RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/701186 / HA RK 26/157
Beschikking van 13 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoekster] te [woonplaats],
verzoekster,
advocaat: mr. B.F. Veldman,
tegen
ING BANK N.V. te Amsterdam,
verweerster,
advocaat: mr. D.J. Posthuma,
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als [verzoekster] en ING.
1. In het kort: waar deze zaak over gaat en wat het oordeel van de rechtbank is
In deze zaak is het de vraag of de BKR-registratie van [verzoekster] door ING verwijderd moet worden. Die registratie maakt het voor haar moeilijk nieuwe financiering ten behoeve van haar huis te krijgen. De rechtbank komt tot het oordeel dat ING de BKR-registratie nog niet hoeft te verwijderen.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het op 9 maart 2026 ter griffie ingekomen verzoekschrift met producties 1 tot en met 18;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 18;
- de brief namens [verzoekster] van 18 juni 2026 met producties 19 en 20;
- de door de advocaat van [verzoekster] gebruikte en overgelegde pleitnotitie.
Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen met hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Tijdens de zitting is beschikking bepaald op 20 juli 2026 en vervolgens bij vervroeging op vandaag.
3. De feiten
[verzoekster] en haar toenmalige partner, de heer [naam 1] zijn (mede)eigenaar van de woning aan het adres [adres 1] te [plaats 1] geweest. In verband met de aankoop van de woning hebben [verzoekster] en [naam 1] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. (hierna: ABN). Daarnaast hebben [verzoekster] en [naam 1] een lening bij ING afgesloten voor de aankoop van een auto. Ook hielden [verzoekster] en [naam 1] een betaalrekening aan bij ING.
In 2013 is de affectieve relatie tussen [verzoekster] en [naam 1] geëindigd. [verzoekster] en het minderjarige kind van [verzoekster] en [naam 1] zijn vervolgens bij de moeder van [verzoekster] ingetrokken. [verzoekster] heeft haar woonadres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) per 5 november 2013 gewijzigd naar het adres [adres 2] te [plaats 2].
[verzoekster] en [naam 1] hebben hun woning met een restschuld verkocht. [verzoekster] heeft vervolgens een betalingsregeling met ABN getroffen.
In de periode vanaf 21 januari 2014 tot en met 1 augustus 2014 heeft ING vijf brieven naar [verzoekster] gestuurd, waarin zij melding maakt van betalingsachterstanden en [verzoekster] verzoekt om contact op te nemen. De brieven zijn naar de woning aan het adres [adres 1] te [plaats 1] verzonden.
Per 1 mei 2014 heeft [verzoekster] haar adres in de BRP gewijzigd naar het adres [adres 3] te [plaats 1].
Op 26 september 2014 heeft Vesting Finance Fiditon (hierna: Vesting) een brief aan [verzoekster] gestuurd namens ING. De brief is naar het adres [adres 1] te [plaats 1] verzonden en vermeldt, voor zover relevant:
“U heeft een schuld bij de ING. Het beheer hiervan is aan Vesting Finance Fiditon overgedragen. Onlangs heeft u hier bericht over gehad van de ING.
Uw vordering
Omschrijving Contractnummer Bedrag
Betaalrekening [rekeningnummer] € 1.642,44
Persoonlijke Lening [nummer] € 9.384,13
Rente € 6,34
Totaal verschuldigd € 11.032,91
Betalen
Wij verzoeken u het totaalbedrag binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief over te maken naar […].”
BKR
Indien de achterstand nog niet is gemeld bij het BKR, is de ING Bank NV verplicht de betalingsachterstand alsnog aan te melden. Dit betekent dat als het volledige bedrag niet binnen 14 dagen van deze brief is voldaan, de betalingsachterstand bij BKR gemeld zal worden. De melding van een betalingsachterstand kan gevolgen hebben voor onder andere uw toekomstige krediet- en hypotheekaanvragen.”
Per brief van 20 februari 2015 heeft Vesting [verzoekster] gesommeerd binnen 10 dagen een bedrag van € 11.151,03 te betalen. Daarbij is nogmaals gemeld dat de achterstand bij BKR wordt gemeld indien [verzoekster] niet tijdig tot betaling overgaat. De brief is naar het adres [adres 1] te [plaats 1] verstuurd.
Op 23 maart 2015 heeft ING bij het BKR melding gemaakt van de opeising van de vordering die zij op [verzoekster] heeft in verband met de geldlening en de roodstand op de betaalrekening. Per brief van 25 maart 2015 heeft Vesting [verzoekster] onder andere medegedeeld dat bij het BKR is gemeld dat de vordering op [verzoekster] is opgeëist.
Nadat Vesting de deurwaarder heeft ingeschakeld, heeft de deurwaarder [verzoekster] op 16 april 2015 aangeschreven op het adres [adres 3] te [plaats 1], het adres waar zij op dat moment was ingeschreven in de BRP. Op 21 april 2015 heeft [verzoekster] een betalingsregeling met ING getroffen, op basis waarvan zij gehouden was maandelijks een bedrag van € 50 aan ING te betalen.
In 2021 is een rentestop toegepast op de vordering van ING op [verzoekster].
Op 13 december 2022 heeft ABN finale kwijting aan [verzoekster] verleend voor de restschuld op de hypothecaire geldlening.
Op 10 april 2024 hebben [verzoekster] en haar nieuwe partner, de heer [naam 2], de woning in [plaats 3] die zij tot dat moment huurden gekocht voor een bedrag van € 555.000.
[verzoekster] heeft vervolgens contact met ING opgenomen om een minnelijke regeling te treffen. Op dat moment betaalde [verzoekster] nog steeds maandelijks een bedrag van € 50 aan ING. Per brief van 14 mei 2024 heeft ING ingestemd met een slotbetaling van € 1.788,44 door [verzoekster] aan ING. Voor het restantbedrag van circa € 6.000 heeft ING finale kwijting aan [verzoekster] verleend. De brief vermeldt voorts, voor zover relevant:
“BKR
Conform de richtlijnen van Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel zijn wij verplicht een einddatum en een code 3 te melden, omdat er sprake is geweest van een finale kwijting waarbij er een bedrag van € 250,- of meer is afgeboekt. Deze melding kan gevolgen hebben voor onder andere uw toekomstige krediet en hypotheekaanvragen.
[verzoekster] heeft de brief van 14 mei 2024 op 16 mei 2024 ondertekend en retour gestuurd.
Op 21 mei 2024 heeft ING bij het BKR melding gemaakt van de afboeking van (een gedeelte van) de vordering die zij op [verzoekster] had in verband met de geldlening en de roodstand op de betaalrekening. [verzoekster] heeft als gevolg hiervan een tweetal BKR-registraties dat op 21 mei 2029 wordt verwijderd uit het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) van het BKR.
Bij brief van 28 mei 2024 is [verzoekster] er nogmaals op gewezen dat ING verplicht is een code 3 te melden bij het BKR.
Op 8, 9 en 12 augustus 2024 hebben drie hypotheekvertrekkers [verzoekster] bericht dat het voor haar niet mogelijk is om een hypothecaire geldlening af te sluiten vanwege de BKR-registraties.
In verband met de aankoop van de woning in [plaats 3] heeft [naam 2] enkel op zijn naam een hypothecaire geldlening afgesloten voor een gedeelte van de koopsom. Daarnaast hebben [verzoekster] en [naam 2] op 24 juni 2024 voor de aankoop van de woning tezamen een overeenkomst van geldlening gesloten met de heer [naam 3], de broer van [naam 2] (hierna: gelduitlener), voor een bedrag van € 190.000 met een rente van 8,5% per jaar. De overeenkomst van geldlening bepaalt dat sprake is van een looptijd van 30 jaar en dat gelduitlener de lening ondanks de looptijd na één jaar kan opeisen, zonder specifieke uitleg, met een aanzegtermijn van drie maanden.
Op 11 september 2024 heeft [verzoekster] ING verzocht de BKR-registratie te verwijderen. Namens ING is dit verzoek per brief van 9 oktober 2024 afgewezen.
Per brief van 29 november 2024 heeft [verzoekster] het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie herhaald en nader onderbouwd. Op 31 december 2024 is dit verzoek namens ING afgewezen.
Eind 2025 heeft gelduitlener een brief naar [verzoekster] en [naam 2] gestuurd, waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen:
“Op grond van artikel 4.4 van de overeenkomst van geldlening ben ik bevoegd de lening na één jaar op te eisen, zonder opgave van redenen. Ondanks dat jullie zowel de aflossingen als de rente steeds op tijd hebben voldaan, zie ik mij vanwege de financiële gezondheid van mijn bedrijf genoodzaakt om in de nabije toekomst van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Ik verzoek jullie daarom in het licht van het bovenstaande om tijdig de nodige financiële maatregelen te treffen.”
Op 19 december 2025 heeft [verzoekster] nogmaals een verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie ingediend bij ING en ABN. Per brief van 8 januari 2026 heeft ABN aan [verzoekster] medegedeeld dat zij zal overgaan tot verwijdering van de BKR-registratie. ING heeft op 27 januari 2026 afwijzend gereageerd.
Op 18 juni 2026 heeft gelduitlener een e-mail naar [verzoekster] en [naam 2] gestuurd, waarin voor zover relevant het volgende wordt gemeld:
“Jullie hebben mij laten weten dat ING twijfels heeft geuit over mijn intentie om de geldlening op te eisen.
Zoals ik reeds in mijn eerdere brief heb aangegeven, ben ik wel degelijk voornemens het volledige openstaande bedrag van de geldlening op te eisen. Jullie weten dat ik druk bezig ben met de verbouwing van mijn sportschool in [plaats 4]. Daarvoor heb ik het aan jullie uitgeleende bedrag nu hard nodig, ook omdat de begroting van die verbouwing inmiddels ernstig wordt overschreden door onvoorziene omstandigheden.
Om een vervangende lening aan te vragen, hebben jullie aangegeven bezig te zijn met het laten verwijderen van de BKR-registratie van [verzoekster]. Jullie zijn hierover een gerechtelijke procedure gestart tegen ING. In overleg heb ik ermee ingestemd de opeising van de geldlening aan te houden totdat de rechter uitspraak heeft gedaan.
Na deze uitspraak zal ik alsnog overgaan tot volledige opeising van de geldlening. Daartoe ben ik bevoegd op grond van artikel 4.4 van de overeenkomst van geldlening.”
4. Het verzoek en het verweer
[verzoekster] verzoekt de rechtbank – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- ING te bevelen om de persoonsgegevens van [verzoekster] in het CKI van het BKR, voor zover zij betrekking hebben op de registraties met de contractnummers [nummer] en [rekeningnummer], beide voorzien van bijzonderheidscoderingen A, 2 en 3, binnen 48 uur na betekening van de beschikking te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.000 voor iedere dag dat ING niet aan dit bevel voldoet, met een maximum van € 100.000;
- ING te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking.
[verzoekster] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. ING heeft de persoonsgegevens van [verzoekster] geregistreerd bij het BKR. Op grond van artikel 21 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is ING gehouden de verwerking van persoonsgegevens te staken, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [verzoekster]. Bij de belangenafweging moet rekening worden gehouden met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank is op grond van artikel 79 AVG jo. artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) bevoegd om ING te bevelen de verwerking van de persoonsgegevens van [verzoekster] te staken. De belangen van [verzoekster] en haar gezinsleden wegen (vele malen) zwaarder dan de belangen van ING.
ING voert verweer dat strekt tot afwijzing van de verzoeken en met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
In deze zaak ligt de vraag voor of de negatieve BKR-registratie van [verzoekster] door ING verwijderd moet worden. De rechtbank stelt bij de beantwoording van die vraag het volgende voorop.
