RECHTBANK DEN HAAG
Vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/699352 / HA ZA 26-158
Vonnis van 12 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eisers sub 1] B.V., te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: ‘[eisers sub 1]’,
2. [eisers sub 2], te [woonplaats],
hierna te noemen ‘[eisers sub 2]’
3. [eisers sub 3], te [woonplaats],
hierna te noemen: ‘[eisers sub 3]’,
4. [eisers sub 4], te [woonplaats],
hierna te noemen: ‘[eisers sub 4]’,
eisers,
eisers sub 1 tot en met 4 hierna samen te noemen ‘[eisers]’,
advocaat mr. I. de Roos te Amsterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën), te Den Haag,
hierna te noemen: ‘de Belastingdienst’,
gedaagde,
advocaat mr. C.C.L. Rutten-Stichter te Den Haag.
1. Samenvatting
De voorheen in Nederland gevestigde onderneming [eisers sub 1] heeft een technisch platform waarop zogenoemde performers hun erotische webcamdiensten aan kunnen bieden aan gebruikers van het platform. [eisers sub 1] heeft lange tijd een geschil met de Belastingdienst gehad in verband met de omzetbelasting. De Belastingdienst heeft over 2013 en 2014 naheffingsaanslagen van ruim 8 miljoen euro opgelegd, omdat de Belastingdienst van mening was dat [eisers sub 1] diensten verleende aan de gebruikers. Volgens [eisers sub 1] was dit standpunt onjuist en verleende zij hosting- en betaaldiensten aan de performers. De belastingrechter heeft [eisers sub 1] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk gesteld en de naheffingsaanslagen vernietigd.
[eisers sub 1] vordert in deze procedure schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Belastingdienst. Zij meent dat de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslagen is uitgegaan van een verdraaide lezing van haar businessmodel en dat de aanslagen evident veel te hoog waren, óók uitgaande van de onjuiste lezing van de Belastingdienst. De meeste gebruikers (die volgens de Belastingdienst de afnemers van de diensten waren) bevonden zich namelijk buiten Nederland; [eisers sub 1] stelt dat zij dit gedetailleerd had onderbouwd en aangetoond, maar dat de Belastingdienst die informatie heeft genegeerd. De Belastingdienst is volgens [eisers sub 1] dus ten onrechte het fiscaalrechtelijk vermoeden van artikel 37e van de Wet op de omzetbelasting 1968 blijven hanteren (plaats van dienst van alle performers is Nederland) om de volledige omzet van de performers aan te slaan.
[eisers sub 1] vordert vergoeding van advies- en overlegkosten van vóór de bezwaarfase. Ook vordert [eisers sub 1] vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken omdat zij de onderneming naar [land 1] heeft moeten verplaatsen. Volgens [eisers sub 1] was dit noodzakelijk omdat het door de Belastingdienst gehanteerde standpunt tot gevolg had dat haar businessmodel niet meer rendabel was. Hierdoor hebben ook de bestuurders/aandeelhouders van [eisers sub 1] met hun jongste zoon uit Nederland moeten verhuizen. Zij vorderen vergoeding van de verhuiskosten naar [plaats] en een immateriële schadevergoeding van circa € 300.000 tot € 400.000 per persoon.
De rechtbank verklaart [eisers sub 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen, omdat uit de bestuursrechtelijke procedure blijkt dat [eisers sub 1] daar al om schadevergoeding heeft verzocht. De vorderingen van de bestuurders/aandeelhouders worden afgewezen, omdat geen sprake is van een onrechtmatige daad jegens hen. Het is de eigen zakelijke en strategische keuze van [eisers sub 1] en de bestuurders geweest om de onderneming gelijk na het opleggen van de aanslagen te verplaatsen. Voor de immateriële schade geldt bovendien dat niet is onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank veroordeelt [eisers] in de proceskosten van de Belastingdienst.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:
- de dagvaarding van 6 februari 2026, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;
- het vonnis van 20 mei 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
Op 24 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken en naar voren gebracht. De aantekeningen zijn toegevoegd aan het griffiedossier.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Gelet op wat er in de processtukken staat en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[eisers sub 2] en [eisers sub 3] houden samen via twee houdstermaatschappijen alle aandelen in hun onderneming [eisers sub 1] en zijn ook bestuurders van deze vennootschap. [eisers sub 4] is de zoon van [eisers sub 2] en [eisers sub 3].
Het geschil in deze zaak ziet op de activiteiten die [eisers sub 1] in de jaren 2013 en 2014 heeft verricht. Die activiteiten komen op het volgende neer. [eisers sub 1] exploiteert een technisch platform waarmee zogenoemde performers hun erotische webcamdiensten (in juridische taal: vermakelijkheidsdiensten) aan kunnen bieden. Performers die via de websites van [eisers sub 1] hun webcamdiensten wilden aanbieden, sloten daartoe een overeenkomst met [eisers sub 1] op basis waarvan [eisers sub 1] tegen betaling van commissie hosting- en marketingdiensten verleende aan de performers. De performers konden daarnaast, tegen betaling van commissie, gebruik maken van betaaldiensten van [eisers sub 1]. De performers verrichtten hun werkzaamheden vanuit hun vestigingsplaats, in Nederland of in andere landen binnen of buiten de Europese Unie.
De webcamdiensten werden afgenomen door particuliere eindgebruikers (‘de gebruikers’). Om gebruik te kunnen maken van de websites, moesten de gebruikers zich registreren en akkoord gaan met de algemene voorwaarden van [eisers sub 1]. De gebruikers konden geld storten in een e-wallet; zij verkregen dan een virtueel tegoed. Met het virtueel tegoed in de e-wallet konden zij vervolgens gebruik maken van en betalen voor de webcamdiensten. Door middel van een internetapplicatie werd het verbruik van de tegoeden geadministreerd. Hiertoe beschikten de performers ook over een e-wallet. De e-wallets werden beheerd door [eisers sub 1]. [eisers sub 1] betaalde op regelmatige basis bedragen uit aan de performers onder inhouding van de commissie voor de door [eisers sub 1] verleende hosting-, marketing-, en betaaldiensten. De performers bepaalden zelf de tarieven voor de door hen aangeboden webcamdiensten.
[eisers sub 2] en [eisers sub 3] zijn in 2011 met hun onderneming vanuit [land 2] naar Nederland verhuisd. [eisers sub 1] heeft bij brief van 28 juli 2011 aan de Belastingdienst verzocht om een standpuntbepaling met betrekking tot de door [eisers sub 1] verrichte diensten.
Bij brief van 16 augustus 2011 heeft de Belastingdienst aan [eisers sub 1] medegedeeld dat de Belastingdienst in afwachting van een lopende beroepsprocedure bij het Gerechtshof te Amsterdam het standpunt innam dat sprake was van elektronische diensten.
Bij brief van 9 oktober 2012 heeft [eisers sub 1] nogmaals verzocht om een standpuntbepaling.
[eisers sub 1] heeft op 12 november 2012 met de Belastingdienst (Rotterdam, kantoor Rijnmond) een vaststellingsovereenkomst APA (advance pricing agreement) gesloten met betrekking tot de vennootschapsbelasting (‘de APA’).
Bij brief van 11 december 2012 heeft de inspecteur, op basis van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7937), het standpunt ingenomen dat [eisers sub 1] vermakelijkheidsdiensten aanbiedt en dat de diensten daarom worden verricht waar de activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden, te weten daar waar de bezoekers van de websites (de gebruikers) zich bevinden.
Over het standpunt van de inspecteur is tussen partijen uitgebreid gecommuniceerd en gecorrespondeerd.
Bij brief van 23 juni 2025 heeft de Belastingdienst aangekondigd naheffingsopslagen op te gaan leggen met betrekking tot de jaren 2013 en 2014, waarbij aan [eisers sub 1] is verzocht om informatie aan te leveren over de omzet. [eisers sub 1] heeft hierna een USB-stick verstrekt met daarop de bedragen die de gebruikers in hun e-wallet hadden gestort om in 2013 en in 2014 diensten van de performers te kopen. Bij brieven van 2 en 29 september 2015 heeft de Belastingdienst onder dreiging van renseignering geëist dat [eisers sub 1] informatie zou verstrekken in welke landen de omzet zou zijn behaald. Hierbij heeft de Belastingdienst ook gewezen op (toepassing van) de fictie van artikel 37e van de Wet op de omzetbelasting 1968 (‘Wet OB 1968’). In artikel 37e staat dat de Nederlandse ondernemer wordt geacht om zijn leveringen en diensten in Nederland te verrichten indien hij niet op basis van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers het tegendeel aantoont. Vervolgens heeft [eisers sub 1] een tweede USB-stick verstrekt, waarop onder meer een map stond met alle transacties van de performers, uitgesplitst per performer en de tijdstippen waarop de performer een vermakelijkheidsdienst aan de gebruiker verrichte. Ook was voor elke performer aangegeven in welk land deze was gevestigd.
Met dagtekening 30 november 2015 heeft de Belastingdienst aan [eisers sub 1] naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2013 en 2014, resulterend in een te betalen bedrag aan omzetbelasting van respectievelijk € 4.296.634 over het jaar 2013 en € 3.994.186 over het jaar 2014, vermeerderd met belastingrente (‘de naheffingsaanslagen’). De Belastingdienst heeft de aanslagen opgelegd onder toepassing van artikel 37e Wet OB 1968, omdat volgens de Belastingdienst uit de door [eisers sub 1] overlegde informatie niet gedestilleerd zou kunnen worden welke bedragen aan vermakelijkheidsomzet in welk land zijn behaald. Hieruit volgde, aldus de Belastingdienst, dat [eisers sub 1] op basis van artikel 37e geacht moet worden haar diensten in Nederland te hebben verricht. De Belastingdienst heeft de naheffingsaanslagen opgelegd op basis van alle omzet, behaald door alle performers, behaald met de verkoop van de vermakelijkheidsdiensten aan hun gebruikers in alle landen.
[eisers sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
[eisers sub 1] heeft hierna beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6301) het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar en de naheffingsaanslagen vernietigd. De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:
“Geschil
11. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder de diensten van eiseres terecht heeft aangemerkt als vermakelijkheidsdiensten en wat de plaats van de diensten van eiseres is. Tussen partijen is verder in geschil of het vertrouwensbeginsel aan naheffing in de weg staat en of eiseres recht heeft op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.
(…)
Beoordeling van het geschil
14. Tot de stukken van het geding behoren contracten tussen eiseres en de performers op basis waarvan de performers via de websites van eiseres hun webcamdiensten mogen aanbieden en gebruik kunnen maken van de betaaldiensten van eiseres. Voor het gelegenheid geven tot het aanbieden van de webcamdiensten zijn de performers een commissie verschuldigd aan eiseres. Ook voor de betaaldiensten zijn de performers een (afzonderlijke) commissie verschuldigd aan eiseres. Hieruit volgt dat er een rechtsbetrekking tussen eiseres en de performers bestaat, op grond waarvan eiseres diensten verricht ten behoeve van de performers en niet, zoals verweerder stelt, één op grond waarvan de performers diensten verrichten ten behoeve van eiseres. Dit wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat gebruikers met de in de e-wallet opgebouwde tegoeden rechtstreeks aan de performers betalen voor de overeengekomen diensten.
(…)
17. Vaststaat, althans tussen partijen is niet geschil, dat de performers ondernemers zijn in de zin van artikel 7 van de Wet. Dan is de plaats van de door eiseres aan de performers verrichte diensten op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet, daar waar de performer woont of is gevestigd. De bewijslast dienaangaande rust op eiseres. Immers, ingevolge het bepaalde in artikel 37e van de Wet wordt de ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd, geacht zijn leveringen en diensten in Nederland te verrichten, voor zover hij niet aan de hand van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers het tegendeel aantoont.
18. Het bepaalde in voormeld artikel 37e van de Wet brengt mee dat eiseres aannemelijk dient te maken welke performers niet in Nederland wonen of gevestigd zijn (HR 20 februari 2004, nr. 39 136, BNB 2004/169). Eiseres heeft in dat kader aangevoerd dat op één van de door haar aan verweerder overgelegde usb-sticks een map staat met daarin alle transacties van de performers in de onderhavige jaren. Per performer wordt daarbij aangegeven in welk land deze zich bevindt. Verweerder heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee voldoende aannemelijk gemaakt welke van haar diensten niet in Nederland zijn verricht. De naheffingsaanslagen kunnen daarom niet in stand blijven. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over het vertrouwensbeginsel behoeft in zoverre geen bespreking meer.
(…)
Proceskosten
20. Eiseres heeft in bezwaar en beroep verzocht om een integrale vergoeding van proceskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Besluit bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.
21. Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).
22. Naar het oordeel van de rechtbank treft verweerder, anders dan eiseres stelt, in het onderhavige geval niet één van de hiervoor onder punt 21. vermelde verwijten. Verweerder kan niet worden tegengeworpen dat hij dient te renseigneren. Weliswaar valt op de wijze waarop verweerder om de informatie heeft verzocht het nodige aan te merken, maar van détournement de pouvoir en handelen in strijd met het fair playbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Evenmin kan worden geoordeeld dat verweerder de naheffingsaanslagen tegen beter weten in heeft gehandhaafd, omdat op zichzelf het standpunt dat de diensten van eiseres zijn aan te merken als vermakelijkheidsdiensten pleitbaar is. De ruling waarnaar eiseres verwijst in het kader van haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft geen betrekking op de omzetbelasting en verweerder was dan ook niet gehouden hetgeen daarin is vermeld te volgen. Ook die ruling leidt dan ook niet tot de conclusie dat verweerder tegen beter weten in heeft gehandeld. Van een toezegging om voor de onderhavige jaren geen naheffingsaanslagen op te leggen, is niet gebleken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.
23. De rechtbank stelt de proceskosten daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).”
De Belastingdienst heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, dat de zaak vervolgens heeft verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (‘het hof’).
Bij brief van 19 september 2017 heeft [eisers sub 1] de Belastingdienst op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld wegens het handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door de Belastingdienst, zowel ter zake van het traject voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen als het opleggen van de naheffingsaanslagen zelf.
Het hof heeft het door de Belastingdienst ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 22 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1264) ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:
“(…)
3. Geschil en conclusies van partijen
In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
I. Dienen de naheffingsaanslagen vernietigd te worden wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, het verbod op détournement de pouvoir, het beginsel van fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel?
(…)
III. Welke diensten verleent belanghebbende en aan wie en wat is de plaats van dienst?
(…)
V. Dienen de werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten ad in totaal € 1.508.107,27 (inclusief € 758.065 de kosten (van advocaten) van overleg vóór bezwaar en inclusief € 243.373,50 reorganisatiekosten) te worden vergoed?
VI. Indien vraag V ontkennend moet worden beantwoord: Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding ter grootte van € 758.065, zijnde de kosten (van advocaten) van overleg vóór bezwaar?
(…)
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Vraag I
(…)
Het beroep van belanghebbende op het verbod op détournement de pouvoir betreft de omstandigheid dat de inspecteur zich beroept op artikel 37e van de Wet OB 1968 en dat de naheffingsaanslagen tot in totaal een bedrag van € 8,4 miljoen zijn opgelegd, terwijl dit - ook indien het standpunt van de inspecteur juist zou zijn - veel te hoog zou zijn.
De omstandigheid, dat de inspecteur zich beroept op (de toepassing van een bewijsregel in) een wetsartikel levert geen détournement de pouvoir op. Over de uitleg die belanghebbende geeft met betrekking tot de vraag wanneer dat wetsartikel kan worden toegepast kunnen meningen verschillen en daarmee is het beroep van de inspecteur op dat wetsartikel niet zo kennelijk onredelijk, dat hij in strijd heeft gehandeld met het verbod op détournement de pouvoir. De omstandigheid dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslagen de meest maximale positie heeft ingenomen lijkt (mede) te zijn ontstaan doordat de inspecteur digitaal aangeleverde informatie niet kon lezen. Mede gelet hierop is niet vast te komen staan dat de inspecteur met het opleggen van de naheffingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met het verbod op détournement de pouvoir.
Het hof begrijpt, dat het beroep op het beginsel van fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel niet een zelfstandige beroepsgrond betreft, maar dient ter onderbouwing van de stelling dat het verbod op détournement de pouvoir door de inspecteur is geschonden. Het beroep op het beginsel van fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft aldus geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van het oordeel omtrent de gestelde schending van het verbod op détournement de pouvoir. Voor zover het beroep op het beginsel van fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel is aangevoerd in het kader van het verzoek om vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten wordt verwezen naar de beantwoording van vraag V.
(…)
Vraag III
Partijen verschillen van mening wat de rechtsbetrekkingen zijn tussen de gebruikers, de performers (inclusief de studio’s; hierna alleen aangeduid met performers) en belanghebbende. Tevens verschillen de partijen van mening over de aard van de verrichte dienst, waardoor partijen ook van mening verschillen over de plaats waar de dienst wordt verricht.
(…)
Het hof is van oordeel, dat met hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd met betrekking tot de inhoud van de onder 2.4 opgenomen algemene voorwaarden en de onder 2.5 opgenomen hosting agreement hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gang van zaken anders is dan belanghebbende stelt en uit de algemene voorwaarden en hosting agreement blijkt. Belanghebbende faciliteert de totstandkoming van contact tussen de performer en de gebruiker en het sluiten van een overeenkomst tussen hen indien de gebruiker een door de performer verrichte erotische webcamsessie wil afnemen, evenals dat belanghebbende het bijbehorende betalingsverkeer faciliteert. Belanghebbende verricht een dienst aan de performer, mede omvattende ook, ten behoeve van de performer, het betalingsverkeer tussen de performer en de gebruiker. Het kenmerkende van de prestatie van belanghebbende aan de performer is, dat zij ten behoeve van de performer en de gebruiker het mogelijk maakt dat beiden deelnemen aan een erotische webcamsessie. De performer verricht een dienst (erotische webcamsessie) aan de gebruiker. Dat performer en gebruiker anoniem blijven voor elkaar doet hier niet aan af. Vorenstaand oordeel sluit ook aan op de fiscale beoordeling van [naam], wiens studio via belanghebbende (erotische) webcamsessies aanbiedt aan gebruikers. Zoals belanghebbende terecht heeft opgemerkt, zou het vreemd zijn als aan de gebruikers dezelfde (vermakelijksheids-)dienst van (erotische) webcamsessies zou worden verleend door (tegelijkertijd) zowel [naam] als belanghebbende.
De inspecteur heeft tegenover de betwisting door belanghebbende (ook) niet aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende overeenkomsten sluit op eigen naam, maar op order en voor rekening van de performer. Uit de algemene voorwaarden, in samenhang gelezen met de hosting agreement, volgt dat de gebruiker een overeenkomst aangaat met de performer en dat belanghebbende daarbij niet op eigen naam een overeenkomst voor (erotische) webcamsessies sluit met de gebruiker.
(…)
Uit het vorenstaande volgt, dat met betrekking tot belanghebbende sprake is van diensten als bedoeld in artikel 6, lid 1 van de Wet OB 1968. De plaats van dienst is dan de woonplaats van de performer. De daaraan door de inspecteur verbonden cijfermatige conclusies zijn door belanghebbende in haar stuk van 24 januari 2020 betwist. Tegenover deze betwisting heeft de inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat zijn cijfermatige conclusies juist zijn. De naheffingsaanslagen 2013 en 2014 moeten worden vernietigd.
(…)
Vraag V
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht die tot vergoeding van zijn werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten moeten leiden. De kosten (van advocaten) van overleg vóór bezwaar ad € 758.065 en € 234.373,50 aan reorganisatiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat door de inspecteur is betwist dat dit kosten van bezwaar of proceskosten zouden zijn. Deze kosten zijn geen kosten van bezwaar of proceskosten. Voor het overige acht het hof bijzondere omstandigheden niet aanwezig. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering.
Vraag V moet ontkennend worden beantwoord. Voor de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten van bezwaar en de proceskosten verwijst het hof naar 4.31.
Vraag VI
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade met betrekking tot de kosten van overleg vóór bezwaar ad € 758.065. De inspecteur heeft zich niet akkoord verklaard met de vergoeding van schade.
Het hof is van oordeel dat het eerst op de nadere zitting gedane mondelinge verzoek tot vergoeding van schade tegenover de betwisting door de inspecteur niet gemotiveerd is onderbouwd en (om die reden) moet worden afgewezen.
Vraag VI moet ontkennend worden beantwoord.
(…)
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is.
(kennelijke schrijffout hof, bedoeld is: 4.32, rechtbank) Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten) 10 x € 534 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.602.”
4. Het geschil
[eisers] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de Belastingdienst veroordeelt tot:
A. vergoeding van de schade geleden als gevolg van de onrechtmatige daad jegens [eisers], bestaande uit het ten onrechte opleggen van de naheffingsaanslagen, te weten:
1. aan [eisers sub 1] een totaalbedrag van € 1.158.547,18 aan schade, bestaande uit de adviseurskosten in het voortraject ter hoogte van € 758.065,18 en de kosten van reorganisatie ter hoogte van € 400.482;
2. aan [eisers sub 2] en [eisers sub 3] een totaalbedrag van € 158.180 aan schade bestaande uit verhuiskosten van Nederland naar [plaats], tijdelijke huurkosten van een woning in [plaats] en kosten voor tijdelijke opslag van meubels;
B. vergoeding van de immateriële schade ex artikel 6:106, lid 1, sub b van het Burgerlijk Wetboek, (‘BW’) als gevolg van de onrechtmatige daad van de Belastingdienst jegens [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4], bestaande het schenden door de Belastingdienst van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (‘het Vierde Protocol’), de aantasting van hun persoon tot gevolg hebbend:
3. aan [eisers sub 2] een totaal bedrag van € 408.000;
4. aan [eisers sub 3] een totaal bedrag van € 311.000;
5. aan [eisers sub 4] een totaal bedrag van € 300.000;
subsidiair:
C. voor recht verklaart dat de Belastingdienst een onrechtmatige daad heeft begaan door de naheffingsaanslagen op te leggen, bestaande uit (1) het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel negeren door de Belastingdienst van de feiten (het daadwerkelijke business model van [eisers sub 1]) en het aldus opleggen van de naheffingsopslagen twee van ieder 4 miljoen euro op basis van een business model dat niet overeenkwam met de werkelijkheid en/of (2) het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel negeren van de zijdens [eisers sub 1] verstrekte informatie dat zelfs indien de belastingdienst een verdedigbaar standpunt zou hebben gehad er geen aanslagen van 8 miljoen euro opgelegd hadden kunnen worden maar dat er een bedrag aan btw van € 340.769 teruggegeven had moeten worden;
(primair en subsidiair) met veroordeling van de Belastingdienst in de proceskosten.
[eisers] vorderen schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [eisers] voeren hiertoe het volgende aan.
De Belastingdienst heeft onrechtmatig gehandeld door bij het opleggen en in stand houden van de naheffingsaanslagen niet uit te gaan van het daadwerkelijk door [eisers sub 1] gehanteerde businessmodel, maar van een door de Belastingdienst verdraaid businessmodel. De Belastingdienst heeft het standpunt betrokken dat [eisers sub 1] een vermakelijkheidsdienst verricht aan de gebruikers, hierbij gebruik makend van de daadwerkelijke verrichtingen van de performers, terwijl de daadwerkelijke feitelijke situatie was dat [eisers sub 1] een technisch platform exploiteert waarop de performers hun vermakelijkheidsdiensten kunnen aanbieden en verkopen aan hun gebruikers; die feitelijke situatie blijkt ook zonneklaar uit de APA. Het standpunt dat de Belastingdienst heeft ingenomen was op geen enkele manier pleitbaar, daar waar zij de aanslagen heeft opgelegd op een verdraaide werkelijkheid en niet op de vaststaande feiten. Hiermee heeft de Belastingdienst in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Daarnaast heeft de Belastingdienst volgens [eisers] onrechtmatig gehandeld door aanslagen op te leggen waarvan zij wist dat deze geen stand konden houden, zelfs als het standpunt van de Belastingdienst (dat [eisers sub 1] de verlener van de vermakelijkheidsdiensten was) wel pleitbaar zou zijn geweest. Immers, volgens de eigen stellingen van de Belastingdienst was de plaats van dienst van [eisers sub 1] aan de gebruiker, daar waar de gebruiker zich bevond op het moment dat hij de dienst afnam. De gebruikers bevonden zich overwegend buiten Nederland. [eisers sub 1] had met de tweede USB-stick gegevens aangeleverd waaruit zonneklaar bleek welk bedrag van de totale omzet in Nederland was gerealiseerd, zowel uitgaande van het land van de gebruikers als uitgaande van het land van de performer. Met de USB-sticks was aangetoond dat het merendeel van de omzet (zowel voor 2013 als voor 2014 een bedrag van ruim 25 miljoen euro) buiten Nederland was behaald. Uit de verstrekte gegevens bleek duidelijk dat zelfs als [eisers sub 1] vermakelijkheidsdiensten zou hebben verricht met als gehanteerde plaats van dienst de Nederlandse gebruiker (wat het standpunt van de Belastingdienst was), [eisers sub 1] dan ruim € 340.000 te veel aan btw over 2013 en 2014 had aangegeven en voldaan. De Belastingdienst had dus nooit tot het opleggen van aanslagen voor 8 miljoen euro kunnen komen. De Belastingdienst heeft hiermee gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook is sprake van strijd met het verbod op détournement de pouvoir en strijd met het beginsel van fair play. Met de verstrekte informatie had [eisers sub 1] ruimschoots voldaan aan het vereiste in artikel 37e Wet OB 1968 dat de ondernemer moet aantonen dat de omzet niet in Nederland is behaald. Een verdere uitsplitsing van omzet per land, voegde voor de toepassing van artikel 37e niets toe. De Belastingdienst heeft artikel 37e misbruikt door dit artikel toe te passen (en aanslagen over de gehele omzet op te leggen), met het argument zij niet per land kon constateren waar de ‘niet-Nederlandse omzet’ was behaald.
De adviseurskosten in het voortraject (de periode voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen) ter hoogte van € 758.065,18 zijn het directe gevolg van de onder 4.2.1 en 4.2.2 omschreven door de Belastingdienst gepleegde onrechtmatige daad en vormen schade van [eisers sub 1] die is toe te rekenen aan de Belastingdienst.
Daarnaast heeft het innemen van het standpunt van de Belastingdienst dat [eisers sub 1] omzetbelastingplichtig was over de omzet van de performers ertoe geleid dat [eisers sub 1] werd geconfronteerd met een businessmodel dat niet rendabel was, omdat belasting moest worden betaald over omzet die niet aan [eisers sub 1] toekwam. Niet alleen waren de naheffingsaanslagen over 2013 en 2014 grote verliesposten, maar er was het reële risico dat de Belastingdienst ook voor 2015 en de volgende jaren een vergelijkbare torenhoge aanslag zou opleggen. Volgens [eisers] restte dan ook geen andere keuze dan de exploitatie van het platform inclusief de betaaldienstverlening uit Nederland weg te halen. [eisers sub 1] heeft de onderneming (de exploitatie van het platform) aan een zustervennootschap op [land 1] overgedragen en hierna een betaaldienstverlening via een Maltese vennootschap moeten opzetten, omdat banken en betaaldienstverleners geen zaken wilden doen met een vennootschap op [land 1]. De kosten van deze reorganisatie van de onderneming (in totaal € 402.482) zijn eveneens het directe gevolg van de onrechtmatige daad van de Belastingdienst.
Doordat het platform als gevolg van de onrechtmatige daad noodgedwongen naar [land 1] moest verhuizen, konden ook de bestuurders ([eisers sub 2] en [eisers sub 3]) niet meer in Nederland woonachtig zijn, omdat de exploitatie van het platform fiscaal dan nog steeds geacht zou worden vanuit Nederland plaats te vinden. De directie is daarom op 28 juli 2016 met hun zoon [eisers sub 4] naar [plaats] verhuisd. De verhuiskosten zijn eveneens schade die is toe te rekenen aan de onrechtmatige daad van de Belastingdienst.
Volgens eisers heeft de Belastingdienst hiermee aan [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] het recht ontnomen om vrijelijk hun woonplaats in Nederland te kiezen. Dit vormt een schending van artikel 2 van het Vierde Protocol. [eisers sub 2]. Eisers stellen dat deze schending heeft geleid tot een ernstige aantasting in de personen van de directie en hun jongste zoon, vanwege het plotsklaps wegvallen van het leven dat ieder van hen in Nederland hadden opgebouwd. Zij menen op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW recht te hebben op immateriële schadevergoeding: € 408.000 voor [eisers sub 2], € 310.00 voor [eisers sub 3] en € 300.000 voor [eisers sub 4].
Aldus, telkens samengevat, wat [eisers] ter onderbouwing van de vorderingen heeft aangevoerd.
De Belastingdienst voert verweer tegen de vorderingen. De Belastingdienst concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien nodig, verder ingegaan.
5. De beoordeling
Kosten voortraject en reorganisatiekosten [eisers sub 1], niet-ontvankelijkheid [eisers sub 1]
[eisers sub 1] vordert vergoeding van de door haar geleden schade, die is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van de Belastingdienst bij het opleggen van de naheffingsaanslagen.
[eisers sub 1] vordert onder meer vergoeding van adviseurskosten in het voortraject (€ 758.065,18) en reorganisatiekosten (€ 402.482).
De rechtbank oordeelt dat [eisers sub 1] niet-ontvankelijk is in deze vorderingen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
De vordering ziet op onrechtmatig handelen van een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit. De burgerlijke rechter is op grond van artikel 112 van de Grondwet bevoegd kennis te nemen van de vordering, omdat deze op een civielrechtelijke onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) is gebaseerd. Uitgangspunt is evenwel dat de burgerlijke rechter de eisende partij niet-ontvankelijk moet verklaren in een vordering tot schadevergoeding, indien – kort gezegd – ten aanzien daarvan al een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter heeft opengestaan.
Met ingang van 1 juli 2013 zijn in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nadere regels gesteld met betrekking tot de vraag in welke gevallen een vordering tot schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit bij de bestuursrechter moet of kan worden ingediend. Echter, op grond van het overgangsrecht is titel 8.4 niet van toepassing, omdat het gaat om schade die is veroorzaakt door een besluit of handelen van de Belastingdienst met betrekking tot de omzetbelasting. Op dit geschil is het ‘oude’ artikel 8:73 Awb nog steeds van toepassing.
Op grond van artikel 8:73 Awb kan de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, op verzoek van een partij het bestuursorgaan, indien daartoe gronden zijn, veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt. Het verzoek kan in elke stand van het bestuursrechtelijke geding worden gedaan. De regeling van artikel 8:73 Awb is niet exclusief bedoeld en laat op zichzelf de mogelijkheid open voor een partij om zich voor de schadevergoeding tot de burgerlijke rechter te wenden. Maar: als een partij eenmaal op grond van artikel 8:73 Awb bij de bestuursrechter een verzoek tot schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit heeft ingediend en de bestuursrechter ten gronde op dat verzoek heeft beslist, dan is de weg naar de burgerlijke rechter afgesloten. Als die partij later op dezelfde grondslag een verzoek tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter indient, moet deze die partij niet-ontvankelijk verklaren.
Die laatste situatie doet zich hier voor. Uit het arrest van het hof van 22 april 2021 volgt dat [eisers sub 1] al in de fiscale procedure bij het hof om vergoeding van de kosten van het voortraject en de reorganisatiekosten heeft verzocht, primair als onderdeel van een integrale vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep, op basis van artikel 8:75 Awb. Het hof heeft geoordeeld dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat dit geen kosten van bezwaar of proceskosten zijn. Uit het arrest blijkt ook dat [eisers sub 1] het hof voor dat geval heeft verzocht om de kosten van overleg vóór bezwaar dan bij wege van schadevergoeding te vergoeden (zie de formulering van de geschilpunten, r.o. 3.1, vraag VI en r.o. 4.26 e.v. van het arrest). Uit het arrest blijkt ook dat het hof dit verzoek tot schadevergoeding inhoudelijk heeft beoordeeld en verworpen. Immers, het hof heeft het verzoek afgewezen omdat dit onvoldoende was gemotiveerd en onderbouwd.
[eisers sub 1] heeft de belastingrechter dus al om schadevergoeding verzocht, op de voet van artikel 8:73 Awb. Uit het arrest van het hof blijkt ook dat dit schadevergoedingsverzoek betrekking had op dezelfde onrechtmatige naheffingsaanslagen en dezelfde gedragingen die [eisers sub 1] in dit geding aanvoert als basis voor de schadevergoeding. [eisers sub 1] kan in deze civiele procedure niet nogmaals een vordering tot vergoeding van diezelfde schade instellen. De rechtbank zal [eisers sub 1] in deze vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
[eisers sub 1] heeft ter zitting nog aangevoerd dat het schadevergoedingsverzoek destijds pas te elfder ure op de laatste zitting bij het hof was ingediend, dat daar vervolgens – nadat het hof aan de Belastingdienst vroeg of zij dit een redelijk bedrag vond en de Belastingdienst daarop ontkennend antwoordde – niet meer over is gedebatteerd, en dat het hof het verzoek in één zin heeft verworpen met het argument dat dit onvoldoende was gemotiveerd. Voor zover [eisers sub 1] hiermee wil betogen dat zij in dit geval niet geacht kan worden de weg van artikel 8:73 Awb te hebben bewandeld, gaat de rechtbank hier niet in mee. [eisers sub 1] heeft de schadevordering in de bestuursrechtelijke procedure ingediend; de manier waarop zij dit heeft gedaan (in haar eigen woorden: ‘te elfder ure’) is een proceskeuze die in haar risicosfeer ligt.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als met [eisers sub 1] zou worden aangenomen dat er in dit geval nog ruimte voor de burgerlijke rechter zou bestaan om haar vordering tot schadevergoeding te beoordelen, dit tot een afwijzing van die vordering zou moeten leiden. Een deel van de gevorderde schade (de kosten van het voortraject) betreft kosten die zijn gemaakt vóór het onrechtmatige besluit. Dat de naheffingsaanslagen zijn vernietigd, betekent echter nog niet dat ook het gehele handelen van de Belastingdienst – inclusief het voortraject voorafgaand aan de aanslagen – onrechtmatig is. De rechtbank sluit aan bij wat de belastingrechter hierover in de fiscale procedure heeft geoordeeld. Uit de fiscale uitspraken volgt dat zowel de rechtbank als het hof van oordeel waren dat over de toepassing van de Belastingdienst van de bewijsregel van artikel 37e Wet OB kan worden gediscussieerd, maar dat het daarop gedane beroep van de Belastingdienst niet zo onredelijk is, dat zij in strijd heeft gehandeld met het verbod op détournement de pouvoir of het beginsel van fair play, of het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Daarnaast volgt, anders dan [eisers sub 1] stelt, uit de fiscale uitspraken niet dat de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslagen het feitelijke businessmodel van [eisers sub 1] heeft verdraaid. [eisers sub 1] en de Belastingdienst hadden een juridisch geschil over de uitleg en de juridische kwalificatie van de onderlinge rechtsbetrekkingen tussen [eisers sub 1], de performers en de gebruikers, namelijk of [eisers sub 1] vermakelijkheidsdiensten verleende aan de gebruikers (standpunt Belastingdienst) of dat [eisers sub 1] hosting- en betaaldiensten verleende aan de performers (standpunt [eisers sub 1]). De rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 mei 2017 (r.o. 22) geoordeeld dat het door de Belastingdienst ingenomen standpunt dat de diensten van [eisers sub 1] waren aan te merken als vermakelijkheidsdiensten, op zichzelf pleitbaar is. Daarbij is ook geoordeeld dat de Belastingdienst niet gehouden was om de APA-ruling te volgen, omdat die APA geen betrekking heeft op de omzetbelasting. Uit het arrest van het hof kan niet anders worden opgemaakt dan dat het hof dit oordeel van de rechtbank deelde, want ook het hof vond – evenals de rechtbank – dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden waren die aanleiding zouden kunnen geven tot een integrale vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep. In die periode heeft de Hoge Raad hierover ook prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie, wat betekent dat de Hoge Raad vond dat het geen acte clair of acte éclairé betrof.
Uit het voorgaande volgt dat de belastingrechter de verwijten die [eisers sub 1] in deze procedure aan de Belastingdienst maakt, al heeft beoordeeld en verworpen. Er was geen sprake van een situatie waarin de Belastingdienst een beschikking heeft genomen die duidelijk in rechte geen stand zou houden (‘tegen beter weten in procederen’) en evenmin treft de Belastingdienst het verwijt dat zij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of misbruik van haar bevoegdheden heeft gemaakt. De Belastingdienst is dan ook niet op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de kosten die [eisers sub 1] in het voortraject heeft gemaakt. Die kosten dienen voor eigen rekening van [eisers sub 1] te blijven.
Hetzelfde geldt voor de gevorderde reorganisatiekosten. Ten eerste zijn de in productie 23 opgesomde reorganisatiekosten helemaal niet toegelicht of onderbouwd. Daarnaast heeft [eisers sub 1] onvoldoende onderbouwd dat zij door de aanslagen geen andere keuze had dan haar activiteiten na het opleggen van de aanslagen onmiddellijk naar [land 1] te verplaatsen. Niet valt in te zien waarom [eisers sub 1] niet de uitspraak van de belastingrechter had kunnen afwachten, aangezien [eisers sub 1] vond dat de naheffingsaanslagen onterecht waren en geen stand konden houden – de rechtbank heeft haar hierin op 24 mei 2017 gelijk gegeven. De kosten van de reorganisatie en verplaatsing van de onderneming kunnen daarom niet worden aangemerkt als schade die het gevolg is van het onrechtmatige besluit van de Belastingdienst. Omdat de kosten het gevolg zijn van de eigen bedrijfsmatige en strategische keuzes van [eisers sub 1], blijven zij ook voor haar rekening.
Verklaring voor recht (subsidiaire vordering)
[eisers sub 1] dient ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de subsidiair gevorderde verklaring voor recht. Het enige gestelde of gebleken belang bij deze verklaring voor recht is het instellen van een vordering tot schadevergoeding, maar [eisers sub 1] heeft al via de weg van artikel 8:73 Awb bij de belastingrechter om schade verzocht. Bovendien is de gevorderde schade niet voor toewijzing vatbaar, zodat [eisers sub 1] geen voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht (artikelen 3:302 en 3:303 BW). Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij de gevorderde verklaring voor recht gelet op het hiervoor onder 5.8 en 5.10 overwogene ook zou afwijzen.
Schade [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] (verhuiskosten en immateriële schade)
Ook de schadevergoedingsvorderingen van de bestuurders/aandeelhouders van [eisers sub 1] ([eisers sub 2] en [eisers sub 3]) en hun zoon zijn niet voor toewijzing vatbaar. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan de vennootschap ([eisers sub 1]). Uitgangspunt is dat alleen [eisers sub 1] heeft het recht om vergoeding te vorderen van de schade die door het onrechtmatige besluit aan haar is toegebracht. Indien de directeur-aandeelhouders van [eisers sub 1] schadevergoeding willen hebben, moeten zij stellen dat de Belastingdienst in dit geval ook een specifieke jegens hen in privé in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.
Dit laatste is hier niet gesteld of gebleken. [eisers sub 2] en [eisers sub 3] stellen dat de Belastingdienst met het opleggen van de naheffingsaanslagen hun door artikel 2 van het Vierde Protocol beschermde recht op vrijheid van keuze van verblijfsplaats heeft geschonden. Dat is niet zo. Dat [eisers sub 1] naar aanleiding van het geschil met de Belastingdienst heeft besloten de onderneming naar [land 1] te verplaatsen, is het gevolg van eigen bedrijfsmatige en strategische keuzes van de onderneming en komt niet voor rekening van de Belastingdienst (zie r.o. 5.10). Dat ook het bestuur van [eisers sub 1] vanuit Nederland naar een ander land is verhuisd om te voorkomen dat de Belastingdienst in de toekomst nog steeds zou oordelen dat het platform vanuit Nederland werd geëxploiteerd, berust eveneens op eigen bedrijfsmatige en (fiscaal-)strategische keuzes van [eisers sub 2] en [eisers sub 3]. Van een schending van het recht op bewegingsvrijheid en vrije keuze van verblijfplaats – of anderszins van een onrechtmatig handelen van de Belastingdienst jegens [eisers sub 2] en [eisers sub 3] in privé – is geen sprake.
De door [eisers sub 2] en [eisers sub 3] gevorderde vergoeding voor verhuiskosten naar [plaats] en aanverwante huur- en opslagkosten dient dan ook te worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen van de Belastingdienst jegens [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] (zie hiervoor). Daarnaast is niet voldaan aan de strenge maatstaf die de wet in artikel 6:106 BW stelt voor aanspraken op immateriële schadevergoeding. De rechtbank begrijpt dat [eisers sub 2] en [eisers sub 3] door het geschil met de Belastingdienst gedurende lange tijd gevoelens van stress, frustratie en onzekerheid hebben ervaren, maar daarmee is nog geen sprake van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een aantasting van hun persoon. [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] hebben ook anderszins niet met concrete gegevens onderbouwd dat en waarom in dit geval sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, in overeenstemming met de (strenge) eisen die de rechtspraak daaraan stelt.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat [eisers sub 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen en dat alle vorderingen van de overige eisers worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eisers] veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van de Belastingdienst worden begroot op € 16.513 (€ 7.062 aan griffierecht en € 9.262 (2,0 punten x tarief VIII van € 4.631) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten), plus de kosten bij betekening zoals hierna vermeld. De door de Belastingdienst gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen, omdat over proceskosten geen handelsrente is verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
6. De beslissing
De rechtbank
verklaart [eisers sub 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
wijst de vorderingen van [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4] af;
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van de Belastingdienst van € 16.513, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na aanschrijving. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eisers] € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op
12 augustus 2026.
Type: 2431