RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser en
[eiseres], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49222 en NL25.49225
gezamenlijk eisers,
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen.
Procesverloop
2. Op 30 augustus 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Griekenland. Daar is hij op 6 oktober 2022 erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Op 25 juli 2022 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend in Griekenland. Daar is zij op 20 september 2022 erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Vervolgens zijn eisers samen doorgereisd naar Nederland.
Eisers hebben op 2 januari 2023 beide een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, H. Ahmed (als tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
De asielrelazen
3. Eisers hebben verklaard de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en eiseres op [geboortedatum] 1993. Zij leggen beiden aan hun asielaanvraag ten grondslag dat hun vader in 2004 is vermoord terwijl hij aan het werk was als militair bewaker. Vervolgens zijn eisers in 2014 gevlucht uit hun woonplaats omdat IS hun dorp binnenviel. Eisers hebben verklaard daarna acht jaar in een vluchtelingenkamp te hebben verbleven. Eisers hebben in 2022 Irak verlaten, onder andere vanwege de discriminatie tegen jezidi’s. Eisers vrezen bij terugkeer gedood te worden vanwege hun jezidi-achtergrond.
Het bestreden besluit
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens verweerder echter onvoldoende om aan te nemen dat zij vluchtelingen zijn als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico lopen op ernstige schade. Eisers hebben volgens verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak moeten vrezen gedood te worden vanwege hun jezidi-achtergrond. Ook de moord op hun vader maakt deze vrees onvoldoende aannemelijk. Eisers komen vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als ongegrond. Eisers hebben internationale bescherming ontvangen in Griekenland maar verweerder ziet daarin geen aanleiding om van een terugkeerbesluit af te zien.
Wat vinden eisers in beroep?
5. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren het volgende aan. Ten eerste verzoeken eisers om alles wat in de procedure al naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eisers vinden dat verweerder op onjuiste gronden hun aanvragen onder het gewijzigde beleid voor jezidi’s heeft beoordeeld. Eisers hebben namelijk door het niet tijdig beslissen van verweerder nadeel ondervonden bij de beoordeling van hun asielaanvraag, omdat jezidi’s in het gewijzigde beleid niet meer onder een risicoprofiel vallen. Bovendien vinden eisers dat de landeninformatie geen rechtvaardiging biedt voor het gewijzigde landenbeleid en verwijzen hiervoor naar het algemeen ambtsbericht van november 2023. Verder vinden eisers dat verweerder niet op goede gronden heeft geconcludeerd dat de door eisers ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend is om in aanmerking te komen voor een asielvergunning. Daarbij vinden eisers ook dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er in [provincie] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft bij het bepalen van de mate van willekeurig geweld nagelaten rekening te houden met de humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het willekeurig geweld. Evenals dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers. Bovendien betogen eisers onder verwijzing naar verschillende bronnen dat de leefomstandigheden zwaar zijn in de kampen. Ten slotte vinden eisers dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichting die volgt uit de uitspraak van de Afdeling om het asieldossier van de Griekse autoriteiten kenbaar bij zijn beoordeling te betrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Griekse asieldossier
6. In het geval van eisers heeft verweerder zijn aanvraag niet niet-ontvankelijk verklaard omdat zij een vluchtelingenstatus hebben in Griekenland, maar zelf inhoudelijk beoordeeld. Verweerder betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juli 2021 dat hij de vluchtelingenstatus van eisers uit Griekenland niet hoeft te erkennen. Verweerder dient wel gelet op het arrest QY in het bestreden besluit rekening te houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bovenstaande heeft voldaan. Echter heeft verweerder gesteld dat de inhoud van het Griekse dossier geen aanleiding biedt voor een andersluidend besluit.
7. De stelling dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichting om het asieldossier van de Griekse autoriteiten kenbaar bij de beoordeling te betrekken, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Uit het voornemen evenals het bestreden besluit blijkt dat verweerder het Griekse asieldossier heeft betrokken in zijn beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Herhaald en ingelast
8. In de enkele verwijzing van eisers naar wat zij eerder in de procedure hebben aangevoerd en overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank gaat hierna daarom enkel in op de in beroep aangevoerde en gemotiveerde gronden.
Vluchtelingenschap
9. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt Jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten. Daar komt bij dat eisers niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij specifiek gevaar lopen vanwege het feit dat zij jezidi zijn.
Eisers hebben beide verklaard dat zij geen problemen hebben ervaren omdat ze jezidi zijn. Verweerder heeft daarom tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eisers dusdanig werden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied konden functioneren.
10. De verwijzing van eisers naar onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024 slaagt niet. Het feit dat verweerder te laat heeft beslist op hun asielaanvraag laat onverlet dat bij het nemen van het besluit getoetst moet worden aan de huidige veiligheidssituatie in het land van herkomst in samenhang met de individuele omstandigheden en het op dat moment geldende beleid. Anders dan de rechtbank in de uitspraak van 24 oktober 2024, ziet deze rechtbank geen aanleiding het gewijzigde strengere beleid in combinatie met het niet tijdig beslissen door verweerder als een bijzondere omstandigheid aan te merken die maakt dat van genoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Een andere opvatting zou betekenen dat verweerder telkens als hij begunstigend beleid intrekt en niet binnen de beslistermijn een besluit neemt, gehouden is het oude beleid toe te passen. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat eisers ook als getoetst wordt met de strengere bewijsmaatstaf een asielvergunning moet worden verleend. Van strijd met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel is niet gebleken.
Artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn
11. Het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 vermeldt dat de algemene situatie voor Jezidi’s op punten is verbeterd. Verweerder heeft hiervoor onder andere verwezen naar initiatieven van de Iraakse regering om de [regio] regio weer op te bouwen en de herstelbetalingen voor slachtoffers van oorlogsgeweld- wat overigens ook volgens het ambtsbericht zeer bureaucratisch en traag verloopt en voor psychosociale stress zorgt. Daarnaast geldt echter dat vele ontheemden nog niet terug durven naar hun thuisgebied en degenen die het wel proberen stuiten op obstakels. Zo spreekt het ambtsbericht van hernieuwde ontheemden; ontheemden die terug zijn gekeerd naar [regio] maar door oplaaiend geweld weer zijn ontheemd. Andere obstakels voor terugkeer zijn de verwoesting van infrastructuur en huizen, het gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen. De veiligheidssituatie wordt volgens bronnen als belangrijkste obstakel gezien voor een grootschalige terugkeer van Jezidi’s. Regelmatige Turkse luchtaanvallen op PKK- en YBS-doelen waren hierin een belangrijke factor. Daarnaast geldt volgens het ambtsbericht dat mede door gebrek aan effectieve implementatie van het [regio] -akkoord uit oktober 2020, door de federale regering en de KRG gesloten om de situatie te stabiliseren en terugkeer van ontheemden te faciliteren, de veiligheids- en bestuurlijke situatie in [regio] chaotisch bleef. Het district was nog steeds de facto verdeeld tussen een variëteit aan – statelijke en niet-statelijke – gewapende actoren, waaronder het Iraakse leger, de YBS, pro-KDP-groepen en verschillende PMF-milities. De berichtgeving die door eisers in beroep is ingebracht, ondersteunt dit beeld en is door verweerder in zoverre ook niet weersproken. Voorts blijkt uit de het landgebonden beleid over Irak in de Vc 2000 (C7/16.4.2) dat in de provincie [provincie] waar [regio] in ligt, sprake is van willekeurig geweld, zij het volgens het beleid van een relatief lager niveau. Eisers hebben in dit verband betoogd dat er in [regio] sprake is van een gewapend conflict en willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en dat zij als gevolg daarvan risico lopen op ernstige schade.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers geen risico lopen op ernstige schade bij terugkeer naar hun gebied van herkomst, te weten [regio]. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe de relevante persoonlijke omstandigheden van eisers, waaronder het feit dat zij beide ontheemde jezidi zijn en geen familie hebben om op terug te vallen bij terugkeer naar [regio], zich volgens verweerder verhouden tot de veiligheidssituatie in [regio] en de aard en intensiteit van het willekeurig geweld dat daar plaatsvindt. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Het terugkeerbesluit
13. Tot slot heeft de rechtbank beide partijen gewezen op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 november 2025. De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat verweerder geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en daarmee heeft onderzocht of de Griekse autoriteiten de aan eisers toegekende vluchtelingenstatus mogelijk zullen intrekken.
14. De rechtbank begrijpt dat verweerder in een lastige situatie verkeert, omdat er veel Griekse statushouders zijn en de Griekse autoriteiten (mogelijk) niet of niet tijdig reageren op zijn berichten, maar ziet hierin geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan de meervoudige kamer.
15. De rechtbank geeft verweerder mee dat uit de hiervoor vermelde uitspraak volgt dat verweerder de reactie van Griekenland moet betrekken bij het nieuwe besluit en daarbij dient te motiveren wat dit betekent voor een eventueel nieuw terugkeerbesluit.
Conclusie en gevolgen
16. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit is strijdig met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift in samenhangende zaken en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.