ECLI:NL:RBDHA:2026:22514

ECLI:NL:RBDHA:2026:22514

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer 12048698 RL EXPL 26-402
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vakantiegeld. WML. Verjaring. Informatieplicht. Klachtplicht. Schadevergoeding. Wettelijke verhoging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

PV/cd

Zaak-/rolnr.: 12048698 RL EXPL 26-402

6 augustus 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eisende partij] , wonende te [woonplaats] ,eisende partij,gemachtigde: mr. R. Thielen,

tegen

1. ICEX España Exportación e Inversiones, E.P.E.,

2. Het Koninkrijk Spanje, meer bijzonder het Ministerie van Economie, Handel en Bedrijfsleven, meer bijzonder het Instituut voor Buitenlandse Handel,

gevestigd respectievelijk zetelend te Madrid (Spanje),gedaagde partijen,gemachtigden: mrs. E.M.G.F. Spijkerman en L.C. Varkevisser.

Partijen worden hierna [eisende partij] , ICEX en de Spaanse Staat genoemd.

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 15 juli 2025 met producties 1 tot en met 13;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;

- de akte houdende eiswijziging en -vermeerdering en overlegging nadere producties van [eisende partij] met producties 14 tot en met 19;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 en de tijdens die zitting namens [eisende partij] overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.

2. Feiten

[eisende partij] is op 1 juni 2011 bij ICEX in dienst getreden, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vanaf 1 november 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

[eisende partij] werkte laatstelijk als medewerker op de economische en commerciële afdeling van ICEX tegen een bruto maandsalaris van € 4.427,35, inclusief de bestanddelen “antiguedad” en “paga extra”. Martinez verrichte haar werkzaamheden op het kantoor van de Spaanse Afdeling voor Economie en Handel in Den Haag.

In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd staat – voor zover van belang – het volgende: “La trabajadora percibirá como retribución base bruta anual 41.500,00 € (12 pagas), incluidas pagas extraordinarias. (…)”. In de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is en in artikel 15 van de arbeidsovereenkomst is een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen.

Voorafgaand aan het sluiten van deze arbeidsovereenkomst heeft ICEX aan [eisende partij] een vacatureomschrijving verstrekt. In bijlage 1 bij deze vacatureomschrijving staat – voor zover van belang – het volgende: “La retribución bruta anual por todos los conceptos, incluidas pagas extraordinarias alcanzará un máximo de 41.500 €”.

[eisende partij] en haar collega’s hebben ICEX, althans de Spaanse Staat bij brief van 24 mei 2022 bericht dat de vakantiebijslag geen onderdeel uitmaakt van het brutosalaris en verzocht om naleving van de Nederlandse wet op dit punt.

De voormalig gemachtigde van [eisende partij] heeft ICEX, althans de Spaanse Staat bij brief van 13 juni 2024 opnieuw gewezen op het feit dat geen vakantiebijslag wordt uitbetaald. Daarbij heeft hij verzocht om binnen een maand alsnog de aan [eisende partij] verschuldigde bedragen aan vakantiebijslag te voldoen met terugwerkende kracht per 1 juni 2011.

ICEX, althans de Spaanse Staat heeft de voormalig gemachtigde van [eisende partij] bij brief van 24 juli 2024 medegedeeld dat [eisende partij] een brutoloon ontvangt waarin alle salariscomponenten zijn opgenomen.

De voormalig gemachtigde van [eisende partij] heeft bij brief van 28 november 2024 herhaald dat vakantiebijslag moet worden betaald.

De huidige gemachtigde van [eisende partij] heeft ICEX, althans de Spaanse Staat bij brief van 10 april 2025 wederom erop gewezen dat nimmer vakantiebijslag is uitbetaald en verzocht om met terugwerkende kracht per 1 juni 2011 tot betaling van vakantiebijslag over te gaan.

[eisende partij] is per 1 november 2025 uit dienst getreden.

3. Geschil

[eisende partij] vordert – na wijziging van eis – primair de hoofdelijke veroordeling van ICEX en de Spaanse Staat en subsidiair de afzonderlijke veroordeling van ICEX of de Spaanse Staat tot (verkort weergegeven):

betaling van € 49.585,37 bruto aan gemiste vakantietoeslag over de periode 1 november 2011 tot 1 juni 2025;

verstrekking van een deugdelijke specificatie van de (na)betaling van dit bedrag binnen een week na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom;

betaling van € 1.416,57 bruto aan gemiste vakantietoeslag over de periode 1 juni 2025 tot 1 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;

verstrekking van een deugdelijke specificatie waarop de betaling van dit bedrag is te zien in uiterlijk juli 2026, op straffe van een dwangsom;

betaling van € 24.792,69 bruto aan wettelijke verhoging over het bedrag genoemd bij A., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;

betaling van € 708,29 bruto aan wettelijke verhoging over het bedrag genoemd bij C., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;

betaling van € 875,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;

betaling van € 11.191,79 aan wettelijke rente tot en met 30 juni 2025 over het bedrag genoemd bij A., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025;

I. de kosten van de procedure.

[eisende partij] baseert haar vordering op het volgende. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) bestaat recht op een vakantiebijslag van ten minste 8% van het maandsalaris, die jaarlijks in juni moet worden uitbetaald. ICEX en/of de Spaanse Staat zijn gehouden deze vakantiebijslag aan haar te voldoen. ICEX en/of de Spaanse Staat hebben in strijd met hun wettelijke informatieplicht nagelaten [eisende partij] te informeren over haar recht op vakantiebijslag en zijn daarom aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Wegens de te late betaling van de vakantiebijslag zijn ICEX en/of de Spaanse de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verschuldigd. Daarnaast zijn ICEX en/of de Spaanse Staat de kosten verschuldigd die gemaakt zijn om buiten rechte betaling te verkrijgen.

ICEX en de Spaanse Staat concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten. Op de stellingen van ICEX en de Spaanse Staat wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.

4. Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 21 van de Brussel I-bis-verordening bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, omdat [eisende partij] als werknemer haar werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichte. Bovendien voorziet ook het forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst in de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Het Nederlandse recht is op grond van artikel 3 van de Rome I-verordening op de arbeidsovereenkomst van toepassing. In de arbeidsovereenkomst is immers een expliciete keuze gemaakt voor Nederlands recht.

Werkgever

Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat de Spaanse Staat moet worden aangemerkt als de werkgever van [eisende partij] .

WML

De vordering van [eisende partij] strekt primair – zo begrijpt de kantonrechter althans – tot nakoming van de uit de WML voortvloeiende verplichting voor de werkgever om vakantiebijslag te betalen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eisende partij] op grond van artikel 15 WML recht heeft op vakantiebijslag. Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of deze vakantiebijslag al is inbegrepen in het overeengekomen en maandelijks uitbetaalde loon, dus ‘all-in’ was, of dat de uitbetaalde bedragen nog verhoogd moeten worden met 8% en alsnog aanvullend moet worden betaald. De Spaanse Staat stelt zich namelijk op het standpunt dat partijen gebruik hebben gemaakt van de uitzondering in lid 2 van artikel 17 WML door in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst overeen te komen dat de vakantiebijslag onderdeel is van het overeengekomen jaarsalaris en maandelijks wordt uitbetaald.

In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst is een bruto jaarsalaris overeengekomen dat in twaalf termijnen wordt uitbetaald, inclusief “pagas extraordinarias”. De Spaanse Staat stelt dat onder “pagas extraordinarias” tevens vakantiebijslag moet worden begrepen, maar dit standpunt verwerpt de kantonrechter. [eisende partij] heeft onweersproken toegelicht dat werknemers in Spanje aanspraak hebben op een dertiende en veertiende maand, die worden aangeduid als “pagas extraordinarias” en ook onderbouwd dat de bedragen die aan haar onder de noemer "paga extra" zijn uitbetaald overeenkomen met een dertiende en veertiende maand. Vast staat daarnaast dat een met de Nederlandse vakantiebijslag vergelijkbare wettelijke aanspraak in Spanje niet bestaat. Gelet hierop ligt het niet voor de hand dat met “pagas extraordinarias” tevens de vakantiebijslag is bedoeld.

De Spaanse Staat heeft gewezen op de vacatureomschrijving, waarin is vermeld dat het bruto jaarsalaris een bedrag "por todos los conceptos" betreft. Aan die formulering komt echter geen doorslaggevende betekenis toe. Vaststaat immers dat deze passage geen onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst en daarom niet als tussen partijen overeengekomen kan worden aangemerkt. Bovendien is ook deze formulering onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat de vakantiebijslag in het overeengekomen salaris is begrepen. De woorden "por todos los conceptos" specificeren immers niet welke loonbestanddelen onder het jaarsalaris vallen, noch welk bedrag aan eventuele vakantiebijslag daaraan zou moeten worden toegerekend.

Dat geen vakantiebijslag in het loon was begrepen, kan ook worden afgeleid uit feit dat in de loonstroken die volgens [eisende partij] door de Spaanse Staat zijn verstrekt geen afzonderlijke specificatie van de vakantiebijslag is opgenomen. Op grond van artikel 7:626 lid 1 BW is de werkgever verplicht om bij iedere loonbetaling aan de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken van het loonbedrag en van de gespecificeerde bedragen waaruit dit loon is samengesteld. Uit de wetsgeschiedenis bij de WML volgt dat onder deze verplichting ook valt dat de vakantiebijslag afzonderlijk wordt gespecificeerd. Aan deze verplichting is in dit geval niet voldaan en dat vormt aanwijzing dat de vakantiebijslag niet (kenbaar) in het overeengekomen loon was begrepen.

Gelet op het voorgaande wordt de stelling van de Spaanse Staat dat partijen zijn overeengekomen dat de vakantiebijslag in het loon was verdisconteerd en maandelijks werd uitbetaald, verworpen. Dit betekent dat de Spaanse Staat op grond van de WML gehouden is de vakantiebijslag alsnog aan [eisende partij] te voldoen. De Spaanse Staat heeft de door [eisende partij] gevorderde bedragen aan gemiste vakantiebijslag en de berekeningen die daaraan ten grondslag liggen niet betwist. Wel heeft hij aangevoerd dat een deel van de vordering is verjaard en dat [eisende partij] haar klachtplicht heeft geschonden.

Verjaring

De kantonrechter ziet aanleiding om het verjaringsverweer van de Spaanse Staat te beoordelen in het licht van artikel 3:308 lid 1 BW en artikel 20 WML. Redengevend daarvoor is dat de WML in artikel 17 lid 1 bepaalt dat de vakantiebijslag waarop de werknemer over het loon, voor zover een en ander over het tijdvak tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden, recht heeft verworven, jaarlijks in de maand juni aan de werknemer wordt uitbetaald. De Spaanse Staat voert aan dat de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen op de dag van dagvaarding (15 juli 2025) en dat de aanspraken die zien op de perioden gelegen vóór 15 juli 2020 derhalve zijn verjaard.

[eisende partij] stelt dat de collectieve brief van 24 mei 2022 gekwalificeerd moet worden als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Deze brief bevat echter noch een aanmaning, noch een mededeling waarin ondubbelzinnig het recht op betaling van vakantiebijslag met terugwerkende kracht vanaf het begin van het dienstverband wordt voorbehouden.

[eisende partij] stelt voorts dat de brief van 13 juni 2024 van haar voormalig gemachtigde gekwalificeerd moet worden als een stuitingshandeling. In deze brief wordt daadwerkelijk aanspraak gemaakt op vakantiebijslag en de brief bevat ook een aanmaning om de vakantiebijslag met terugwerkende kracht vanaf het begin van het dienstverband te voldoen. Met deze brief is de verjaring derhalve gestuit. Met dat oordeel kan in het midden blijven of de brief van 28 november 2024 van de voormalig gemachtigde van [eisende partij] eveneens als een stuitingshandeling gekwalificeerd kan worden, nu tussen partijen niet in geschil dat de verjaring in ieder geval (ook) is gestuit met de brief van 10 april 2025 van de (huidige) gemachtigde van [eisende partij] .

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering in ieder geval niet verjaard is voor zover deze betrekking heeft op de vakantiebijslag over de periode vanaf 1 juli 2019. De vakantiebijslag die betrekking heeft op de periode gelegen tussen 31 mei 2018 en 1 juni 2019 is als gevolg van het bepaalde in de WML namelijk eerst opeisbaar geworden op 1 juli 2019 en dat is minder dan vijf jaar vóór de stuiting van de verjaring op 13 juni 2024.

[eisende partij] stelt dat, voor zover haar vordering is verjaard, deze verjaring aan de Spaanse Staat te wijten is, omdat de Spaanse Staat in strijd met artikel 7:655 lid 1 sub h BW heeft nagelaten haar te informeren over haar recht op vakantiebijslag. [eisende partij] betoogt dat de Spaanse Staat daarom op grond van artikel 7:655 lid 4 BW schadeplichtig is en dat voor dat deel van de vordering de verjaringstermijn uit artikel 3:310 lid 1 BW geldt. Omdat [eisende partij] haar recht op vakantiebijslag niet eerder dan op 25 mei 2022 heeft ontdekt, is volgens haar geen enkel deel van de vordering verjaard.

Artikel 7:655 BW bevat bepalingen over de informatieplicht van een werkgever. Deze bepaling is in 1994 ingevoerd ter uitvoering van Richtlijn 91/533 en per 1 augustus 2022 aangepast aan Richtlijn 2019/1152, die eerstgenoemde richtlijn heeft vervangen. De werkgever is op grond van deze bepaling verplicht aan de werknemer opgave te verstrekken van het loon en de afzonderlijke bestanddelen daarvan (lid 1 sub h). De informatie die over het loon moet worden verstrekt, moet alle bestanddelen van het loon, afzonderlijk vermeld, omvatten. Het feit dat de loonbestanddelen die verplicht zijn bij wet niet zijn opgenomen in de informatie die de werkgever op grond van de Richtlijn moet verstrekken mag geen reden zijn om ze niet aan de werknemer mee te delen (overweging 20 van de preambule van Richtlijn 2019/1152). Tot 1 augustus 2022 bepaalde artikel 7:655 lid 1 sub h BW slechts dat de werkgever opgave moet verstrekken van het loon. De bepaling vermeldde niet dat ook opgave moet worden verstrekt van de afzonderlijke loonbestanddelen. In artikel 2 lid 2 onder h van Richtlijn 91/533 stond wel dat onder de gegevens waarop de informatieplicht betrekking heeft in ieder geval valt het aanvangsbedrag en de overige bestanddelen van het loon waarop de werknemer recht heeft.

De Spaanse Staat stelt dat hij aan haar informatieplicht heeft voldaan door in de arbeidsovereenkomst het jaarsalaris van [eisende partij] op te nemen en daarbij te vermelden dat dit salaris in twaalf termijnen wordt uitbetaald en een bedrag inclusief “pagas extraordinarias” betreft. Daarmee heeft hij, in aanmerking genomen het overwogene in rechtsoverweging 4.14., echter niet aan zijn informatieplicht voldaan. Richtlijnconforme interpretatie van artikel 7:655 lid 1 sub h BW zoals deze bepaling gold ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst in 2011 brengt namelijk met zich dat de vakantiebijslag als loonbestanddeel afzonderlijk had moeten worden vermeld en zoals in rechtsoverweging 4.5. reeds is overwogen valt onder “pagas extraordinarias” niet tevens de vakantiebijslag. De Spaanse Staat heeft zijn informatieplicht jegens [eisende partij] dan ook geschonden.

Artikel 7:655 lid 4 BW (voorheen lid 5) bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer lijdt indien de werkgever weigert de vereiste opgave te verstrekken of daarin onjuiste mededelingen opneemt. [eisende partij] stelt dat zij als gevolg van de schending van de informatieplicht door de Spaanse Staat schade heeft geleden en begroot deze schade op het bedrag aan vakantiebijslag waarop zij op grond van de WML gedurende de periode dat haar nakomingsvordering is verjaard recht zou hebben gehad. Dit betreft echter geen schade in de zin van artikel 7:655 lid 4 BW. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat deze bepaling ziet op schade die de werknemer lijdt doordat hij financiële verplichtingen is aangegaan naar aanleiding van mededelingen van de werkgever, welke mededelingen later onjuist blijken te zijn. Daarbij is als voorbeeld gewezen op financiële verplichtingen met betrekking tot kinderopvang.

Nu niettemin vast staat dat de Spaanse Staat, in strijd met een op hem rustende wettelijke verplichting, heeft nagelaten [eisende partij] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst te informeren over haar recht op vakantiebijslag en deze aan haar uit te betalen en de vordering van [eisende partij] strekt tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat zij, gedurende de periode waarin haar nakomingsvordering inmiddels is verjaard, de vakantiebijslag heeft misgelopen en deze schadevergoedingsvordering gebaseerd kan worden op artikel 7:611 BW, maar evenzeer ook op artikel 6:162 BW, is niet artikel 3:308 BW daarop van toepassing, maar artikel 3:310 BW.

[eisende partij] heeft onweersproken gesteld dat zij haar recht op vakantiebijslag pas op 25 mei 2022 heeft ontdekt. Nu de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW eerst aanvangt op het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, was haar vordering op dat moment nog niet verjaard, omdat de verjaringstermijn voordien nimmer is aangevangen. Dit betekent dat [eisende partij] aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat zij de vakantiebijslag over de periode voorafgaand aan 1 juli 2019 niet heeft ontvangen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van de Spaanse Staat op verjaring wordt verworpen. Ten overvloede wordt overwogen dat een andere uitleg tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat zou leiden. In dat geval zou de Spaanse Staat als werkgever immers worden beschermd door zijn eigen nalatigheid, terwijl de gevolgen daarvan volledig voor rekening van [eisende partij] als werknemer zouden komen. De aanspraak op vakantiebijslag zou dan telkens vijf jaar na het moment waarop deze opeisbaar is geworden verjaren, zonder dat [eisende partij] door de Spaanse Staat van die aanspraak op de hoogte was gebracht. Daarmee zou de Spaanse worden beloond voor het niet nakomen van zijn wettelijke informatieplicht en dat strookt niet met de aard van de arbeidsovereenkomst, waarin de werknemer in beginsel erop mag vertrouwen dat de werkgever aan zijn wettelijke verplichtingen, waaronder de informatieplicht, voldoet.

Klachtplicht

De Spaanse Staat stelt dat [eisende partij] haar klachtplicht heeft geschonden, omdat zij pas in 2024 voor het eerst heeft geklaagd over het niet ontvangen van vakantiebijslag, terwijl zij reeds eerder met het ontbreken daarvan bekend was.

Voor zover de klachtplicht in dit geval van toepassing is, geldt dat hiervoor is overwogen dat de Spaanse Staat zijn informatieplicht jegens [eisende partij] heeft geschonden door haar nimmer te informeren over haar recht op vakantiebijslag. Martinez heeft onweersproken toegelicht dat, nadat zij hiervan op de hoogte raakte, zij haar aanspraak jegens de Spaanse Staat kenbaar heeft gemaakt. Bij brief van 24 mei 2022 heeft zij samen met collega’s meegedeeld dat de vakantiebijslag ten onrechte niet wordt uitgekeerd en verzocht om naleving van de Nederlandse wetgeving. Vervolgens heeft zij in 2024 tweemaal en in 2025 eenmaal individueel geklaagd over de niet-betaling daarvan.

Gelet op de inhoud van deze berichten had de Spaanse Staat er rekening mee moeten houden dat [eisende partij] haar aanspraak met terugwerkende kracht ook in rechte geldend zou maken. [eisende partij] heeft dan ook tijdig geklaagd. Er is ook niet gebleken dat de Spaanse Staat door het gestelde late klagen in zijn belangen is geschaad. Hoewel hij heeft aangevoerd dat een reconstructie van de aanspraken daardoor is bemoeilijkt, heeft hij niet gesteld dat deze onmogelijk is. Het beroep op schending van de klachtplicht faalt daarom.

Vakantiebijslag en schadevergoeding

Het voorgaande leidt ertoe dat de Spaanse Staat wordt veroordeeld tot betaling van vakantiebijslag over de periode vanaf 1 juli 2019 tot het einde van het dienstverband en tot vergoeding van schade ter hoogte van de over de periode daaraan voorafgaand opeisbaar geworden vakantiebijslag. Op basis van de door [eisende partij] overgelegde berekeningen bedraagt de toe te kennen vakantiebijslag € 25.646,89 bruto en de schadevergoeding € 25.355,05.

Specificatie

Gelet op artikel 7:626 lid 1 BW zal de Spaanse Staat een specificatie moeten verstrekken van de nabetaling van het toe te wijzen bedrag aan vakantiebijslag. Aan deze veroordeling wordt een dwangsom verbonden van € 100,- per dag dat de Spaanse Staat nalaat daaraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,-. Deze dwangsom wordt opgelegd, nu onweersproken vast staat dat de Spaanse Staat in een nagenoeg identieke zaak niet vrijwillig aan een vergelijkbare veroordeling heeft voldaan. De termijn om aan de veroordeling te voldoen wordt gesteld op één maand na betekening van het vonnis.

De Spaanse Staat hoeft geen specificatie te verstrekken van het te betalen bedrag aan schadevergoeding, nu dat geen loon betreft in de zin van artikel 7:626 lid 1 BW.

Wettelijke verhoging

Omdat de Spaanse Staat nog vakantiebijslag moet voldoen, staat vast dat deze te laat is betaald en dat [eisende partij] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 lid 1 BW. De kantonrechter ziet aanleiding deze verhoging te matigen. Niet is gebleken dat de Spaanse Staat bewust heeft nagelaten de vakantiebijslag te betalen en anders dan [eisende partij] stelt, volgt uit de brief van 24 juli 2024 dat de Spaanse Staat (althans ICEX) al voor deze procedure het standpunt heeft ingenomen dat de vakantiebijslag is inbegrepen in het overeengekomen jaarsalaris. Daar staat tegenover dat [eisende partij] wel is benadeeld, omdat zij nooit vakantiebijslag heeft ontvangen en daardoor jarenlang een lager maandelijks inkomen heeft gehad. Gelet op deze omstandigheden en op het feit dat de wettelijke verhoging uit publieke middelen moet worden voldaan, zal deze worden gematigd tot 30%, zijnde € 7.694,07 bruto. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.

De Spaanse Staat is geen wettelijke verhoging verschuldigd over het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding, nu dat geen loon betreft in de zin van artikel 7:625 lid 1 BW.

Buitengerechtelijke kosten

De Spaanse Staat moet de buitengerechtelijke incassokosten van [eisende partij] vergoeden, omdat [eisende partij] kosten heeft gemaakt ter incasso van haar vordering en aan de wettelijke eisen voor vergoeding is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan de vergoeding die de Spaanse Staat op grond van de som van de toe te wijzen bedragen volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, welke tarieven worden geacht redelijk te zijn, verschuldigd zou zijn. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond eveneens toewijsbaar.

Wettelijke rente

De Spaanse Staat is op grond van artikel 6:119 BW ook wettelijke rente verschuldigd over de te laat betaalde vakantiebijslag. De Spaanse Staat heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. Daarnaast is de Spaanse Staat wettelijke rente verschuldigd over het te betalen bedrag aan schadevergoeding vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dat is dus vanaf 2011, omdat de Spaanse Staat [eisende partij] toen had moeten informeren over haar recht op vakantiebijslag en tot betaling daarvan had moeten overgaan.

Uit het door [eisende partij] overgelegde overzicht van de berekening van de wettelijke rente, dat door de Spaanse Staat evenmin is betwist, volgt dat de wettelijke rente over de periode waarin de Spaanse Staat de vakantiebijslag had moeten betalen tot en met 30 juni 2025 € 11.191,79 bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde rente vanaf 30 juni 2025 over de tot met die datum verschenen rente wordt toegewezen voor zover voldaan is aan artikel 6:119 lid 2 BW. Ook de gevorderde wettelijke rente over de gemiste vakantiebijslag over de periode van 1 juni 2025 tot 1 november 2025 zal worden toegewezen.

Proceskosten

De Spaanse Staat is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 752,00

- salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten x tarief € 866,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 2.772,47

De vordering van [eisende partij] jegens ICEX wordt afgewezen, omdat ICEX niet haar werkgever is en [eisende partij] daarom geen vorderingsrecht heeft op ICEX. Hoewel zij daarmee in deze verhouding in het ongelijk wordt gesteld, worden de proceskosten tussen [eisende partij] en ICEX gecompenseerd. [eisende partij] heeft gemotiveerd uiteengezet dat voor haar niet duidelijk was wie haar formele werkgever was en gelet op die aan de Spaanse Staat te wijten onduidelijkheid kan het haar niet worden verweten dat zij naast de Spaanse Staat ook ICEX in deze procedure heeft betrokken.

5. Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de Spaanse Staat tot (na)betaling aan [eisende partij] van:

- € 25.646,89 € 25.646,89 bruto aan gemiste vakantietoeslag, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie van deze (na)betaling binnen één maand na betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de Spaanse Staat daarmee in verzuim is, met een maximum van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.416,57 bruto vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 25.355,05 € 25.355,05 ten titel van schadevergoeding;

- € 7.694,07 € 7.694,07 bruto aan wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 875,- € 875,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 11.191,79 € 11.191,79 aan tot en met 30 juni 2025 vervallen wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover en vanaf het moment dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BW tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de Spaanse Staat in de proceskosten van [eisende partij] van € 2.772,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als de Spaanse Staat niet tijdig aan één van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend hij ook de kosten van betekening betalen;

wijst de vordering van [eisende partij] jegens ICEX af;

compenseert de proceskosten tussen [eisende partij] en ICEX, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. O. van der Burg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand