ECLI:NL:RBDHA:2026:22498

ECLI:NL:RBDHA:2026:22498

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer SGR 23/5790
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De Svb heeft terecht een AOW-pensioen met een kortingspercentage van 42% heeft toegekend. Toepassing artikel 3 AOW.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 23/5790

(gemachtigde: mr. H.S. Huisman)

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een AOW-pensioen vanaf 2 juni 2022 met een kortingspercentage van 42%. Eiser is het hier niet eens. Aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van de Svb juist is. De rechtbank betrekt daarbij ook de stukken die aan die besluitvorming ten grondslag liggen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat de Svb terecht een AOW-pensioen met een kortingspercentage van 42% heeft toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 25 mei 2022 heeft de Svb een AOW-pensioen aan eiser toegekend vanaf 2 juni 2022 met een kortingspercentage van 42%.

In het herzieningsverzoek van eiser van 5 januari 2023 ziet de Svb geen aanleiding om terug te komen op het besluit van 25 mei 2022. Met het bestreden besluit van 28 juli 2023 heeft de Svb het standpunt in het besluit van 25 mei 2022 gehandhaafd. In het besluit van 25 mei 2022 is beslist dat eiser in de periodes 5 tot en met 29 februari 1992 en 1 tot en met 31 januari 1998 verzekerd is voor de AOW. Dit heeft echter niet geleid tot een lager kortingspercentage.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Gronden van eiser

3. Eiser betoogt dat een lager kortingspercentage moet worden toegepast. Hij voert aan dat hij ook verzekerd is voor de AOW in de periodes 1 oktober 1989 tot en met 26 april 1990, 1 tot en met 15 maart 1992, 22 april tot en met 31 december 1997, 1 februari 1998 tot en met 30 juni 2000 en 2 oktober tot en met 31 december 2000.

Standpunt van verweerder

4. In het verweerschrift stelt de Svb zich op het standpunt dat eiser in de door hem gestelde periodes niet verzekerd was voor de AOW.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser in de periode van 1 oktober 1989 tot met 26 april 1990 verzekerd voor de AOw?

5. De eerste periode waarin aan eiser geen AOW-pensioen is toegekend vangt aan op 2 juni 1972 en eindigt op 26 april 1990. Van deze periode staat alleen de periode van 1 oktober 1989 tot en met 26 april 1990 ter discussie. Tussen partijen is de korting van 34% over de 17 jaar tussen 1972 en 1989 niet in geschil. Eiser betoogt dat hij verzekerd is voor de AOW in de periode van 1 oktober 1989 tot en met 26 april 1990. Eiser voert aan dat hij in deze periode in Nederland heeft gewoond en gewerkt. In 1989 heeft eiser een sofinummer gekregen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser verder naar een brief van 26 februari 1996 van zijn toenmalige advocaat mr. [naam 1] , waarin wordt vermeld dat eiser vanaf 1 oktober 1989 tot 30 december 1993 bij [werkgever 1] werkte. De advocaat verwijst in de brief naar de arbeidsovereenkomst die een bijlage bij de brief is. Eiser beschikt niet meer over deze bijlage omdat hij in 1992 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Nederland is uitgezet. Eiser verwijst ook naar een brief van 30 juni 2003 van de heer [naam 2] van het Advocatenkollectief, waarin wordt vermeld dat eiser sinds 1989 in Nederland verblijft. Eiser verwijst verder naar een verklaring van de heer [naam 3] van 3 februari 1997, waaruit volgt dat eiser van 1990 tot en met 1995 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in het flatcomplex Jonker/Kadoelerbos. Tot slot verwijst eiser naar een jaaropgaaf van 1990, waarin een jaarloon van ƒ7136,- wordt vermeld. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer ƒ594,- per maand, wat ongeveer hetzelfde bedrag is dat als dertiende maand is uitgekeerd op 11 januari op de Nutsspaarbank met de vermelding ‘sal periode 13’. Hieruit volgt dat eiser in 1990 twaalf maanden heeft gewerkt en dus ook januari tot en met april 1990.

De Svb stelt zich op het standpunt dat eiser in deze periode niet verzekerd was voor de AOW. Eiser was in deze periode niet ingeschreven in Nederland. Ook uit het Schakelregister en de gegevens van de Rijksinspectie van het Bevolkingsregister (RIB) blijkt niet dat eiser in deze periode in Nederland verbleef. Dat eiser in deze periode in Nederland zou hebben gewerkt blijkt niet uit de gegevens van Cadans en van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (BPF Schoonmaak). De brief van [naam 1] en de verklaring van de heer [naam 3] worden niet met objectieve bewijsstukken ondersteund, zodat de ze onvoldoende bewijskracht hebben.

De rechtbank overweegt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast voor de feiten die tot het nemen van de gevraagde besluiten leiden, in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Voor deze bewijslastverdeling is te meer grond indien de te bewijzen feiten in de invloedsfeer van de aanvrager liggen.

De rechtbank is van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode van 1 oktober 1989 tot met 26 april 1990 niet als verzekerd kan worden aangemerkt. Op de door eiser overgelegde jaaropgaaf 1990 staat vermeld ‘met ingang van 3006’. Uit de gegevens van Cadans kan worden afgeleid dat eiser in de periode van 30 juni tot en met 31 december 1990 heeft gewerkt. Gelet op de jaaropgaaf en de gegevens van Cadans in samenhang bezien is aannemelijk dat de jaaropgaaf 1990 ziet op de periode vanaf 30 juni. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij werkzaam is geweest van 1 oktober 1989 tot en met 26 april 1990. De brieven van de heer [naam 1] en de heer [naam 2] bevatten onvoldoende bewijs om desondanks aan te kunnen nemen dat eiser deze hele periode in Nederland heeft gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Is eiser in de periode van 1 maart 1992 tot en met 15 maart 1992 verzekerd voor de AOW?

6. Eiser betoogt dat hij in de periode van 1 tot en met 15 maart 1992 verzekerd is voor de AOW. Eiser voert aan dat hij in deze periode in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Volgens eiser is het onaannemelijk dat eiser in februari en april 1992 wel in Nederland werkte en woonde en in maart 1992 niet. De werkgever van eiser, [werkgever 2] , betaalde niet altijd premies en belastingen.

De Svb stelt zich op het standpunt dat eiser niet als verzekerd kan worden aangemerkt in deze periode omdat hij niet heeft aangetoond dat hij deze periode in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Eiser was in deze periode niet ingeschreven in Nederland. Uit de gegevens van Cadans en BPF Schoonmaak is niet gebleken dat eiser in deze periode in Nederland heeft gewerkt. Dit blijkt ook niet uit het bankafschrift van 4 maart 1992. Het is niet aannemelijk dat de betaling van ƒ 800 met als omschrijving 'nabetaling' betrekking heeft op maart 1992. De betaling van ƒ 1.154,64 op het bankafschrift met de vermelding 'salaris periode 2/92' ziet op februari 1992. De brief van 26 februari 1996 van advocaat [naam 1] is ook voor deze periode onvoldoende bewijs om aan te nemen dat eiser in deze periode in Nederland heeft gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor de periode van 1 tot en met 15 maart 1992 niet als verzekerd kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Svb, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in deze periode in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Voor zover eiser zwart heeft gewerkt, komt dit voor zijn risico en rekening. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de Svb artikel 3 van de AOW juist toegepast?

7. Eiser betoogt dat hij voor de WAO verzekerd is vanaf 27 december 1997 tot en met 31 december 1997 en vanaf 1 februari 1998 tot 1 juli 1998. De Svb heeft ten onrechte slechts de factoren duurzame woonruimte, registratie en inkomen bij de beoordeling betrokken. Eiser voert aan dat hij vanaf 1979 altijd de intentie heeft gehad om in Nederland te blijven wonen.

