ECLI:NL:RBDHA:2026:22465

ECLI:NL:RBDHA:2026:22465

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer C/09/691662 / HA ZA 25-817
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bestuurdersaansprakelijkheid. Koopovereenkomst woning. Financieringsvoorbehoud niet tijdig ingeroepen. Geen persoonlijk ernstig verwijt bestuurder.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/691662 / HA ZA 25-817

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. J.I. Esveldt te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

1. [gedaagde 1] B.V. te Den Haag,

niet verschenen,2. [gedaagde 2] te Den Haag,

advocaat: mr. A.C. Hansen te Rotterdam,

gedaagden.

Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als [gedaagden] c.s. (vrouwelijk enkelvoud).

1. Waar gaat deze zaak over?

[gedaagde 2] en [eiser] hebben een koopovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagde 2] een woning van [eiser] zou afnemen. De schriftelijke koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud. [gedaagde 2] is (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] . Door middel van contractsovername heeft [gedaagde 1] de positie van koper overgenomen.

[gedaagde 1] heeft de woning uiteindelijk niet afgenomen. Het financierings-voorbehoud is niet tijdig door [gedaagde 1] ingeroepen. [eiser] vordert in deze procedure betaling door [gedaagde 1] van de contractuele boete van 10% van de koopsom. Daarnaast meent [eiser] dat [gedaagde 2] in haar hoedanigheid als (indirect) bestuurder aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het niet nakomen van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] . [eiser] vordert daarom ook van [gedaagde 2] 10% van de koopsom.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] ten opzichte van [gedaagde 1] toe en de vorderingen ten opzichte van [gedaagde 2] af.

2. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 8 september 2025 met producties 1 tot en met 14;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met productie 1;

- de conclusie van antwoord in incident;

- het vonnis in incident van 18 februari 2026; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;

- de akte eiswijziging met producties 15 tot en met 17.

Op 19 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eis verminderd en verklaard dat hij geen aanvullende schadevergoeding meer vordert (vordering IV), zodat deze vordering hierna geen bespreking en beoordeling meer behoeft.

3. De feiten

[eiser] was eigenaar van een woning in [plaats] (hierna: de woning).

[gedaagde 1] is een thuiszorgonderneming die is opgericht in januari 2024. [bedrijfsnaam] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] . [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V.

Op 20 februari 2025 heeft [eiser] als verkoper met [gedaagde 2] als koper een schriftelijke koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning voor een koopsom van € 1.560.000 (hierna: de koopovereenkomst). [eiser] is bij de verkoop bijgestaan door een verkoopmakelaar van [makelaar] te Den Haag (hierna: de makelaar).

In de koopovereenkomst, die is gebaseerd op de NVM-model koopovereenkomst zijn, voor zover van belang, de volgende artikelen opgenomen:

artikel 5 Bankgarantie/ Waarborgsom

Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 20 maart 2025 een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 156.000,-, zegge EENHONDERDZESENVIJFTIGDUIZEND EURO. Deze bankgarantie moet onvoorwaardelijk zijn, voortduren tot ten minste één

maand na de overeengekomen datum van eigendomsoverdracht, en de clausule bevatten dat de desbetreffende bankinstelling op eerste verzoek van de notaris het bedrag van de garantie aan de notaris zal uitkeren. Indien het bedrag van de garantie aan de notaris wordt uitgekeerd, zal deze daarmee handelen als in artikel 11 is bepaald. Indien zich het gestelde in artikel 11.5 sub d voordoet, dient de bankgarantie te worden verlengd bij gebreke waarvan partijen de notaris ingevolge deze koopovereenkomst verplichten de bankgarantie te innen. Bij dezen wordt de notaris verplicht en voor zover nodig onherroepelijk gemachtigd om, zodra koper aan diens verplichtingen heeft voldaan en de juridische levering is voltooid, de bankinstelling te berichten dat de door koper gestelde bankgarantie kan vervallen. Onder bankinstelling wordt in dit artikel begrepen een bank of verzekeraar in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht.

In plaats van deze bankgarantie te stellen kan koper een waarborgsom storten ter hoogte van het in artikel 5.1 genoemde bedrag in handen van de notaris via diens derdenrekening.

De waarborgsom moet uiterlijk op de in artikel 5.1 genoemde dag zijn bijgeschreven op genoemde rekening.

Deze waarborgsom zal, behoudens het in artikel 11 bepaalde, met de koopsom worden verrekend voor zover de koopsom en het overige door koper verschuldigde niet uit een door koper aangegane geldlening worden voldaan. Het gedeelte van de waarborgsom dat niet wordt verrekend, wordt aan koper terugbetaald zodra koper aan diens verplichtingen op grond van deze koopovereenkomst heeft voldaan.(…)

artikel 15 Ontbindende voorwaarden

Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk:

a. op 13 maart 2025 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van 100 % van de koopsom geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen,

Onder bankinstelling wordt in dit artikel begrepen een bank of verzekeraar in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht;(…)

Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde financiering en/of toezegging(en) en/of andere zaken te verkrijgen.

De partij die de ontbinding inroept, dient er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de 1e werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen.

Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub a. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder 'goed gedocumenteerd' verstaan dat één afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. In aanvulling hierop komen partijen overeen dat koper de/het volgende stuk(ken) dient over te leggen om te voldoen aan het vereiste van 'goed gedocumenteerd': De afwijzing dient de informatie te bevatten van de hoogte van de aangaande financiering, het onderpand waarvoor de hypotheek is aangevraagd, de NAW gegevens van de aanvrager(s) en de reden van afwijzing. En de aanvraag/afwijzing dient op normaal geldende marktconforme voorwaarden en condities te zijn. Alsdan zijn beide partijen van deze koopovereenkomst bevrijd. De door koper reeds gedane stortingen worden vervolgens gerestitueerd. Degenen die deze stortingen onder zich hebben worden daartoe bij dezen verplicht, en voor zover nodig onherroepelijk gemachtigd.

Op 27 februari 2025 heeft de financieel adviseur van [gedaagde 2] , de heer [naam] (hierna: [naam] ) uitstel gevraagd voor het verkrijgen van financiering. De makelaar heeft diezelfde dag namens [eiser] bevestigd dat uitstel wordt verleend tot en met 3 april 2025.

Op 8 maart 2025 hebben [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een overeenkomst genaamd ‘NVM contractsovername koopovereenkomst’ gesloten (hierna: de contractsovername). Op basis van die overeenkomst zijn de rechten en plichten uit de koopovereenkomst van [gedaagde 2] overgegaan op [gedaagde 1] .

Op 1 april 2025 heeft [naam] opnieuw om uitstel voor het verkrijgen van financiering gevraagd. De makelaar heeft op diezelfde dag gereageerd dat uitstel wordt verleend voor het verkrijgen van financiering tot 17 april 2025 en voor het stellen van de bankgarantie of waarborgsom tot 24 april 2025.

[gedaagde 1] heeft het financieringsvoorbehoud niet voor 17 april 2025 ingeroepen en heeft ook geen bankgarantie of waarborgsom gesteld.

Op 14 mei 2025 heeft [gedaagde 1] aan de makelaar gemeld dat zij de koopovereenkomst wil ontbinden. De makelaar heeft [gedaagde 1] diezelfde dag per e-mail in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 15 mei 2025 een afwijzing van een geldverstrekker aan te leveren. Dit heeft [gedaagde 1] niet gedaan.

De makelaar heeft op 20 mei 2025 namens [eiser] een ingebrekestelling aan [gedaagde 1] gestuurd, waarin [gedaagde 1] in de gelegenheid wordt gesteld om binnen acht dagen alsnog een bankgarantie te stellen of waarborgsom te storten. [gedaagde 1] heeft dit niet gedaan.

Per brief van 30 mei 2025 heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden en [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van een contractuele boete van € 156.000.

[eiser] heeft [gedaagde 1] per brief van 17 juli 2025 nogmaals gesommeerd tot betaling van de contractuele boete. [gedaagde 1] heeft de contractuele boete niet aan [eiser] betaald.

Op 31 juli 2025 heeft [gedaagde 1] per e-mail gereageerd dat zij door [naam] is misleid en dat zij aangifte tegen hem gaat doen.

[eiser] heeft in augustus 2025 ten laste van [gedaagde 1] conservatoir beslag gelegd.

4. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 156.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair:

II. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 156.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;

meer subsidiair:

III. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 156.000, te vermeerderen met de wettelijke rente;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

IV. [Ingetrokken]

V. [gedaagden] c.s., [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten;

VI. [gedaagden] c.s., [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

VII. [gedaagden] c.s., [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser] legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat [gedaagde 1] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst. [gedaagde 1] heeft niet tijdig het financieringsvoorbehoud ingeroepen. [eiser] heeft [gedaagde 1] in gebreke gesteld. Aan die ingebrekestelling is geen gehoor gegeven, zodat [gedaagde 1] in verzuim is geraakt. Omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten en in verzuim is geraakt, heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden. Als gevolg van de ontbinding is [gedaagde 1] een contractuele boete van 10% van de koopprijs, te weten € 156.000, verschuldigd.

Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en op grond daarvan gehouden is tot vergoeding van de door hem geleden schade. [eiser] vordert daarom ook van [gedaagde 2] € 156.000. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de contractsovername vernietigbaar is vanwege bedrog en/of dwaling, zodat [gedaagde 2] contractspartij is gebleven en aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst.

[gedaagde 2] voert verweer. [gedaagde 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De vorderingen jegens [gedaagde 1] worden toegewezen

Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend. De tegen [gedaagde 1] ingestelde vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat zij deze zal toewijzen als vermeld in de beslissing.

De vorderingen jegens [gedaagde 2] worden afgewezen

Bestuurdersaansprakelijkheid

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het tekortschieten van [gedaagde 1] in de nakoming van de koopovereenkomst en de daaruit voortvloeiende schade.

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Alleen onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Eén van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt. Persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. In de kern houdt deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.

Een andere grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid betreft de situatie dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (‘verhaalsfrustratie’), in welk geval de bestuurder ook een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.

Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen; de stelplicht en bewijslast daarvan rusten op degene die de bestuurder aanspreekt.

[eiser] stelt dat [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] de Beklamel-norm heeft geschonden. Volgens [eiser] wist of behoorde [gedaagde 2] te begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou kunnen bieden voor de daaruit door [eiser] te lijden schade. Desondanks heeft zij de contractsovername gesloten. Ter onderbouwing stelt [eiser] dat [gedaagde 2] de verwachting heeft geschept dat [gedaagde 1] de aangegane verplichtingen zou kunnen nakomen. Als enig (indirect) bestuurder wist of behoorde [gedaagde 2] echter te weten dat [gedaagde 1] niet aan de betalingsverplichting uit de koopovereenkomst kon voldoen, omdat het een lege vennootschap betreft. Omdat [gedaagde 2] desondanks de contractsovername is aangegaan heeft [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld en treft haar een persoonlijk ernstig verwijt, zodat zij aansprakelijk is voor de uit die onrechtmatige daad voortvloeiende schade, aldus [eiser] . Verder stelt [eiser] dat [gedaagde 2] heeft bewerkstelligd dat [gedaagde 1] haar betalingsverplichtingen niet is nagekomen. Volgens [eiser] is sprake van betalingsonwil, omdat [gedaagde 2] met de contractsovername heeft bewerkstelligd dat de rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst zijn overgedragen aan een lege vennootschap. Tot slot kan [gedaagde 2] volgens [eiser] worden verweten dat zij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar [naam] .

[gedaagde 2] voert verweer en betwist dat haar als (indirect) bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat [naam] een malafide adviseur was en dat zij door hem is misleid. [gedaagde 2] voert aan dat zij stukken naar [naam] heeft gezonden en dat zij op basis van zijn mededelingen ervan uit is gegaan dat de benodigde financiering zou worden verkregen. Zij is er pas na het verstrijken van de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud achter gekomen dat [naam] geen financieringsaanvraag heeft ingediend. Ter onderbouwing wijst [gedaagde 2] op overgelegde whatsapp-correspondentie met [naam] .

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in het licht van het verweer van [gedaagde 2] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [gedaagde 2] bij het aangaan van de contractsovername wist of behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. [gedaagde 2] heeft toegelicht dat zij op basis van haar eigen onderzoek op verschillende websites ervan uit is gegaan dat [gedaagde 1] in staat was de hypothecaire lasten met betrekking tot de woning te voldoen en dat [naam] dit aan haar heeft bevestigd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van [gedaagde 2] in de gegeven omstandigheden als naïef worden aangemerkt. Zij is immers door de contractsovername namens [gedaagde 1] de verplichting aangegaan om een woning af te nemen tegen een koopprijs van € 1.560.000, terwijl [gedaagde 1] pas een jaar ervoor was opgericht, [gedaagde 2] zelf geen ervaring had met het kopen van een woning, zij weliswaar een financieel adviseur ( [naam] ) heeft ingeschakeld om haar te helpen bij het verkrijgen van een financiering maar met hem geen enkele afspraak op papier heeft gezet, vervolgens enkel is afgegaan op de mededeling van die adviseur dat de financiering rond was en de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud heeft laten verstrijken zonder zijn mededeling nader te verifiëren. Dit handelen wijst er naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet op dat [gedaagde 2] op het moment van het sluiten van de contractsovername wist of moest begrijpen dat [gedaagde 1] haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen en dat haar als (indirect) bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank acht daarbij van belang dat in dit geval een financieringsvoorbehoud is bedongen dat bij de contractsovername gehandhaafd is gebleven. Daaruit kan juist worden afgeleid dat [gedaagde 2] geen onverantwoord (ondernemers)risico heeft willen nemen en richting de verkoper geen te rooskleurig beeld heeft willen schetsen van de financiële situatie van [gedaagde 1] . Van een onverantwoord risico zou naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval pas sprake zijn geweest wanneer [gedaagde 2] bij het sluiten van de contractsovername had kunnen voorzien dat [gedaagde 1] geen financiering zou kunnen krijgen en geen financieringsvoorbehoud zou hebben bedongen.

De rechtbank meent verder dat er - anders dan door [eiser] is aangevoerd - geen aanleiding is voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht voor [gedaagde 2] inhoudende dat zij moet aantonen dat [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de contractsovername wel over voldoende financiële middelen beschikte om de woning aan te kopen. Het gaat immers niet om de vraag of [gedaagde 1] op het moment van het sluiten van de contractsovername voldoende middelen had om de koopsom voor de woning te kunnen voldoen, maar om de vraag of [gedaagde 1] de voor de aankoop van de woning benodigde financiering kon verkrijgen.

[eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van verhaalsfrustratie. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat de reden voor de contractsovername is gelegen in haar plannen om de woning (ook) voor bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 1] te gebruiken. [eiser] heeft dit onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank ook niet toekomt aan bewijslevering over de vraag of de contractsovername uitsluitend bedoeld was om [eiser] te benadelen en in zijn verhaal te frustreren.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat [gedaagde 2] zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het beroep van [eiser] op bestuurdersaansprakelijkheid slaagt dan ook niet.

Beroep op vernietiging vanwege dwaling en/of bedrog

[eiser] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de contractsovername vernietigbaar is omdat deze onder invloed van dwaling en/of bedrog is gesloten. Dit heeft volgens [eiser] als gevolg dat [gedaagde 2] contractspartij is gebleven bij de koopovereenkomst en aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen daaruit. [eiser] voert hiertoe aan dat hij is afgegaan op de mededeling van [gedaagde 2] dat haar financieel adviseur zou hebben gezegd dat [gedaagde 1] de woning kon betalen.

[gedaagde 2] betwist dat aan [eiser] een beroep op dwaling en/of bedrog toekomt. Volgens [gedaagde 2] baseert [eiser] zijn beroep op dwaling en/of bedrog op een uitsluitend toekomstige omstandigheid, omdat het ten tijde van de contractsovername nog voor beide partijen onzeker was of [gedaagde 1] de benodigde financiering zou verkrijgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien [eiser] de vernietiging van de contractsovername wil inroepen, rust op hem de stelplicht en bewijslast van alle voor een beroep op dwaling of bedrog noodzakelijke feiten. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat de contractsovername onder invloed van dwaling tot stand is gekomen onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht wat (precies) de onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van de totstandkoming van de contractsovername was, dat [gedaagde 2] haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat [eiser] de contractsovername bij de juiste inlichtingen niet zou hebben gesloten. Ook heeft [eiser] onvoldoende feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat de contractsovername onder invloed van bedrog tot stand is gekomen. Het beroep van [eiser] op vernietiging van de contractsovername slaagt daarom niet.

Proceskosten en beslagkosten

[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld ten opzichte van [eiser] en moet daarom de proceskosten (inclusief beslagkosten en nakosten) van [eiser] betalen. De beslagkosten zullen worden toegewezen voor zover deze blijken uit de door [eiser] overgelegde exploten (€ 2.238,75). Daarnaast wordt bij het salaris advocaat een extra punt toegekend voor het opstellen van het beslagrekest. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 123,06

- griffierecht € 2.723,00 (waarvan € 331 voor het beslagrekest)

- salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten x tarief V à € 2.051)

- overige explootkosten € 2.238,75

- nakosten € 189,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)

Totaal € 9.375,81

[eiser] is ten opzichte van [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 2] betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht € 2.723,00

- salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten x tarief V à € 2.051)

- nakosten € 189,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)

Totaal € 7.014,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 156.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.335 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] van € 9.375,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [gedaagde 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van [eiser] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 7.014, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van [gedaagde 2] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

3219

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand