder naar voren brengen dat de moeder niet heeft ingestemd het door de vader voorgestelde ouderschapsplan, omdat hier geen vaste tijdstippen voor de omgangsmomenten met de kinderen in staan, wat de kern van het probleem is. De moeder wil hierover juist graag afspraken maken met de vader, en wanneer er wel afspraken gemaakt wordt, komt de vader niet altijd opdagen. De moeder heeft de vader geblokkeerd op Whatsapp omdat hij het contact niet kan beperken tot zaken rondom de kinderen. De moeder is zich bewust van haar eigen rol in de huidige situatie. De moeder heeft hulp nodig in het maken van stappen in de opvoeding van de kinderen en is daarom ook blij met de ondertoezichtstelling. De moeder heeft al veel geleerd en ziet ook een groei bij [de minderjarige 1] .
De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard. Zij erkent en herkent de zorgen van de Raad. Het gaat beter in de thuissituatie bij de moeder vooral dankzij de intensieve hulpverlening van NEXT ST3P, die twintig uur per week aanwezig is. De hulpverlening zorgt voor meer structuur, rust en veiligheid in de thuissituatie en biedt de moeder handvatten in de opvoeding van [de minderjarige 1] . De vader heeft op dit moment geen vaste woon-of verblijfplaats. De gecertificeerde instelling wil graag een concrete zorgregeling opstellen, maar het lukt de vader door zijn huidige lastige woonsituatie onvoldoende te committeren aan afspraken hierover. Het contact tussen ouders is ernstig verstoord, zij moeten beiden werken aan individuele problematiek en er lopen veel regelzaken rondom de echtscheiding. De kinderen zijn hier de dupe van. Het is van belang dat de ouders in het vervolg hun contact alleen laten verlopen met de jeugdbeschermer als tussenpersoon, maar zij hebben zich hier tot op heden niet aan gehouden. Dit is een onderdeel van een jarenlang patroon bij de ouders. Verder is de gecertificeerde instelling van mening dat de netwerkplaatsing van [de minderjarige 2] het toewerken naar een thuisplaatsing belemmert. Er is te weinig zicht op de opvoedsituatie bij het netwerkpleeggezin en het is te ver weg voor beide ouders. Ook is er sprake van verstoord contact tussen de vader en de netwerkpleegouders. Beide ouders hebben [de minderjarige 2] in de afgelopen drie maanden slecht één keer gezien. Het is in haar belang noodzakelijk dat zij in een neutraal pleeggezin in de regio wordt geplaats.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt al geruime tijd ernstig bedreigd. Zij zijn in hun korte leven al blootgesteld aan veel onrust, instabiliteit en onveiligheid. De ouders zijn veelvuldig verhuisd met de kinderen, waardoor het hen ontbrak aan een vaste woonomgeving, continuïteit in onderwijs of kinderopvang en een stabiele betrokkenheid van de gezondheidszorg. Ook zijn de kinderen blootgesteld aan verbale en fysieke escalaties tussen de ouders. Aan het gedrag van de kinderen is te zien dat zij worden belast door de gebeurtenissen in hun jeugd. Hiernaast is er sprake van een relatiebreuk tussen de ouders, waarbij de moeder een echtscheidingsprocedure is gestart. De communicatie tussen de ouders is verstoord en het lukt hen momenteel niet om in het belang van de kinderen afspraken te maken. Dit is echter wel hun verantwoordelijkheid en van de ouders wordt verwacht dat zij hun houding veranderen. Hoewel het positief is dat in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing een licht stijgende lijn wordt waargenomen, zijn deze veranderingen nog te gering en te pril. De ouders dienen beiden hun jarenlange patronen te doorbreken, te werken aan hun eigen problematiek en om te zorgen dat zij beiden zelfstandig kunnen voorzien in de opvoedbehoeftes van de kinderen. Naar verwachting zullen er hiernaast nog veel zaken moeten worden geregeld in het kader van de echtscheiding en in het opnieuw uitvinden welke ouderrol beide ouders zullen kunnen innemen. In het bijzonder de vader zit momenteel in een erg lastige positie door het niet langer hebben van een woning, nu moeder in de voormalig gezamenlijke woning verblijft. Daarvoor moet aandacht bestaan en de kinderrechter verwacht van de moeder dat ook zij zich maximaal inzet voor het mogelijk maken van regelmatig contact tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders hier in het komende jaar hulp bij moeten krijgen, aangezien hulpverlening en ondersteuning in het vrijwillige kader niet toereikend zijn gebleken.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe dat de vader op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en hij de kinderen in de afgelopen maanden zeer weinig heeft gezien. De vader is door de huidige omstandigheden niet in staat om de zorg voor de kinderen te dragen. De kinderrechter benadrukt dat alle betrokken instanties zich dienen te in te zetten om de vader hulp aan te bieden met het vinden van een woning, nu dit eraan bijdraagt dat de vader regelmatig contact kan hebben met de kinderen, wat in hun belang is. De kinderrechter begrijpt uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen dat het beter gaat met [de minderjarige 1] sinds zij, met hulp van de betrokken intensieve hulpverlening, bij de moeder verblijft. Het is in het belang van [de minderjarige 1] dat deze woonsituatie wordt voortgezet. Ook is het in het belang van [de minderjarige 1] dat de vader actief betrokken blijft bij haar, zoals eerder ook kon toen de moeder een beroep op hem deed. Momenteel is verblijf bij de moeder mede mogelijk door de zeer intensieve hulpverlening bij de moeder thuis. Wanneer de vader een deel van de verzorging en opvoeding op zich neemt, kan mogelijk gewerkt worden naar de situatie dat minder intensieve hulpverlening voldoende is. Voor de toekomst van de kinderen is dit de beste uitkomst: beide ouders vervullen een rol en beide ouders zijn actief bij beide kinderen betrokken. De vader dient de gelegenheid te hebben deze rol te blijven vervullen en niet afhankelijk te zijn van de moeder. Van de moeder wordt verwacht dat zij haar medewerking verleent. Voor de jeugdbeschermer ligt hier ook een taak om te bezien welke rol de vader kan gaan vervullen. Daarom is het ook van groot belang dat de vader zo spoedig mogelijk woonruimte heeft in de nabijheid van zijn beide kinderen. De kinderrechter machtigt de gecertificeerde instelling om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen bij de moeder voor de duur van zes maanden.
Met betrekking tot de plaatsing van [de minderjarige 2] overweegt de kinderrechter dat het [de minderjarige 2] ’s belang is dat zij geplaatst wordt in een neutraal pleeggezin. De kinderrechter begrijpt dat stabiliteit belangrijk is voor [de minderjarige 2] en dat het onwenselijk is dat zij nog een wisseling in woonsituatie moet meemaken, maar is ook van oordeel dat het recht van [de minderjarige 2] op regelmatig contact met beide ouders in deze situatie belangrijker is. Het is onbekend hoe lang het nog zal duren voordat de echtscheidingsprocedure is voltrokken, de vader een woning heeft gevonden en een duurzame zorgregeling kan worden vastgesteld. In de tussentijd is het in het belang van [de minderjarige 2] dat zij in de regio kan verblijven, zodat met beide ouders gekeken kan worden naar de rol die zij in de toekomst ieder kunnen gaan vervullen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] en een mogelijke thuisplaatsing bij een van hen. Daarvoor is nodig dat beide ouders betrokken worden door de jeugdbeschermer bij de te maken afspraken. De vader dient zo spoedig mogelijk in de regio woonruimte te vinden, zodat hij zijn rol hierin kan oppakken, De kinderrechter hoopt dat dit door middel van een urgentieverklaring kan worden bespoedigd. De kinderrechter machtigt daarom de gecertificeerde instelling om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een neutrale voorziening van pleegzorg voor de duur van zes maanden.
Na ommekomst van de termijn van voornoemde machtigingen termijn, als door de gecertificeerde instelling wordt besloten om te verzoeken de maatregel te verlengen, is het voor de kinderrechter van belang te vernemen of de ouders er in geslaagd zijn mee te werken aan een goede taakverdeling tussen hen beiden als ouders, dan wel waardoor het komt dat dit niet is gelukt. De jeugdbeschermer dient actief dit proces te begeleiden, de vader dient alleen te communiceren met de jeugdbeschermer, niet langer rechtstreeks met de moeder, nu dat in dit stadium te belastend is.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 juli 2026 tot 30 januari 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de moeder met ingang van 30 juli 2026 tot 30 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.