De Svb stelt zich op het standpunt dat in de periode van 27 december 1997, de datum van de terugkeer van eiser in Nederland na zijn uitzetting op 22 april 1997, tot 1 juli 1998, de ingangsdatum van de Koppelingswet, geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland. In deze periode beschikte eiser niet over een geldig verblijfsrecht in Nederland, stond eiser niet ingeschreven bij de gemeente, beschikte eiser niet over zelfstandige duurzame woonruimte en verbleef eiser voor een korte periode in Nederland.

De rechtbank overweegt dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

In beleidsregel SB1022 van de Svb is vastgelegd dat een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen. Er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend. De wil van een betrokkene om in Nederland te wonen kan van belang zijn. De intentie van een betrokkene om in Nederland te wonen moet worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en moet blijken uit de feiten en omstandigheden. Op de intentie van een betrokkene wordt geen acht geslagen als deze niet objectief kan worden vastgesteld. Evenmin komt aan de intentie enig belang toe als deze niet kan worden verwezenlijkt. Het enkele voornemen zich in Nederland te vestigen vormt op zichzelf nimmer een afdoende omstandigheid voor het aannemen van ingezetenschap.

De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht en op goede gronden geen duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland heeft aangenomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 27 december 1997 onafgebroken in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Voor zover eiser dit wel aannemelijk heeft gemaakt, heeft de Svb eiser verzekerd geacht, te weten van 1 januari 1998 tot en met 31 januari 1998. De Svb heeft naar het oordeel van de rechtbank bij zijn beoordeling terecht doorslaggevend geacht dat eiser niet over een geldig verblijfsrecht in Nederland beschikte, niet stond ingeschreven bij de gemeente en niet over zelfstandige duurzame woonruimte beschikte. Eiser voert aan dat hij altijd de intentie heeft gehad om in Nederland te blijven en dat hij tegen zijn wil werd uitgezet. Eiser is na de uitzetting zo snel mogelijk weer terug naar Nederland gegaan. De rechtbank overweegt dat eiser aldus de boodschap van de Nederlandse Staat heeft genegeerd dat hij niet in Nederland mag verblijven. Dit relativeert de intentie van eiser om in Nederland te willen blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

Slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel?

8. Eiser betoogt dat hij op grond van het evenredigheidsbeginsel en/of op grond van het contra legem toepassen van algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht is verzekerd voor de AOW in de periodes 1 tot en met 15 maart 1992, 1 juli 1998 tot en met 27 oktober 1998, 28 oktober 1998 tot en met 30 juni 2000 en 2 oktober 2000 tot en met 31 december 2001. Het kortingspercentage van 42% op zijn AOW heeft grote gevolgen voor eiser. Eiser komt niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag, terwijl hij minder dan 110% van de bijstandsnorm ontvangt. Op 28 oktober 1998 heeft eiser een verblijfsvergunning aangevraagd. Eiser heeft geen bewijs van werken in loondienst, vereist voor de toepassing van de Koppelingswet, in voornoemde periodes omdat hij zwart heeft gewerkt. Werkgevers maakten misbruik van zijn kwetsbare positie als vreemdeling in Nederland.

De rechtbank volgt de Svb in de overweging dat artikel 6 van de AOW een dwingendrechtelijke bepaling is van een wet in formele zin. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat zich in deze zaak bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever niet of niet volledig rekening heeft gehouden bij het vaststellen van die bepaling. Daarom kunnen de gevolgen van de toepassing ervan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De verwijzing van eiser naar de doorgeschoten effecten van het koppelingsbeginsel en het ‘voorstel tot afschaffing van de schuldig nalatig verklaring AOW’ doen hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.

Schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn

9. Namens eiser is verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, met een bezwaar- en beroepstermijn, maximaal twee jaar in beslag mag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 22 maart 2023. De behandeling heeft daarmee in totaal 41 maanden jaar geduurd. De redelijke termijn is derhalve met 17 maanden (afgerond anderhalf jaar) overschreden. Niet gebleken is van omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. Deze periode van anderhalf jaar moet worden toegeschreven aan de beroepsfase. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat zal worden veroordeeld tot een vergoeding van € 1.500,-.

10. Ook zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om deze schadevergoeding. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,- aan eiser;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- wegens proceskosten van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand