RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/710864 / JE RK 26-1450
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. R.F.P Scheele uit Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 12 augustus 2026.
2. De feiten
De vader van [minderjarige], [de vader], is op [datum] 2026 overleden.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juli 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 augustus 2027 en een machtiging verleend in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 20 juli 2026 tot 20 oktober 2026, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, zijnde voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 juli 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 augustus 2026, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, zijnde voor de duur van een week.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak van 11 augustus 2026 het resterende verzoek met betrekking tot de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg afgewezen.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 20 juli 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden. [minderjarige] heeft in deze periode in een gezinshuis verbleven waar tijdelijk plek was, tot 31 juli 2026. Op 30 juli 2026 heeft de gecertificeerde instelling een plek voor [minderjarige] gevonden in een gezinshuis, echter kon [minderjarige] hier pas op 10 augustus 2026 terecht in verband met de vakantie. Omdat de plaatsing in het andere gezinshuis per 31 juli 2026 ophield, werd [minderjarige] ter overbrugging in een pleeggezin geplaatst. De gecertificeerde instelling heeft hiervoor op 30 juli 2026 een spoedverzoek bij deze rechtbank ingediend voor de duur van drie weken. Dit verzoek is bij beschikking van 30 juli 2026 toegewezen voor de duur van twee weken, zijnde de maximale duur dat een spoedverzoek mag worden toegewezen, en voor het overige deel, zijnde voor de duur van een week, aangehouden. Met deze beslissing is de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor een gezinsgerichte instelling met ingang van 31 juli 2026, de datum dat de machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin ten uitvoer werd gelegd, komen te vervallen. [minderjarige] heeft van 31 juli 2026 tot 10 augustus 2026 in het pleeggezin verbleven. Op 11 augustus 2026 is het aangehouden deel van dit verzoek inhoudelijk ter zitting behandeld. Omdat [minderjarige] de dag ervoor al was overgeplaatst naar het huidige gezinshuis, is dit verzoek afgewezen. De gecertificeerde instelling was in de veronderstelling dat de machtiging die bij beslissing van 20 juli 2026 voor een uithuisplaatsing bij een gezinsgerichte voorziening was toegewezen tot 20 oktober 2026, ook na de toewijzing van de spoedbeslissing van 30 juli 2026 nog van kracht was. Dit is niet het geval. De gecertificeerde instelling heeft daarop onderhavig spoedverzoek ingediend dat ertoe strekt [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte instelling.
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige].
Er is naar aanleiding van een incident op 11 juli 2026 reeds vastgesteld dat er sprake is van een onveilige thuissituatie bij de moeder, wat maakt dat [minderjarige], in ieder geval op dit moment, niet bij de moeder kan verblijven. [minderjarige] verblijft op dit moment zonder titel in het gezinshuis. De moeder stemt niet in met een vrijwillige uithuisplaatsing. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] dat zij zonder machtiging tot uithuisplaatsing bij het gezinshuis verblijft.
De kinderrechter machtigt de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De gecertificeerde instelling en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 12 augustus 2026 tot 26 augustus 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de gecertificeerde instelling en de moeder en haar advocaat op voor de zitting van mr. A.P. Pereira Horta op 20 augustus 2026 om 16:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, aan Prins Clauslaan 60 in Den Haag.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 12 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.