RECHTBANK Den Haag
2 2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ([land]),
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/700228 / HA ZA 26-199
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. K. Haak te Zoetermeer,
tegen
1. [gedaagde 1] B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam], te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. R.H. Bouwman te Amsterdam,
niet verschenen,
gedaagden,
Partijen worden hierna [eiser], de bewindvoerder en [gedaagde 2] genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 augustus 2025 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord van de bewindvoerder;
- het tussenvonnis van 13 mei 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald;
- de door [eiser] overgelegde pleitnotities.
Op 30 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
De kantonrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juli 2021 de goederen die (zullen) toebehoren aan mevrouw [naam] onder bewind gesteld. BilancioBudget B.V. (hierna: de voormalig bewindvoerder) is destijds als bewindvoerder benoemd. Bij beschikking van 22 oktober 2024 is de voormalig bewindvoerder per 1 november 2024 ontslagen als bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming van de bewindvoerder tot bewindvoerder.
[eiser] en [naam] hebben een affectieve relatie gehad. Deze is op 18 februari 2023 geëindigd.
[eiser] heeft op 22 februari 2023 een betaling van € 36.000,00 aan [naam] verricht.
In de periode tussen 23 en 28 februari 2023 heeft [eiser] nog meer betalingen aan [naam] verricht. Deze bedragen zijn door [naam] aan [eiser] terug gestort.
[eiser] heeft op 28 februari 2023 vier betalingen aan [gedaagde 2] verricht van in totaal € 43.000,00.
[eiser] heeft op 14 maart 2023 bij de politie jegens [naam] aangifte gedaan van afpersing en/of afdreiging, mishandeling, diefstal/verduistering van geld en credit card passen. In de aangifte heeft [eiser] (samengevat) het volgende verklaard. Hij is door drie mannen, onder wie de neef van [naam], benaderd en zij hebben hem onder dreiging van het openbaar maken van belastend fotomateriaal ertoe bewogen geld over te maken. [eiser] heeft hier gehoor aan heeft gegeven, omdat hij bang was dat zijn familie wat zou worden aangedaan. [eiser] heeft op basis van instructies van de neef van [naam] betalingen aan [naam] en [gedaagde 2] verricht. Ten slotte heeft [eiser] verklaard dat er op 11 februari 2023 een ruzie tussen [eiser] en [naam] heeft plaatsgevonden tijdens een overnachting in een hotel in Amsterdam.
Op 5 maart 2024 heeft [eiser] een sommatiebrief aan [naam] gestuurd, waarin hij haar sommeert om hem € 64.000,00 te betalen. [naam] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.
[eiser] heeft de voormalig bewindvoerder op 10 juli 2024 gesommeerd tot betaling van € 64.000,00. Ook hieraan is geen gevolg gegeven.
Op 14 maart 2024 heeft [eiser] een sommatiebrief aan [gedaagde 2] gestuurd, waarin hij hem sommeert om € 43.000,00 te betalen. In de brief wordt tevens aanspraak gemaakt op betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde 2] is niet overgegaan tot betaling.
[eiser] heeft [gedaagde 2] bij brieven van 19 april 2024 en 10 juli 2024 opnieuw gesommeerd tot betaling, maar [gedaagde 2] heeft ook hieraan geen gevolg gegeven.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de bewindvoerder:
I. de bewindvoerder te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 36.000,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
II. de bewindvoerder te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 1.135,00 aan buitengerechtelijke kosten te betalen.
Ten aanzien van [gedaagde 2]:
III. [gedaagde 2] te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 43.000,00 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
IV. [gedaagde 2] te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 1.205,00 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;
Ten aanzien van zowel de bewindvoerder als [gedaagde 2]:
V. de bewindvoerder en [gedaagde 2], al dan niet hoofdelijk, te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hem geld afhandig is gemaakt door afpersing en dat de bankrekeningen van [naam] en [gedaagde 2] daarvoor zijn gebruikt. [eiser] baseert zijn vorderingen primair op onverschuldigde betaling, subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair op onrechtmatige daad.
De bewindvoerder voert verweer. De bewindvoerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De vorderingen jegens de bewindvoerder
De vraag die primair ter beantwoording voorligt is of [naam] gehouden is om een bedrag van € 36.000,00 uit hoofde van onverschuldigde betaling aan [eiser] terug te betalen.
Beroep onverschuldigde betaling
Op grond van artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek (BW) is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed (een geldsom) heeft gegeven gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Op degene die een vordering uit onverschuldigde betaling tegen een ander instelt, rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij die ander een goed heeft gegeven zonder dat daarvoor een rechtsgrond is.
[eiser] vordert de terugbetaling van het bedrag van de bewindvoerder op grond van onverschuldigde betaling. [eiser] moet dus de feiten en omstandigheden aandragen waaruit kan worden afgeleid dat een rechtsgrond aan die betaling ontbreekt. [eiser] stelt daartoe dat hij het bedrag van € 36.000,00 naar de bankrekening van [naam] heeft overgemaakt, omdat hij slachtoffer is geworden van afpersing. Daarmee ontbreekt het aan een rechtsgrond voor deze betaling, aldus [eiser].
De bewindvoerder heeft betwist dat er sprake is van onverschuldigde betaling. In de conclusie van antwoord heeft de bewindvoerder aanvankelijk aangevoerd dat [eiser] het bedrag van € 36.000,00 heeft betaald voor diensten van [naam]. Vervolgens heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat [eiser] het bedrag van € 36.000,00 aan [naam] heeft betaald op basis van een afspraak. Volgens de bewindvoerder is [eiser] met [naam] overeengekomen dat hij haar een bedrag van € 36.000,00 zou betalen in verband het plaatsvinden van een incident waarbij [naam] seksueel door [eiser] zou zijn misbruikt.
De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van € 36.000,00 onverschuldigd aan [naam] is betaald. De bewindvoerder heeft in haar betwisting namelijk onvoldoende uitgelegd dat er wel sprake zou zijn van een rechtsgeldige grondslag voor de betaling. Daarvoor is ten eerste van belang dat de bewindvoerder in haar conclusie van antwoord een ander standpunt heeft ingenomen over de reden van de betaling dan op de mondelinge behandeling. De bewindvoerder heeft uiteindelijk op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de betaling van € 36.000,00 is verricht op basis van een afspraak tussen [eiser] en [naam], maar dit is door [eiser] weersproken en door de bewindvoerder niet nader onderbouwd. [eiser] ontkent dat hij [naam] seksueel heeft misbruikt. Hij ontkent (dus) ook dat hij met [naam] zou hebben gesproken dat hij vanwege dat misbruik een bedrag zou betalen als vergoeding voor [naam] en om te voorkomen dat ze aangifte zou doen. [naam] heeft op haar beurt niet concreet uitgelegd hoe en wanneer de gestelde afspraak precies zou zijn gemaakt. Ze heeft dit niet geconcretiseerd en niet onderbouwd. Ze heeft tijdens de mondelinge behandeling daarentegen onder meer verklaard dat zij was geschrokken toen het bedrag van € 36.000,00 plotseling op haar bankrekening stond en dat zij niet wist wat zij hiermee moest. Dit is niet rijmen met haar standpunt dat partijen een afspraak hadden gemaakt over de betaling. De rechtbank gaat er dus niet vanuit dat het bedrag van € 36.000,00 is betaald op grond van een afspraak tussen [naam] en [eiser]. De conclusie is dat de bewindvoerder onvoldoende gemotiveerd het standpunt van [eiser] heeft weersproken dat er geen rechtsgeldige grondslag was voor de betaling.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [eiser] zonder rechtsgrond een bedrag van € 36.000,00 aan [naam] heeft betaald. Er is daarmee sprake van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW. [eiser] heeft recht op teruggave van hetgeen hij onverschuldigd heeft betaald zodat zijn vordering ten aanzien van de bewindvoerder wordt toegewezen.
