[eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres 1
[eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres 2
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Bohemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging van voorlopig verblijf (mvv).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres 1 stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006 en eiseres 2 stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2008. Beiden stellen de Oegandese nationaliteit te hebben.
Op 10 januari 2018 heeft [referent] (referent) een aanvraag gedaan voor een mvv met als verblijfsdoel ‘nareis’, ten behoeve van eisers. Eisers stellen de pleegkinderen te zijn van referent, hun oom en de broer van hun overleden vader. Deze aanvraag is bij besluit van 24 mei 2018 door verweerder afgewezen.
Op 27 mei 2020 heeft referent opnieuw eenzelfde aanvraag gedaan, welke bij besluit van 3 januari 2022 door verweerder is afgewezen.
Op 14 september 2022 heeft referent een aanvraag gedaan voor een mvv met als verblijfsdoel ‘nareis’ (de aanvraag), ten behoeve van eisers. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 april 2024 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eisers hun eigen identiteit en de identiteit van hun biologische vader niet aannemelijk hebben gemaakt. Hierdoor voldoen eisers niet aan de voorwaarden van paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en is verweerder aan een verdere toetsing van de gestelde pleegouder-pleegkindrelatie niet toegekomen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing gebleven.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en beroepen zich op het volgende. Allereerst verwijzen eisers naar al hetgeen eerder in deze procedure naar voren gebracht, wat ze als herhaald en ingelast beschouwen. Daarnaast stellen eisers dat verweerder niet het juiste toetsingskader heeft gehanteerd om de identiteit van hun biologische vader vast te stellen. Eisers hebben namelijk een overlijdensakte en een testament overgelegd waarvan de echtheid niet ter discussie staat en welke verweerder niet of nauwelijks bij de beoordeling heeft betrokken. Ook heeft verweerder geen nader onderzoek verricht. Eisers nemen eenzelfde stelling in voor wat betreft hun eigen identiteit. Verweerder moet alle documenten, officieel of niet, samen met de verklaringen van de vreemdelingen bij de beoordeling betrekken. Verweerder heeft dit nagelaten en verweerder heeft gezien de situatie ten onrechte geen aanvullend onderzoek geboden. De echt bevonden geboorteaktes kunnen daarbij als substantieel bewijs worden aangemerkt. Daar komt bij dat verweerder rekening moet houden met de belangen van betrokken kinderen – in dit geval eisers – en alle relevante elementen van het geval, waaronder de veiligheidssituatie in Oeganda waardoor veel mensen hun documenten zijn kwijtgeraakt. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Richtlijn 2003/86/EG) en artikelen 9, 10 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Nu eisers daarnaast hun eigen identiteit en dat van hun biologische vader voldoende aannemelijk hebben gemaakt, had verweerder de relatie tussen eisers en referent bij de beoordeling moeten betrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn beoordeling van de identiteit van eisers en is daarom van oordeel dat verweerder de identiteit van eisers niet aannemelijk heeft kunnen vinden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het beleid van verweerder zoals vermeld in paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) schrijft voor dat verweerder een integrale beoordeling maakt van de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge gezinsband. Op basis van alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in samenhang bezien, wordt bekeken of de identiteit van en gezinsband tussen de betrokkenen aannemelijk is gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat eisers in hun eerste aanvraag voor een mvv kopieën van hun paspoorten, afgegeven op 14 december 2017, en de daaraan ten grondslag gelegde geboorteakten, afgegeven op 28 december 2015, hebben overgelegd om hun identiteit te onderbouwen. De geboorteakten zijn door Bureau Documenten beoordeeld en vals bevonden, waar door eisers niet op is gereageerd. In het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun eerste aanvraag hebben eisers twee nieuwe geboorteakten overgelegd, afgegeven op 30 juli 2018. Deze zijn door Bureau Documenten echt bevonden. Met hun tweede aanvraag hebben eisers ten aanzien van hun identiteit geen nieuwe documenten ingebracht, enkel nieuwe verklaringen. Hoewel eisers de inconsistenties in de geboorteplaats tussen de verschillende documenten hebben kunnen verklaren, hebben zij hun identiteit niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft hierbij gewezen op het feit dat de paspoorten gebaseerd zijn op vals bevonden geboorteakten, de echt bevonden geboorteakten later dan de paspoorten zijn afgegeven en er geen brondocumenten voor de echt bevonden geboorteakten zijn overlegd.
Bij de derde en daarmee huidige aanvraag hebben eisers zogeheten ‘Short Birth Certificates’ overgelegd, afgegeven op 8 juni 2022. Dit zouden de brondocumenten voor de echt bevonden geboorteakten zijn. Verweerder heeft eisers tegengeworpen dat dit geen officiële geboorteakten zijn maar lokale akten, wat eisers in zoverre niet hebben betwist. Daarbij komt de afgifte door de NIRA niet overeen met de verklaring van eisers dat deze door het ziekenhuis zouden zijn afgegeven. Bovendien zijn deze certificaten afgegeven na afgifte van de paspoorten en de echt bevonden geboorteakten, en valt daaruit niet op te maken wanneer de daarop vermelde gegevens voor het eerst zijn geregistreerd. Daardoor is voor verweerder niet zonder meer gebleken dat deze certificaten dan wel de daarop vermelde gegevens als bron hebben gediend voor de echt bevonden geboorteakten. Eisers hebben bovendien ook geen andere documenten van vóór 2017 ingediend ter onderbouwing van de paspoorten. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de gegevens waarop de paspoorten zijn gebaseerd, niet betrouwbaar zijn.
Het toetsingskader zoals door eisers aangehaald met de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 staat – voor zover dit ziet op de integrale beoordeling van alle ingebrachte documenten en/of afgelegde verklaringen, ongeacht hun officiële status – op zichzelf niet ter discussie. Verweerder heeft in de besluitvorming daarbij verwezen naar paragraaf C2/4.1.2 van de Vc waaruit dit ook volgt. Er is echter niet gebleken dat verweerder dit niet of onvoldoende heeft toegepast, gelet op wat verweerder in de beoordeling in zowel het primaire besluit als het bestreden besluit heeft meegewogen. Verweerder heeft de identiteit van eisers opnieuw beoordeeld en heeft daar de in de eerdere procedures overgelegde documenten opnieuw bij betrokken en daar een waardeoordeel aan toegekend. Op basis daarvan komt hij desondanks tot het oordeel dat de identiteit van eisers niet aannemelijk is gemaakt. Dat verweerder op enkele punten terugverwijst naar wat er in de eerdere procedures is besloten over de door eisers ingediende documenten, maakt dat niet anders. Om eisers het voordeel van de twijfel te geven en daarbij nader onderzoek aan te bieden heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven te zien.
De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018 wordt ook niet zonder meer gevolgd. Eisers hebben gesteld dat de in die uitspraak genoemde lijn – namelijk dat van Eritrese minderjarige vreemdelingen in beginsel geen officiële documenten worden verlangd – algemeen op andere nationaliteiten toegepast kan worden. De daarin door verweerder benoemde beleidslijn is specifiek van toepassing op Eritrese minderjarigen op basis van relevante landeninformatie. Het is niet gebleken dat de situatie in Oeganda, hetzij in het algemeen dan wel voor eisers specifiek, daaraan gelijk gesteld kan worden, noch hebben zij onderbouwd waarom de veiligheidssituatie in Oeganda voor hun een rol heeft gespeeld in de beschikbaarheid van de nodige documentatie. Te meer zo nu zij in deze en voorgaande procedures verschillende documenten hebben kunnen overleggen. Van bewijsnood, voor zover eisers dat hebben willen betogen, is dan ook niet gebleken.
Nu de identiteit van eisers niet aannemelijk wordt bevonden, is dat alleen al voor verweerder voldoende grond geweest om de aanvraag van eisers af te wijzen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook aan kunnen geven dat de identiteit van de biologische vader van eisers, die in eerste instantie wel is beoordeeld maar niet aannemelijk is bevonden, niet door verweerder getoetst hoefde te worden. De documenten daaromtrent heeft verweerder dan ook niet bij het bestreden besluit hoeven te betrekken. Ditzelfde geldt voor de beoordeling van de gestelde pleegouder-pleegkindrelatie tussen referent en eisers. Verweerder heeft aan deze toetsing niet toe hoeven komen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Omdat het beroep ongegrond is krijgen eisers geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.