RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25082
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Procesverloop
2. Op 22 augustus 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Griekenland. Daar is hij op 13 september 2022 erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Vervolgens is eiser doorgereisd naar Nederland.
Eiser heeft op 19 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 mei 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder stukken opgevraagd bij de autoriteiten van Griekenland met betrekking tot de asielprocedure die eiser daar heeft doorlopen.
Naar aanleiding van de stukken van de Griekse autoriteiten en als reactie op de gronden van beroep heeft verweerder bij brief van 28 mei 2025 nadere standpunten ingediend als verweer. Eiser heeft hier bij brief van 24 juni 2025 en 18 augustus 2025 op gereageerd.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 9 december 2025 in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraak van deze rechtbank van 6 november 2025. Verweerder heeft hier bij brief van 19 december 2025 op gereageerd. Eiser heeft hier bij brief van 24 december 2025 op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Abdiraman (als tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Somalië heeft verlaten omdat hij is bedreigd door Al-Shabaab. Al-Shabaab heeft eiser telefonisch bedreigd omdat hij vis verkocht aan ambtenaren. Nadat eiser voor de derde keer was bedreigd, heeft hij het land verlaten. Al-Shabaab is na zijn vertrek nog drie keer bij zijn moeder langs geweest. Ook is eiser weleens gediscrimineerd omdat hij tot een minderheidsgroep behoort.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt eisers eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft volgens verweerder ten aanzien van dit asielmotief niet samenhangend en aannemelijk verklaard. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd voor Somalië.
Hangende het beroep heeft verweerder gelet op het arrest QY een onderzoek ingesteld bij de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft het asieldossier van eiser uit Griekenland opgevraagd en verkregen en naar aanleiding daarvan een aanvullend standpunt ingenomen. Uit het Griekse asieldossier blijkt dat eiser wordt aangemerkt als vluchteling vanwege zijn Jemenitische nationaliteit en de daaruit voortvloeiende problemen. Hierbij zijn weinig persoonlijke omstandigheden in overweging genomen die maken dat eiser wordt aangemerkt als vluchteling, afgezien van zijn aangenomen Jemenitische nationaliteit.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste verzoekt eiser de rechtbank de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder vindt eiser dat verweerder te weinig rekening houdt met de leeftijd en scholing van eiser. Ook stelt eiser de rechtbank op de hoogte van het feit dat zijn broer al eerder een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van de problemen als gevolg van het verkopen van vissen aan ambtenaren. Ten aanzien van de problemen van eiser met Al-Shabaab, benadrukt eiser dat de werkwijze van Al-Shabaab zodanig grillig en onvoorspelbaar is dat het probleem niet zomaar opgelost kan worden door te stoppen met de verkoop van vis aan ambtenaren. Bovendien hecht verweerder te weinig waarde aan de informatie volgend uit de Country Guidance van de EUAA over Somalië waarin de provincie Lower Shabelle wordt aangemerkt als een gebied waar de op één na hoogste categorie van willekeurig geweld aan de orde is in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser en zijn familie zijn van oordeel dat eiser bij terugkeer naar Somalië een groot risico loopt op onmenselijke behandeling en dat hij onvoldoende beschermd zal worden tegen Al–Shabaab. Eiser betoogt dit onder verwijzing naar verschillende bronnen. Ten slotte behoort eiser ook tot een etnische minderheid en loopt hij daarom een verhoogd risico om slachtoffer te worden. Eiser is van mening dat de bewijslast die verweerder op eiser heeft gelegd onredelijk zwaar is in het licht van wat algemeen bekend is over Al-Shabaab. Ten aanzien van het Griekse asieldossier verklaart eiser dat hij niet wist dat hij in Griekenland is toegelaten als Jemeniet en dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Griekse asieldossier redenen biedt om het bestreden besluit te rechtvaardigen. Voor wat betreft het terugkeerbesluit is eiser van mening dat verweerder geen terugkeerbesluit mag opleggen aan Griekse statushouders zonder eerst in overleg te treden met de Griekse autoriteiten en hen te vragen de vergunning in te trekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Griekse asieldossier
6. In het geval van eiser heeft verweerder zijn aanvraag niet niet-ontvankelijk verklaard omdat hij een vluchtelingenstatus heeft in Griekenland, maar zelf inhoudelijk beoordeeld. Verweerder betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juli 2021 dat hij de vluchtelingenstatus van eiser uit Griekenland niet hoeft te erkennen. Verweerder had wel gelet op het arrest QY in het bestreden besluit rekening moeten houden met de beslissing uit Griekenland. De rechtbank stelt vast dat verweerder pas hangende beroep het Griekse asieldossier heeft opgevraagd en naar aanleiding hiervan een aanvullend standpunt heeft ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit hierom een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, gelet op het aanvullende standpunt van verweerder en eisers reactie daarop.
Herhaald en ingelast
7. In de enkele verwijzing van eiser naar wat hij eerder in de procedure heeft aangevoerd en overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen niet in stand te laten. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank gaat hierna daarom enkel in op de in beroep aangevoerde en gemotiveerde gronden.
Referentiekader
8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd en scholing van eiser. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser niet onderbouwd heeft waaruit blijkt dat er geen rekening is gehouden met zijn leeftijd en scholing. Eiser is twintig jaar en verweerder mocht van hem verwachten dat hij op consistente wijze kan verklaren over zijn werkzaamheden in Somalië. Niet is gebleken dat verweerder niet uit mocht gaan van de verklaringen van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig mocht vinden. Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard en mocht hierbij betrekken dat eiser onder andere tegenstrijdig heeft verklaard over zijn werkzaamheden. Eiser heeft in het aanmeldgehoor en nader gehoor verschillend verklaard over zijn werkzaamheden. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij vis moest sjouwen naar de kust, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij als zelfstandige werkte en dat hij vis verkocht op de markt. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij eenduidig kan verklaren over zijn werkzaamheden aangezien eiser heeft verklaard dat zijn problemen met Al Shabaab zijn ontstaan door deze werkzaamheden. Ook mocht verweerder betrekken dat eiser tegenstrijdig in zijn aanmeldgehoor en nader gehoor heeft verklaard over de reden van zijn vlucht uit Somalië. Nu eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij Somalië is ontvlucht omdat hij door Al-Shabaab werd bedreigd naar aanleiding van een foto van hem en zijn voetbalteam. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij zich had vergist tijdens het aanmeldgehoor en dat het probleem met de foto iets is wat hij eerder heeft meegemaakt. De rechtbank overweegt dat verweerder dit mocht betrekken nu eisers vertrek uit Somalië het belangrijkste onderdeel is van zijn asielrelaas. Ook mocht verweerder betrekken dat hij het onlogisch vindt dat eiser na de verschillende telefonische bedreigingen van Al-Shabaab niet is gestopt met de verkoop van vis aan ambtenaren. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk dat ambtenaren maar een klein deel van zijn klandizie van eiser betreffen. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat het bevreemdend is dat eiser gelet op de bedreigingen en de gestelde aard daarvan, de verkoop van vis niet beperkt heeft tot zijn overige klanten.
10. De rechtbank overweegt dat verweerder mocht vinden dat de tegenstrijdheden tussen eisers verklaringen in het Griekse asieldossier en in de onderhavige procedure afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. Zo heeft eiser onder andere tegenstrijdig verklaard over zijn nationaliteit, nu uit het Griekse asieldossier blijkt dat eiser de Jemenitische nationaliteit heeft. Verder heeft eiser ook tegenstrijdig verklaard over zijn geboorteplaats en de etniciteit van zijn ouders. Het standpunt van eiser dat hij wel in grote lijnen geloofwaardig is, wordt niet gevolgd door de rechtbank nu dit verder ook niet wordt onderbouwd door eiser.
Zwaarwegendheid
11. Of eiser een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt bij terugkeer naar Somalië dat in strijd is met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM wordt beoordeeld aan de hand van wat geloofwaardig is bevonden door verweerder. Verweerder acht het eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Hetzelfde geldt voor het feit dat eiser gediscrimineerd is geweest vanwege zijn etniciteit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Vluchtelingenschap
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Het enkel feit dat eiser is gediscrimineerd is onvoldoende om eiser als vluchteling aan te merken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de discriminatie die eiser heeft ervaren niet een dusdanige beperking van eisers bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij op een particuliere school heeft gezeten om Somalisch te leren en heeft gewerkt. De rechtbank overweegt dat de overgelegde landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland van 6 mei 2024 het oordeel niet verandert, nu zijn persoonlijke vrees hiermee onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Reëel risico op ernstige schade
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft daarbij betrokken dat Al-Shabaab niet aan de macht is in [plaats] , de plaats waar eiser vandaan komt. Daarbij heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] door zijn enkele aanwezigheid aldaar het bedoelde risico loopt. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht – te weten het EUAA-rapport van augustus 2023 – ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in [plaats] wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van verweerder is vastgelegd. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het Ambtsbericht en EUAA-rapport niet blijkt dat [plaats] onder controle van Al-Shabaab staat. Dat er nog steeds aanslagen door Al-Shabaab worden gepleegd in gebieden waar deze organisatie geen controle over heeft, is geen omstandigheid die leidt tot een andere conclusie over het niveau van geweld.
14. Uit de overgelegde correspondentie met Vluchtelingenwerk en het Algemeen Ambtsbericht Somalië uit april 2025 blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet dat iedere persoon die terugkeert naar [plaats] vanuit het westen zonder sociaal netwerk een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij op basis van zijn individuele omstandigheden en de geloofwaardig geachte discriminatie dit risico wel zou lopen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij niet in [plaats] kan komen, zonder te reizen door gebied dat door Al Shabaab wordt beheerst. Dit nu aannemelijk is dat eiser per boot terug kan reizen naar [plaats] , aangezien het voor hem ook mogelijk was om per boot van [plaats] naar Mogadishu te reizen en het meest recente ambtsbericht melding maakt van het feit dat bronnen verklaren dat het mogelijk is om hiertoe met lokale vissersboten mee te reizen.
15. De algemene stelling van eiser dat de situatie in Somalië verslechtert maakt het voorgaande niet anders.
Asielvergunning van de broer van eiser
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de asielvergunning van zijn broer op het standpunt mocht stellen dat de aanvraag van zijn broer een andere zaak is en dat de asielaanvragen op hun eigen merites worden beoordeeld. Bovendien heeft verweerder zich ter zitting onbetwist op het standpunt gesteld dat in de asielprocedure van zijn broer aangenomen werd dat het niet mogelijk was om via een bootverbinding van Mogadishu naar [plaats] te reizen.
Terugkeerbesluit
17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder (nog) geen terugkeerbesluit had mogen opleggen aan eiser. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in een uitspraak van 6 november 2025 geoordeeld dat verweerder geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en daarmee heeft onderzocht of de Griekse autoriteiten de aan eiser toegekende vluchtelingenstatus mogelijk zullen intrekken. Nu verweerder hier in deze zaak (nog) niet aan heeft voldaan zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen voor zover het een terugkeerbesluit betreft en verweerder opdragen de uitkomst van zijn beoordeling conform het arrest QY alsnog te delen met de Griekse autoriteiten. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen wat de reactie van de Griekse autoriteiten op zijn beslissing betekent voor een eventueel nieuw te nemen terugkeerbesluit.
18. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, onder meer onder verwijzing naar een door hem in een vergelijkbare zaak ingediend hogerberoepschrift, toegelicht waarom hij het niet eens is met het oordeel van de meervoudige kamer in de hiervoor genoemde uitspraak. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder in een lastige situatie verkeert, omdat er veel Griekse statushouders zijn en de Griekse autoriteiten (mogelijk) niet of niet tijdig reageren op zijn berichten, maar ziet hierin geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan de meervoudige kamer.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de toekenning van de vluchtelingenstatus in Griekenland en de elementen die aan die beslissing ten grondslag lagen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten ten aanzien van de afwijzing van de asielaanvraag, omdat verweerder in beroep alsnog het Griekse asieldossier heeft opgevraagd en naar aanleiding hiervan een aanvullend standpunt heeft ingenomen waarin hij op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
20. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het bestreden besluit voor zover het een terugkeerbesluit betreft te vernietigen op grond van hetgeen hierboven onder 17 en 18 is overwogen. Verweerder had namelijk geen terugkeerbesluit mogen opleggen aan eiser, omdat hij de uitkomst van zijn beoordeling niet heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en niet onderzocht heeft of de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus zullen intrekken. Voor dit onderdeel worden de rechtsgevolgen niet in stand gelaten.
21. Omdat het beroep deels gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.