Wettelijke rente
Vast staat dat [eiser] een bedrag van € 36.000,00 onverschuldigd aan [naam] heeft betaald. Volgens [eiser] is [naam] wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf het moment dat [naam] deze betaling heeft ontvangen op haar bankrekening (23 februari 2023), omdat zij ten tijde van de ontvangst van dit bedrag te kwader trouw was.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor kwade trouw in de zin van artikel 6:205 BW is vereist dat de ontvanger wist of vermoedde dat de betaling niet verschuldigd was. Bepalend is de subjectieve kennis van de ontvanger ten tijde van de ontvangst van de betaling. Uit de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden volgt dat [naam] wist of vermoedde dat de betaling onverschuldigd was. Een en ander is onvoldoende door [naam] weersproken. Dit betekent dat de kwade trouw van [naam] is komen vast te staan. Gelet hierop treedt het verzuim van rechtswege in en is geen ingebrekestelling vereist. [naam] is daarmee wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 februari 2023 tot de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De vorderingen jegens [gedaagde 2]
[gedaagde 2] woont in [land]. Gelet op dit internationale karakter van de zaak moet de rechtbank eerst ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Bevoegdheid Nederlandse rechter
Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet in de eerste plaats worden gekeken naar de bevoegdheidsregels van de Brussel I bis-Verordening. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Verordening moet [gedaagde 2] in beginsel voor een gerecht in [land] moet worden opgeroepen. In artikel 8 sub 1 Brussel I bis-verordening is echter bepaald dat in het geval er meerdere gedaagden uit verschillende lidstaten zijn, een gedaagde ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de andere gedaagden. Daarbij geldt de voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. In dit geval bestaat tussen de vorderingen zoals ingesteld tegen [naam] en [gedaagde 2] een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van [naam], geldt dit ook ten aanzien van [gedaagde 2].
Toepasselijk recht
Het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van de Rome II- Verordening. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde 2] onrechtmatig handelt vanwege zijn betrokkenheid bij de afpersing. [gedaagde 2] heeft zijn bankrekening gebruikt of ter beschikking gesteld om het geld van [eiser] op te ontvangen. Dit geld is aan verhaal van [eiser] onttrokken. Nu [gedaagde 2] geen verhaal meer biedt, heeft de schade zich in Nederland voorgedaan. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Rome II. Op grond van artikel 10 lid 1 Rome II is Nederlands recht van toepassing op de onverschuldigde betaling.
Verstekverlening
[gedaagde 2] is op juiste wijze opgeroepen, maar niet in deze procedure verschenen. Tegen [gedaagde 2] is daarom verstek verleend. Omdat de bewindvoerder wel in de procedure is verschenen wordt tussen alle partijen één vonnis op tegenspraak gewezen (artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Toewijzing van de vorderingen
Niet betwist is dat [eiser] zonder rechtsgrond een bedrag van € 43.000,00 op de bankrekening van [gedaagde 2] heeft gestort. De tegen [gedaagde 2] ingestelde vorderingen komen de rechtbank daarom niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
De bewindvoerder en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 2] niet in de procedure is verschenen zullen hij en de bewindvoerder hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 2.893,00 (griffierecht van € 1.414,00 + € 1.290,00 (1 punt x tarief IV à € 1.290,00) + nakosten van € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)). De bewindvoerder wordt daarnaast afzonderlijk veroordeeld tot betaling van € 1.452,81 (kosten dagvaarding van € 162,81 + 1 punt x tarief IV à € 1.290,00). [gedaagde 2] wordt afzonderlijk veroordeeld tot betaling van € 162,81 (kosten dagvaarding).
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 36.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 februari 2023, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.135,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 43.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 maart 2024, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.205,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt de bewindvoerder en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.893,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de bewindvoerder en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.452,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 162,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
3219