RECHTBANK DEN HAAG
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
[cliënt],
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/710251 / FA RK 26-7921
Datum beschikking: 5 augustus 2026
Beschikking naar aanleiding van het op 31 juli 2026 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de [zorginstelling] te [plaats],
advocaat: mr. M.J. de Jongh te Leiden.
Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 31 juli 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de gemeente [gemeente] van 16 augustus 2026;
- de op 30 juli 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij zijn behandeling betrokken was;
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 6 juni 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 2];
- de coassistent, [naam 3].
Daarnaast waren aanwezig:
- de zus van cliënt, [naam 4];
- de broers van cliënt, [naam 5] en [naam 6].
Standpunten ter zitting
Door en namens cliënt is naar voren gebracht dat cliënt geen verzet toont tegen het verblijf in de accommodatie. Cliënt legt zich inmiddels neer bij het verblijf en bij hem is sprake van een zekere berusting. Er is daarom geen noodzaak meer voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Daarnaast heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De specialist ouderengeneeskunde heeft aangeven dat het goed gaat met cliënt in de accommodatie. Cliënt verzet zich minimaal tegen het verblijf in de accommodatie. Aan het begin van de opname heeft cliënt aangegeven dat hij terug wilde naar de beschermde woonvorm omdat hij zijn vrienden mist, maar inmiddels lijkt cliënt het verblijf in de accommodatie te accepteren en toont hij geen verzet meer. Een verblijf van cliënt op grond van artikel 21 Wzd lijkt dan ook aangewezen.
De coassistent heeft naar voren gebracht dat cliënt voorafgaand aan de zitting heeft aangegeven dat hij het liefst terug wil naar de beschermde woonvorm, maar dat hij berust in het verblijf in de accommodatie.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, te weten ongespecificeerde neurcognitieve stoornissen, dit ernstig nadeel veroorzaakt.
Ter zitting is gebleken dat cliënt zich niet verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Hoewel cliënt het liefst terug zou willen naar de beschermde woonvorm, berust hij in het verblijf in de huidige accommodatie. De specialist ouderengeneeskunde heeft ter zitting aangegeven dat cliënt inmiddels geen verzet meer toont tegen het verblijf in de accommodatie. Ook door de broer van cliënt is beaamd dat cliënt enkel bij aanvang van het verblijf kort verzet toonde.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.