[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. M.S. Nizzamoedin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de landelijke spoedpiketregeling.
Verzoekster heeft zich bij de gemeente Den Haag gemeld voor verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB).
Bij besluit van 3 juli 2026 (primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat verzoekster geen recht heeft op verblijf op grond van de RTB.
Verzoekster heeft op 16 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit bij verweerder en - samenhangend met deze bezwaarprocedure - een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Op 29 juli 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om spoedbehandeling van deze zaak, vanwege beëindiging van de opvang per 31 juli 2026.
Verweerder heeft op 30 juli 2026 met een verweerschrift gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft na kennisneming van de schriftelijke standpunten van partijen het onderzoek gesloten en op 30 juli 2026 - op grond van artikel 8:83, vierde lid van de Awb - uitspraak gedaan zonder zitting, vanwege onverwijlde spoed en omdat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1972. Zij heeft zich op enig moment in juni 2026 gemeld bij de gemeente [gemeente]. Verweerder heeft bij besluit van 3 juli 2026 vastgesteld dat verzoekster niet onder de RTB valt, omdat zij eerder al tijdelijke bescherming in Duitsland heeft gehad. Een van de uitgangspunten van deze door verweerder nieuw gestarte pilot is dat een RTB-aanvraag vanaf 15 juni 2026 wordt geweigerd, als een vreemdeling op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming in een andere lidstaat heeft gehad. Daarbij is volgens verweerder niet van belang of de tijdelijke bescherming in een andere Unielidstaat nog actueel is. Verweerder vindt dat verzoekster onder de pilot valt, omdat in dit geval de datum van registratie in de BRP, namelijk 22 juni 2026, volgens hem leidend is.
Om te voorkomen dat verzoekster uit de opvang wordt gezet, heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit en tegelijk ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, teneinde het recht op opvang onder de RTB tijdens de bezwaarfase te behouden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op haar bezwaar. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, nu aan verzoekster is meegedeeld dat zij uiterlijk 31 juli om 11:00 uur de opvang moet verlaten. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen en acht daarom spoedeisend belang aanwezig.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze spoedprocedure zich niet leent voor een diepgaande inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit. Dat heeft te maken met een combinatie van specifieke omstandigheden in deze zaak. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit.
Allereerst is de voorzieningenrechter gedwongen om op korte termijn een beslissing te nemen, nu verzoekster te horen heeft gekregen dat zij uiterlijk op 31 juli 2026 om 11:00 uur de opvang moet verlaten. Daarnaast is van belang dat verzoekster stelt dat zij zich al vóór 15 juni 2026, namelijk op 11 juni 2026, had gemeld bij de gemeente voor tijdelijke bescherming en dus niet onder de eerder genoemde pilot valt. Verweerder stelt dat verzoekster wel onder de pilot valt, omdat zij na 15 juni 2026 pas geregistreerd staat in de BRP. De voorzieningenrechter beschikt op dit moment nog niet over alle benodigde informatie om daarover een inhoudelijk oordeel te geven. Tot slot vindt de voorzieningenrechter van groot belang dat deze rechtbank zich nog niet in een bodemgeding inhoudelijk heeft uitgelaten over de betreffende pilot.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter zich in deze zaak beperken tot een belangenafweging tussen enerzijds de belangen van verzoekster om de verzochte voorziening te treffen en anderzijds de belangen van verweerder om het verzoek af te wijzen.
Belangenafweging
5. Het belang van verzoekster is er kort gezegd in gelegen dat zij de opvang behoudt die zij tot nu toe heeft gekregen en dat zij niet per direct op straat komt te staan.
Het belang van verweerder is erin gelegen om door middel van een snelle beoordeling (triage) door te geven aan gemeenten of een vreemdeling onder de RTB valt, zodat gemeenten de beperkte opvangcapaciteit kunnen benutten voor enkel de vreemdelingen die rechtmatig aanspraak hebben op tijdelijke bescherming.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoekster uitvalt. De voorzieningenrechter erkent het belang van verweerder om een snelle beoordeling te maken en gemeenten daarmee te helpen om de beperkte opvangcapaciteit zo efficiënt mogelijk te benutten voor degenen die recht hebben op die opvang. Daar tegenover staat echter dat de rechtmatigheid van het besluit nog niet vaststaat en dat het voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft als haar verzoek wordt afgewezen. Daarbij staat niets eraan in de weg voor verweerder om in bezwaar de door hem gewenste snelheid te betrachten.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster, totdat op haar bezwaarschrift is beslist, moet worden behandeld alsof zij onder de RTB valt.
7. Er bestaat in dit geval aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter stelt dit bedrag, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026, vast op € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, € 934,- per punt, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Verweerder dient dit bedrag te betalen aan de gemachtigde van verzoekster.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoekster moet behandelen alsof zij onder de RTB valt, tot en met de dag dat het besluit op bezwaar bekendgemaakt wordt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan de gemachtigde van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks griffier.
De beslissing is op 30 juli 2026 telefonisch medegedeeld aan partijen en openbaargemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.