RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708770 / KG ZA 26 /774
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. J. Th. Schravenmade te Maarssen,
tegen
de vereniging INTRUDER OWNERS CLUB (HOLLAND) te Gouda,
gedaagde,
advocaat: mr. D. van Wurmond te Amsterdam.
Partijen worden hierna ‘eiser’ en ‘de vereniging’ genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 juli 2026 met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 29;
- de akte overlegging producties van de vereniging met producties 30 tot en met 35;
- de akte overlegging producties van eiser met producties 12 tot en met 17.
Op 29 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnota’s. Van hetgeen aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
De vereniging heeft blijkens artikel 3 van haar statuten het behartigen van de belangen van, en het verstevigen van de contacten tussen, eigenaren en gebruikers van een motorrijwiel van het merk Suzuki, type ‘Intruder’, ten doel.
De vereniging organiseert twaalf toertochten per jaar, waarbij iedere provincie onder leiding van een provinciehoofd een toertocht organiseert. De functies van bestuurder en provinciehoofd worden vervuld door vrijwilligers. De vereniging heeft circa 450 leden.
In de statuten van de vereniging is verder – voor zover relevant – het volgende bepaald:
“(…)
Artikel 5
Einde van het lidmaatschap
a. Het lidmaatschap eindigt door:
1. opzegging door het lid;
2. opzegging door de vereniging;
3. royement;
4. overlijden van het lid.
(…)
c. Opzegging door de vereniging en royement geschiedt door het bestuur door middel van een brief met bericht van ontvangst en met opgave van redenen.
d. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen:
1. wanneer een lid heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten die de statuten voor het lidmaatschap stellen;
2. wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)”
Eiser is op 28 maart 2025 lid geworden van de vereniging.
Bij brief van 28 november 2025 heeft het bestuur van de vereniging het lidmaatschap van eiser per 1 januari 2026 beëindigd (hierna: ‘het bestreden besluit’). In deze brief is verder – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“(…)
Hierbij delen wij je mede dat jouw lidmaatschap per 1 januari 2026 door de IOCH wordt beëindigd. Dit besluit is genomen op grond van artikel 5d.2 in samenhang met artikel 5a.2 van de statuten.
Aan dit besluit ligt je gedrag richting een mede-clublid ten grondslag. Het bestuur ziet hierbij geen zicht op verbetering. Dit heeft gedurende langere tijd geleid tot een negatieve sfeer binnen de vereniging en heeft bij meerdere leden gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast heeft het bestuur advies ingewonnen bij de vertrouwenspersoon en dit advies opgevolgd. Op basis van het bovenstaande kan van de IOCH redelijkerwijs niet worden gevergd jouw lidmaatschap te laten voortduren.
(…)”
3. Het geschil
Eiser vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het bestreden besluit schorst;
II. de vereniging veroordeelt tot het per direct toelaten van eiser tot de accommodatie van de vereniging en haar activiteiten, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel, met een maximum van € 50.000;
III. de vereniging veroordeelt zich niet negatief over eiser uit te laten, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel, met een maximum van € 50.000;
IV. de vereniging veroordeelt in de (reële) proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vereniging voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de (reële) proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De voorzieningenrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen van eiser in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt daarbij dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
De voorzieningenrechter zal hierna achtereenvolgens bespreken of eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, of het besluit tot opzegging van zijn lidmaatschap moet worden geschorst, of de vereniging moet worden veroordeeld zich niet negatief over eiser uit te laten en wie de proceskosten moet betalen. Zij zal concluderen dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen.
Spoedeisend belang
Eiser stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat er verschillende verhalen rondgaan binnen de vereniging over de beëindiging van zijn lidmaatschap en eiser hierdoor reputatieschade leidt. Daarnaast wil eiser weer meedoen met verenigingsactiviteiten.
De vraag of een eisende partij in kort geding een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen moet beantwoord worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Indien daartegen echter onvoldoende voortvarend is opgetreden, kan dit een aanwijzing zijn dat het belang van de eisende partij kennelijk geen voorlopige maatregel vergt. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval.
De voorzieningenrechter overweegt dat het standpunt van eiser erop neerkomt dat zijn lidmaatschap niet rechtsgeldig is opgezegd en dat dus sprake is van een voortdurend onrechtmatig handelen door de vereniging door hem niet tot verenigingsactiviteiten toe te laten. Het spoedeisend belang van eiser is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven. Daaraan doet niet af dat het bestuur het besluit tot ontzegging van het lidmaatschap in november 2025 heeft genomen. Uit de overgelegde stukken volgt dat eiser sindsdien met de vereniging in contact is geweest over het besluit en de gevolgen daarvan, zodat hem niet kan worden verweten dat hij niet voortvarend heeft opgetreden.
Schorsing van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap
Aan zijn vordering tot schorsing van het bestreden besluit legt eiser – samengevat – ten grondslag dat het bestuur het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, hetgeen in strijd is met de statuten, ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, het besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft genomen en ten onrechte in strijd met het klachtreglement heeft gehandeld.
Motivatie van het besluit
In de conclusie van antwoord heeft de vereniging een verdere motivering voor het bestreden besluit gegeven. Eiser zou niet kunnen accepteren dat één van de andere leden van de vereniging geen contact met hem wil. Het betreffende lid heeft onder andere op 2 juli 2024 aan eiser, die op dat moment nog geen lid was van de vereniging, gemeld geen contact meer met hem te willen. Sindsdien heeft eiser via verschillende kanalen pogingen gedaan om toch contact met haar te krijgen. Daarnaast is eiser kerkdiensten gaan bezoeken van de kerk waar het betreffende lid naartoe gaat, is lid geworden van dezelfde sportschool en heeft zich net als het betreffende lid aangemeld als bloeddonor. Ook heeft eiser zijn motorrijbewijs gehaald, heeft hij een Suzuki Intruder gekocht en is hij lid geworden van de vereniging. Tijdens verenigingsactiviteiten is eiser contact blijven zoeken met het betreffende lid. Hij begroet haar structureel en indringend, probeert zo dicht mogelijk bij haar te rijden tijdens de ritten en blijft in haar directe nabijheid tijdens lunches en afsluitende drankjes. Eiser is door andere leden aangesproken op zijn gedrag en hem is ook door hen verzocht geen contact meer met haar te zoeken. Dit heeft niet tot een verandering van het gedrag van eiser geleid, waardoor er een onaangename sfeer is ontstaan binnen de vereniging. Het bestuur heeft hier op moeten ingrijpen door het lidmaatschap van eiser op te zeggen tegen het einde van het kalenderjaar, aldus nog steeds de vereniging.
Nu de vereniging een verdere motivering heeft gegeven en het concrete gedrag van eiser heeft benoemd dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onvoldoende gemotiveerd en in dat opzicht ook niet in strijd met de statuten. Bij dit oordeel weegt de voorzieningenrechter mee dat het bestuur in de brief van 28 november 2025 heeft gewezen op het gedrag van eiser jegens een mede-lid en dat uit de overgelegde processtukken volgt dat eiser wist dat met dit mede-lid het lid werd bedoeld waarop de nadere motvering van het bestuur betrekking heeft. Hieruit volgt dat hij vanaf 28 november 2025 wist dat zijn gedrag jegens dit betreffende lid ten grondslag lag aan het bestuursbesluit.
Hoor en wederhoor
De voorzieningenrechter overweegt dat eiser wel kan worden gevolgd in zijn betoog dat het bestuur ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast voordat het bestreden besluit werd genomen. De vereniging heeft ter zitting – samengevat –- aangevoerd dat eiser zijn kant van het verhaal heeft kunnen doen bij het provinciehoofd Drenthe en dat, mede op basis van een advies van de vertrouwenspersoon, van verdere hoor en wederhoor is afgezien omdat zou zijn gebleken dat eiser niet luistert op het moment dat hij wordt aangesproken op zijn gedrag. Hoor en wederhoor dienen echter te worden toegepast door het beslissingsbevoegde orgaan van de rechtspersoon, in dit geval het bestuur. Het provinciehoofd maakt daar geen deel van uit. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat het bestuur de zienswijze die eiser tegenover het provinciehoofd Drenthe heeft gegeven, in haar afweging heeft betrokken. Verder staat de stelling van de vereniging dat eiser niet zou luisteren, wat daar ook van zij, er niet aan in de weg om hoor en wederhoor toe te passen. De toepassing van hoor en wederhoor heeft immers niet de strekking dat eiser wordt aangesproken op zijn gedrag, maar dat hij de gelegenheid krijgt zijn zienswijze te geven voordat een voor hem belastend besluit wordt genomen. Tot slot is van belang dat een vertrouwenspersoon ten opzichte van het verenigingsbestuur geen adviserende functie heeft. Het gegeven dat de vertrouwenspersoon in dit specifieke geval inlichtingen heeft verstrekt aan het bestuur had voor het bestuur juist aanleiding moeten zijn om eiser wél in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze over die inlichtingen te geven en kan geen grond opleveren om daar vanaf te zien.
De voorzieningenrechter ziet in het achterwege blijven van hoor en wederhoor binnen de vereniging echter geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen, omdat eiser ter zitting bij de voorzieningenrechter alsnog zijn zienswijze heeft gegeven over de feiten die het bestuur aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.
Strijd met de redelijkheid en billijkheid
Standpunt van eiser
Eiser heeft – samengevat – gesteld dat hij en het betreffende lid, anders dan zij binnen de vereniging heeft gemeld, tot april 2025 goed contact hadden. Het betreffende lid heeft in april 2025 het contact met eiser abrupt verbroken. Eiser vond het in eerste instantie lastig om daar mee om te gaan en heeft hier met haar over willen praten. Dit betreft volgens eiser een privékwestie en geen verenigingsaangelegenheid. Tijdens verenigingsactiviteiten heeft er geen voorval plaatsgevonden tussen eiser en het betreffende lid en het bestuur heeft eiser nooit aangesproken op zijn gedrag. Eiser heeft zelf ook geen behoefte meer aan contact met het betreffende lid en kan haar tijdens verenigingsactiviteiten ontlopen. Er is geen onaangename sfeer ontstaan binnen de vereniging en, voor zover dit wel het geval zou zijn, kan dit niet aan eiser worden toegerekend. Het bestreden besluit is volgens eiser, gelet op deze feiten en omstandigheden, in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen.
Juridische norm
Bij de beoordeling of een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden geëist, komt het aan op de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de bij de vereniging betrokken personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5502, NJ 1987/959 (Vecolac)). Deze norm laat een zodanige marge dat de rechter niet al te snel - zeker niet wanneer het betrokken orgaan tegenstrijdige belangen heeft moeten afwegen - tot overschrijding daarvan kan besluiten (HR 21 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (KLM)).
Toets aan redelijkheid en billijkheid
Eiser heeft in zijn algemeenheid gesteld dat er tijdens verenigingsactiviteiten geen voorval heeft plaatsgevonden tussen eiser en het betreffende lid, maar de vereniging heeft specifiek gedrag van eiser benoemd dat door hem niet is weersproken. Zo heeft eiser niet weersproken dat hij tijdens ritten zo dicht mogelijk bij het betreffende lid probeerde te rijden, in haar directe nabijheid bleef tijdens lunches en afsluitende drankjes en dat hij hierop is aangesproken door een ander verenigingslid op 1 juni 2025 en door het provinciehoofd Drenthe op 6 september 2025, waarbij hem is verzocht geen contact meer met haar te zoeken. Eiser heeft daarentegen ter zitting ook zelf genoemd dat hij het betreffende lid heeft begroet tijdens de toertocht van 7 september 2025. Ook heeft eiser niet weersproken dat dit vervolgens tot een escalatie tussen hem en het betreffende lid heeft geleid, waar meerdere andere leden getuige van zijn geweest.
Eiser wordt daarnaast niet gevolgd in zijn betoog dat de kwestie tussen hem en het betreffende lid een privékwestie betreft en geen verenigingsaangelegenheid. De vereniging heeft – samengevat – aangevoerd dat eiser zich in dezelfde periode als waarin hij lid is geworden van de vereniging ook heeft aangesloten bij de kerk van het betreffende lid, dat hij ook daar is aangesproken op zijn gedrag jegens haar en dat hem vervolgens ook is verzocht de kerkdiensten niet meer te bezoeken. Eiser heeft dit niet weersproken. Het gedrag van eiser binnen de vereniging stond daarmee niet op zichzelf, maar maakte deel uit van een breder gedragspatroon buiten de vereniging. Het verenigingsbestuur heeft het gedrag van eiser buiten de vereniging, en de impact daarvan op een van haar andere leden, daarom in zijn belangenafweging mogen betrekken.
Verder heeft de vereniging – anders dan eiser voorstaat – in haar belangenafweging kunnen betrekken dat er een onaangename sfeer is ontstaan binnen de vereniging. De vereniging heeft aangevoerd dat er vanwege de verschillende voorvallen een ongemakkelijke sfeer zou bestaan op het moment dat eiser en het betreffende lid in dezelfde ruimte zijn, dat meerdere andere leden zich aan het gedrag van eiser zouden storen en dat meerdere leden zich met de kwestie zouden bezighouden. Eiser heeft dit weliswaar weersproken, maar de uitdraaien van Whatsappconversaties en individuele conversaties met twee andere leden die eiser heeft ingebracht kunnen dit door de vereniging geschetste beeld niet wegnemen.
Gelet op dit een en ander heeft het verenigingsbestuur in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om het lidmaatschap van eiser te beëindigen.
Klachtenreglement
Tot slot heeft de vereniging onweersproken uiteengezet dat de algemene ledenvergadering het klachtenreglement heeft aangenomen op 15 maart 2026, terwijl het bestreden besluit dateert van 28 november 2025. Dat betekent dat het bestreden besluit – anders dan door eiser is gesteld – niet in strijd is met het klachtenreglement, omdat dit klachtenreglement op dat moment nog niet binnen de vereniging van kracht was.
Conclusie
De voorzieningenrechter concludeert dat zij het beroep van eiser op schending van de motiveringsplicht en van hoor en wederhoor afwijst, dat het verenigingsbestuur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en dat een beroep op het klachtenreglement niet slaagt. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de vorderingen van eiser in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De vorderingen tot schorsing van het bestreden besluit en tot toelating van eiser tot verenigingsactiviteiten zullen worden afgewezen.
Het verbod voor de vereniging om zich negatief uit te laten over eiser
Eiser heeft verder gevorderd dat de vereniging zal worden veroordeeld zich niet negatief over eiser uit te laten. De voorzieningenrechter overweegt dat eiser geen onderbouwing voor deze vordering heeft gegeven. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het bestuur van de vereniging zich negatief heeft uitgelaten over eiser of dat zal gaan doen, zijn niet gesteld of gebleken. Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat eiser bij dit gedeelte van zijn vordering een voldoende belang heeft. Ook deze vordering van eiser zal worden afgewezen.
De proceskosten
Eiser is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de vereniging vergoeden. De vereniging heeft gevorderd dat eiser wordt veroordeeld in de reële proceskosten. Een veroordeling in de reële proceskosten is volgens vaste rechtspraak alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen in het kader van de procedure zijn niet gesteld of gebleken. Eiser zal worden veroordeeld de forfaitair bepaalde proceskosten van de vereniging te vergoeden.
De proceskosten van de vereniging worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de in de beslissing vermelde verhoging)
Totaal € 2.101
De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van eiser af;
veroordeelt eiser in de proceskosten van de vereniging, tot op heden begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot aan de dag van volledige betaling. Als eiser niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet eiser € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.