RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/4186 en 25/4871
en
(gemachtigde: mr. G.A.A. de Josselin).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan BAM Infra Civiel (vergunninghouder) voor het aanleggen van een tijdelijk fietspad ( [straatnaam 1] ) voor drie jaar tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] in [plaats 1] (zaak SGR 25/4871). Daarnaast heeft het college een verkeersbesluit genomen, waarbij [straatnaam 1] als tijdelijk fietspad is aangewezen in de periode van 26 juni 2025 tot en met 31 december 2026 (zaak SGR 25/4186).
Het college heeft het bezwaar van eiser tegen de verlening van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en heeft eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het verkeersbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de beide bestreden besluiten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser tegen de beide bestreden besluiten gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
De omgevingsvergunning
2. Vergunninghouder heeft op 13 december 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van een tijdelijk fietspad. Bij besluit van 28 januari 2025 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 januari 2025 ongegrond verklaard.
Het verkeersbesluit
Op 18 maart 2025 heeft het college een verkeersbesluit genomen.
Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 is het bezwaar van eiser tegen het verkeersbesluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
In beide zaken
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten van 15 mei 2025 en 16 juli 2025. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De bestreden besluiten
3. Het college heeft in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning toegelicht dat ProRail herstelwerkzaamheden moet uitvoeren aan het viaduct bij de [straatnaam 4] in [plaats 2] ten behoeve van een veilige passage van de HSL-treinen. Om deze werkzaamheden mogelijk te maken, moet de [straatnaam 5] tijdelijk afgesloten worden voor al het verkeer. Met [straatnaam 1] wordt een omleidingsroute voor fietsers gerealiseerd. De verleende omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit “het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid”. Op de locatie van het fietspad rusten de bestemmingen “Verkeer-HSL” (artikel 18 van het bestemmingsplan “Buitengebied Oost”) en “Verkeer-A4” (artikel 21 van het bestemmingsplan “Buitengebied West”). [straatnaam 1] past volgens het college binnen deze bestemmingen, omdat het wordt aangelegd ten dienste van de HSL. Volgens het college was het daarom niet nodig om voor de aanleg van [straatnaam 1] af te wijken van deze bestemmingen. De verleende omgevingsvergunning was volgens het college uitsluitend nodig in verband met de archeologische dubbelbestemmingen die op de betrokken gronden rusten.
Met het verkeersbesluit heeft het college – voor zover hier van belang – [straatnaam 1] aangewezen als tijdelijk fietspad in de periode van 26 juni 2025 tot en met 31 december 2026.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het “Omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem” (het Omgevingsplan). De bestemmingsplannen “Buitengebied Oost” en “Buitengebied West” maken deel uit van het tijdelijk deel van dit Omgevingsplan.
De omgevingsvergunning
5. De rechtbank stelt vast dat eiser op ongeveer 90 meter van [straatnaam 1] woont en hierop zicht heeft vanuit zijn woning. Eiser stelt dat hij overlast ervaart van het gebruik van het fietspad, met name door brom- en snorfietsers. Gelet op de beperkte afstand tussen de woning van eiser en het fietspad en nu niet gezegd kan worden dat de aanwezigheid van dit fietspad geen gevolgen van enige betekenis voor eiser heeft, dient hij als belanghebbende te worden aangemerkt bij de verleende omgevingsvergunning.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de toestemming voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden. Dat de archeologische dubbelbestemmingen die op de gronden rusten niet aan realisatie van het fietspad in de weg staan, is daarmee niet in geschil. Eiser bestrijdt uitsluitend het standpunt van het college dat [straatnaam 1] binnen de bestemmingen “Verkeer-HSL” en “Verkeer-A4” past en dat het dus niet nodig was om ten behoeve van [straatnaam 1] van deze bestemmingen af te wijken. Volgens eiser is dit standpunt onjuist en heeft het college ten onrechte aangenomen dat voor [straatnaam 1] geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vereist was. Deze omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan volgens eiser niet worden verleend, onder andere omdat er alternatieven beschikbaar zijn en omdat de veiligheid van de wandelaars op het fietspad niet is gewaarborgd.
De rechtbank overweegt dat [straatnaam 1] op gronden met de bestemming “Verkeer-HSL” en “Verkeer-A4” ligt. Binnen deze bestemmingen zijn – samengevat weergegeven – spoorwegen en de rijksweg A4 toegestaan, inclusief de hierbij behorende bouwwerken en voorzieningen. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moeten bestemmingen ten behoeve van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. Beide bestemmingen bieden naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een fietspad, met uitzondering van de bestemming “Verkeer-HSL” voor zover het “natte en droge kruisende infrastructuur” betreft. Binnen de bestemming “Verkeer-HSL” is daarmee een fietspad toelaatbaar op de locatie waar de HSL het fietspad kruist. De rechtbank volgt het college niet in het standpunt dat [straatnaam 1] kan worden beschouwd als een ontsluitingsweg ten behoeve van de HSL. Het gaat niet om een weg die strekt ten behoeve van de (ontsluiting van de) HSL, maar om een fietspad dat tijdelijk wordt gerealiseerd om fietsverkeer te accommoderen dat moet omfietsen als gevolg van de afsluiting van de [straatnaam 5] . De rechtbank laat dan nog daar dat – zelfs als het college in dit standpunt gevolgd zou worden – het fietspad ook deels is gerealiseerd binnen de bestemming “Verkeer-A4”, waarbinnen geen ruimte bestaat voor de aanleg van ontsluitingswegen ten behoeve van de HSL.
Een fietspad past ook niet onder de bijbehorende voorzieningen zoals opgesomd in artikel 18.1, onder d, van het bestemmingsplan “Buitengebied Oost” en artikel 21 van het bestemmingsplan “Buitengebied West”.
Gelet op het voorgaande heeft eiser terecht aangevoerd dat [straatnaam 1] niet past binnen de op de betrokken gronden rustende bestemmingen, met uitzondering van een zeer beperkt deel dat zich bevindt op de locatie waar de HSL [straatnaam 1] kruist. Het college had daarom moeten beoordelen of ten behoeve van [straatnaam 1] van het Omgevingsplan kon worden afgeweken. Het college heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het betoog van eiser slaagt. Reeds daarom komt het bestreden besluit inzake de omgevingsvergunning voor vernietiging in aanmerking. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.
Het verkeersbesluit
7. Een belanghebbende kan tegen een besluit bezwaar maken en beroep instellen. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing is beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor eenieder. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Iemand is slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit indien hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Als een verkeersbesluit directe gevolgen heeft voor het aantal verkeersbewegingen ter plaatse van de woning/het bedrijf van een bezwaarmaker, dan kan deze worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit. Ook factoren als zicht op en afstand tot de weg waarop het verkeersbesluit ziet kunnen naar het oordeel van de rechtbank een rol spelen om te bepalen of iemand belanghebbende is.
Hierboven onder 5 heeft de rechtbank overwogen dat het college eiser terecht als belanghebbende heeft aangemerkt bij de omgevingsvergunning. Daarbij zijn onder meer de factoren afstand tot en zicht op [straatnaam 1] van belang geacht. Diezelfde factoren brengen mee dat eiser als belanghebbende bij het verkeersbesluit ten aanzien van [straatnaam 1] kan worden aangemerkt. Daar komt bij dat als gevolg van het verkeersbesluit sprake is van een verkeerstoename op [straatnaam 1] dat zich dus in de directe nabijheid van de woning van eiser bevindt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voldoende persoonlijk belang. Dit betekent dat het bezwaar van eiser tegen het verkeersbesluit ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het bestreden besluit inzake het verkeersbesluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
8. De beide beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het college in beide zaken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht in beide zaken aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn reiskosten van € 13,44. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- gelast het college in beide zaken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met
inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 13,44;
- draagt in de zaak met zaaknummer SGR 25/4186 het college op het door eiser betaalde
griffierecht van € 194,- aan hem te vergoeden;
- draagt in de zaak met zaaknummer SGR 25/4871 het college op het door eiser betaalde
griffierecht van € 194,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.