ECLI:NL:RBDHA:2026:22473

ECLI:NL:RBDHA:2026:22473

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer NL25.38815
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

asiel. beroep gegrond en vernietigt bestreden besluit. griekse statushouder. asielrelaas: problemen met al shabaab ongeloofwaardig. rechtsgevolgen die zien op de afwijzing van de asielaanvraag blijven in stand. draagt verweerder op uitkomst van zijn beoordeling te delen met de griekse autoriteiten en te beoordelen wat de reactie van de Griekse autoriteiten hierop betekent vooor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38815

(gemachtigde: mr. J. de Jong),

en

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

Procesverloop

2. Op 30 september 2020 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend in Griekenland. Daar is hij op 23 november 2020 erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Vervolgens is eiser doorgereisd naar Nederland.

Eiser heeft op 24 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 9 december 2025 in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraak van deze rechtbank van 6 november 2025. Eiser heeft hier bij brief van 26 december 2025 op gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Abdi (als tolk) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996 in Saudi-Arabië. Eiser heeft tot 2019 in Saudi-Arabië gewoond, totdat hij werd uitgezet naar Somalië. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij tijdens zijn verblijf in Somalië bij zijn oom verbleef. Eiser heeft verklaard dat terwijl hij bij zijn oom was, zijn oom thuis werd benaderd door mannen van Al-Shabaab en dat deze mannen eisten dat eiser zich binnen een beperkt aantal dagen moest melden bij Al-Shabaab. Als eiser dat niet zou doen, zou zijn oom worden vermoord. Eiser is binnen een week nogmaals benaderd en de mannen van Al-Shabaab zijn enkele dagen later weer bij het huis van zijn oom langs geweest. Alleen eisers tante was toen thuis en zij is door de mannen mishandeld. Eisers oom heeft hierna gezorgd dat eiser kon onderduiken bij een kennis van hem in [plaats 1]. Eiser is diezelfde nacht nog opgehaald en vervoerd naar [plaats 2] en heeft vervolgens drie dagen later het land verlaten. Terwijl eiser in Turkije was, is zijn oom vermoord door Al-Shabaab. Eiser vreest bij terugkeer te worden vermoord door Al-Shabaab.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt eisers eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft volgens verweerder ter onderbouwing van dit asielmotief niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Ook heeft eiser zijn asielverzoek niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft eiser geen goede reden aangevoerd waarom hij dit heeft nagelaten. Het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd voor Somalië.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste verzoekt eiser de rechtbank de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder vindt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig worden geacht. Ten onrechte worden zijn verklaringen over de interactie met Al-Shabaab aan hem tegengeworpen. Eiser betoogt onder verwijzing naar verschillende bronnen dat Al-Shabaab zeer actief is in de regio waar eiser vandaan komt ([regio]). Bovendien komen de verklaringen van eiser volledig overeen met wat bekend is over de invloed en werkwijze van Al-Shabaab. Verweerder heeft nagelaten te motiveren hoe Al-Shabaab wél te werk gaat, hetgeen wel mocht worden verwacht nu verweerder stelt dat de situatie die eiser beschrijft niet in lijn is met de werkwijze van Al-Shabaab. Tevens heeft verweerder, gelet op eisers vrees tot rekrutering, niet onderbouwd dat mannen ouder dan 18 jaar niet worden gerekruteerd. Verder worden ten onrechte de tegenstrijdigheden tussen het Griekse asieldossier en zijn verklaring in de huidige asielprocedure aan eiser tegengeworpen. Ten slotte is eiser van mening dat verweerder geen terugkeerbesluit mag opleggen aan Griekse statushouders zonder eerst in overleg te treden met de Griekse autoriteiten en hen te vragen de vergunning in te trekken.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Griekse asieldossier

6. In het geval van eiser heeft verweerder zijn aanvraag niet niet-ontvankelijk verklaard omdat hij een vluchtelingenstatus heeft in Griekenland, maar de aanvraag van eiser zelf inhoudelijk beoordeeld. Verweerder betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juli 2021 dat hij de vluchtelingenstatus van eiser uit Griekenland niet hoeft te erkennen. Verweerder dient wel gelet op het arrest QY in het bestreden besluit rekening te houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bovenstaande heeft voldaan. Verweerder heeft echter gesteld dat de inhoud van het dossier geen aanleiding biedt voor een ander oordeel over de problemen van eiser met Al-Shabaab. De rechtbank zal dat hierna beoordelen. Het standpunt van eiser dat de verklaringen uit het Griekse asieldossier niet betrokken mochten worden bij de beoordeling omdat de procedure in Griekenland niet zorgvuldig is geweest onder andere omdat sprake was van meerdere tolken, volgt de rechtbank niet. De enkele stelling dat dit het geval was, is onvoldoende.

Herhaald en ingelast

7. In de enkele verwijzing van eiser naar wat hij eerder in de procedure heeft aangevoerd en overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank gaat hierna daarom enkel in op de in beroep aangevoerde en gemotiveerde gronden.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig mocht vinden mede omdat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Hij mocht hierbij betrekken dat Al-Shabaab niet aan de macht was in de woonplaats van eiser ten tijde van de gestelde rekrutering, terwijl uit het algemeen ambtsbericht Somalië 2023 blijkt dat Al-Shabaab met name mensen rekruteert in gebieden die de groepering onder controle heeft. Het standpunt van eiser dat uit de Country Guidance EUAA en uit het algemeen ambtsbericht Somalië 2025 blijkt dat Al-Shabaab zeer actief is in de regio [regio] verandert het oordeel van de rechtbank niet. Uit het algemeen ambtsbericht van 2025 blijkt namelijk dat Al-Shabaab net als in de verslagperiode in het ambtsbericht van 2023 niet aan de macht is in de omgeving van het dorp [plaats 1] in het district [district], de omgeving waar eiser stelt vandaan te komen. Al-Shabaab is wel heel actief in de regio, maar die activiteit ziet met name op het aantal aanslagen en gevechtshandelingen. Daarmee past het relaas van eiser niet zonder meer bij de informatie zoals die uit landeninformatie bekend is.

Ook mocht verweerder betrekken dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over wijze waarop hij is benaderd door Al-Shabaab. Eiser is tweemaal persoonlijk benaderd door Al-Shabaab en verweerder mocht van eiser verwachten dat hij inzichtelijk over deze ontmoetingen kon verklaren. Het standpunt van eiser dat hij alles over de ontmoeting heeft verklaard en de ontmoeting maar kort was en hij daardoor niet meer kon verklaren, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Uit de verklaringen blijkt namelijk dat eiser verschillende vragen niet kon beantwoorden over de ontmoetingen met Al-Shabaab. Zo kon eiser niet duidelijk verklaren over de plek waar de mannen van Al-Shabaab hem opdroegen om zich in te schrijven en ook kan eiser geen antwoord geven op de vraag hoeveel dagen er zaten tussen de eerste twee ontmoetingen. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij uitgebreider en met meer detail over deze ontmoetingen kon verklaren nu deze ontmoetingen met Al-Shabaab de reden van zijn vertrek zijn.

Ook heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser het niet aannemelijk maken waarom Al-Shabaab specifiek eiser zou willen rekruteren. Eiser kan niet toelichten waarom Al-Shabaab juist hem benaderde. Het feit dat eiser een man is, is hiervoor onvoldoende onderbouwing. Nu uit algemene bronnen blijkt dat Al-Shabaab met name jongeren rekruteert, mocht verweerder meer van eiser verwachten op dit punt.

9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte heeft gewezen op verschillende tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser die hij heeft afgelegd bij de Griekse autoriteiten en in Nederland. Zo heeft eiser onder andere bij de Griekse autoriteiten verklaard dat hij samen met zijn vader problemen heeft ervaren met Al-Shabaab en in Nederland heeft hij verklaard dat hij samen met zijn oom deze problemen heeft ervaren. Ook blijkt uit het Griekse dossier dat hij niet persoonlijk benaderd zou zijn door Al Shabaab, anders dan in zijn verklaringen in deze procedure. De enkele stelling dat dit te wijten is aan vertaalproblemen en het feit dat er meerdere tolken betrokken zijn geweest bij de Griekse procedure is onvoldoende om deze verschillen te verklaren.

10. Gelet op het bovengenoemde mocht verweerder de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig achten.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de tegenwerping dat eiser zich niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld om asiel aan te vragen. Deze tegenwerping is dus verder niet in het geschil.

Zwaarwegendheid

12. Of eiser een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt bij terugkeer naar Somalië dat in strijd is met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM wordt beoordeeld aan de hand van wat geloofwaardig is bevonden door verweerder. Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het feit dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf echter niet genoeg om hem aan te merken als vluchteling of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van andere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten vinden dat er sprake is van een vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden tot afwijzing van de aanvraag om een asielvergunning besloten.

Het terugkeerbesluit

14. De rechtbank is van evenwel oordeel dat verweerder (nog) geen terugkeerbesluit had mogen opleggen aan eiser. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in een uitspraak van 6 november 2025 geoordeeld dat verweerder geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en daarmee heeft onderzocht of de Griekse autoriteiten de aan eiser toegekende vluchtelingenstatus mogelijk zullen intrekken. Nu verweerder hier in deze zaak (nog) niet aan heeft voldaan zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen voor zover het een terugkeerbesluit betreft en verweerder opdragen de uitkomst van zijn beoordeling conform het arrest QY alsnog te delen met de Griekse autoriteiten. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen wat de reactie van de Griekse autoriteiten op zijn beslissing betekent voor een eventueel nieuw te nemen terugkeerbesluit.

15. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, onder meer onder verwijzing naar een door hem in een vergelijkbare zaak ingediend hogerberoepschrift, toegelicht waarom hij het niet eens is met het oordeel van de meervoudige kamer in de hiervoor genoemde uitspraak. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder in een lastige situatie verkeert, omdat er veel Griekse statushouders zijn en de Griekse autoriteiten (mogelijk) niet of niet tijdig reageren op zijn berichten, maar ziet hierin geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan de meervoudige kamer.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het een terugkeerbesluit betreft.

17. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand