[eiser], v-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen van eiser.
Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van 30 augustus 2023, waarin staat dat eisers recht op tijdelijke bescherming eindigt op 4 september 2023. Het tweede beroep van eiser was oorspronkelijk gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en is – nadat dit besluit is ingetrokken – gericht tegen het (vervangende) terugkeerbesluit van 31 juli 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 8 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd per 4 maart 2024. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. Verweerder heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2022 geen onderscheid gemaakt tussen personen die facultatieve tijdelijke bescherming is verleend en zij die verplichte tijdelijke bescherming is verleend en daarmee een dergelijke toezegging gedaan. De beëindiging van de tijdelijke bescherming is in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Het eerder beëindigen van de tijdelijke bescherming van eiser is ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie. Er is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen eiser en Oekraïners. Eiser verwijst daarbij naar artikel 14 van het EVRM en artikel 20 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Daarnaast heeft verweerder geen terugkeerbesluit kunnen opleggen omdat eiser rechtmatig verblijf heeft op basis van de door deze rechtbank bij uitspraak van 31 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening en op grond van de bevriezingsmaatregel.
Het opleggen van het terugkeerbesluit is ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft werk in Nederland, een sociaal netwerk opgebouwd en heeft een relatie met een Oekraïense vrouw die in Nederland verblijft.
Verder betoogt eiser dat verweerder ten onrechte niet een volledige beoordeling heeft gemaakt van het risico dat eiser bij terugkeer naar Pakistan wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Er is sprake van een dergelijke risico, nu eiser gezien zal worden als verwesterd of afvallig bij terugkeer naar Pakistan en de situatie in Karachi slecht is.
Ten slotte had verweerder eiser moeten horen alvorens hem een terugkeerbesluit werd opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep NL23.25315
4. Verweerder heeft het besluit van 30 augustus 2023 ingetrokken. Eiser heeft aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft, omdat verweerder bij brief van 24 januari 2024 te kennen heeft gegeven dat zijn recht op tijdelijke bescherming, zonder dat daar een besluit voor nodig is, stopt na 4 maart 2024. Daar is eiser het niet mee eens en hij vindt dat zijn beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht moet zijn te zijn gericht tegen deze brief.
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de brief van verweerder van 24 januari 2024 een besluit is dat strekt tot vervanging van het besluit van 30 augustus 2023. Zo ja, dan heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep van rechtswege mede daarop betrekking. Zo nee, dan valt de brief buiten het beroep.
In de brief van 24 januari 2024 heeft verweerder medegedeeld dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024 volgt dat de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. In de brief heeft verweerder verder aangekondigd dat er een terugkeerbesluit zal worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat de mededeling van verweerder geen rechtsgevolgen heeft gecreëerd, nu de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd. Deze mededeling is dus geen besluit, zodat het beroep niet op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede daarop betrekking heeft.
Omdat het besluit van 30 augustus 2023 is ingetrokken en eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling ervan, wordt het hiertegen gerichte beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep NL24.7613
6. Over het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 oordeelt de rechtbank als volgt.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 31 juli 2025 en dat verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet mocht beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft ook geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.
10. De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 31 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze voorziening doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Ook het betoog dat eiser rechtmatig verblijf heeft vanwege de door verweerder getroffen bevriezingsmaatregel slaagt niet. De tijdelijke bescherming van eiser is op 4 maart 2024 geëindigd, zodat hij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Voor zover het hem door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. Met de bevriezingsmaatregel is immers niet de tijdelijke bescherming verlengd, maar enkel bepaald dat eiser nog tijdelijk gebruik mocht maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had in afwachting van definitieve besluitvorming.
12. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat het opleggen van het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft zijn gestelde relatie met een Oekraïense partner in Nederland eerst in beroep naar voren gebracht en niet toegelicht of onderbouwd. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat het feit dat eiser in Nederland werkt en sociale contacten onderhoudt, niet zonder meer maakt dat het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd met zijn recht op privéleven onder artikel 8 van het EVRM.
13. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op basis van wat eiser naar voren heeft gebracht niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Eiser heeft overigens eerder een asielaanvraag ingediend die buiten behandeling is gesteld en heeft daartegen geen rechtsmiddel ingediend.
14. De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende in staat heeft gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen.
15. Dit betekent dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 ongegrond is.
Proceskosten
16. Nu verweerder het besluit waartegen eiser zijn eerste beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
17. Nu verweerder het besluit waartegen eiser zijn tweede beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.