Beoordelingskader verwijderen BKR-registratie
Op grond van artikel 4:32 Wet op het financieel toezicht (Wft) zijn kredietaanbieders zoals ING verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het BKR heeft daartoe het CKI ingericht. Het CKI verschaft kredietverstrekkers informatie over reeds aan de consument verstrekte kredieten. Het CKI is een instrument dat kredietverstrekkers gebruiken voor de uitvoering van een op hen rustende wettelijke verplichting. Op grond van de wet zijn kredietverstrekkers namelijk verplicht om bij het sluiten van een kredietovereenkomst of het verhogen van de kredietlimiet in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie, om te beoordelen of het krediet of de verhoging daarvan verantwoord is (artikel 4:34 lid 1 Wft). De kredietverstrekkers moeten dit doen om te voorkomen dat de consument een krediet afsluit waarvan hij de lasten niet kan dragen. Als het met het oog op overkreditering van de consument onverantwoord is, mag de kredietaanbieder niet overgaan tot het sluiten van de overeenkomst of tot de verhoging (artikel 4:34 lid 2 Wft). De informatie over de kredietwaardigheid van de consument wint de kredietverstrekker onder meer in door raadpleging van het CKI. Op grond van de financiële regelgeving is de kredietverstrekker verplicht om bij kredieten van meer dan € 250,- het CKI te raadplegen (artikel 114 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen).
Het doel van de kredietregistratie door het BKR is volgens de wetsgeschiedenis tweeledig. Enerzijds heeft dit tot doel de consumenten tegen overkreditering te beschermen. Anderzijds heeft de registratie ook tot doel de aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen.
De verhouding tussen het BKR en haar zakelijke klanten zoals ING, is geregeld in het Algemeen Reglement CKI (AR). In het AR is onder meer bepaald dat betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst, door de zakelijke klanten in het CKI worden vermeld met bijbehorende bijzonderheidscoderingen. Artikel 13 AR noemt, voor zover van belang, onder meer de volgende coderingen:
“code 2 de zakelijke klant heeft betaling van het restant van de of de gehele vordering geëist conform de daarvoor geldende wettelijke vereisten;
code 3 de zakelijke klant heeft een bedrag van € 250,- of meer afgeboekt. Als afboeking plaatsvindt en de consument hoeft niets meer te betalen (finale kwijting), wordt tegelijkertijd met deze code de beëindiging van de overeenkomst met een werkelijke einddatum gemeld. In andere gevallen meldt de zakelijke klant geen werkelijke einddatum;”
Artikel 14 AR regelt nader wanneer persoonsgegevens worden verwijderd. Artikel 14 AR bepaalt daarover onder meer het volgende:
“1 Gegevens van afgelopen overeenkomsten worden, tenzij hierna anders bepaald, vijf (5) jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst door Stichting BKR uit CKI verwijderd.
[…]
10 Het is de zakelijke klant niet toegestaan om een contract, achterstand, herstelcode en/of bijzonderheidscodering uit CKI te verwijderen, tenzij er sprake is van:
a. een onterechte registratie;
b. een terechte registratie die na een zorgvuldige belangenafweging op basis van beschikbare gegevens over individuele omstandigheden, disproportioneel blijkt;
c. een uitspraak van een rechter of een geschillencommissie als de Geschillencommissie BKR of KiFiD, voor zover de uitspraak strekt tot verwijdering van het contract of aanpassing van de achterstand, herstelcode en/of bijzonderheid.”
Uitgangspunt is dat kredietaanbieders zoals ING in het kader van het deelnemen aan het stelsel van kredietregistratie bij BKR persoonsgegevens verwerken. Daarop is de AVG van toepassing. In artikel 6 lid 1 AVG is (limitatief) omschreven onder welke voorwaarden de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is. Artikel 6 AVG luidt, voor zover van belang:
“1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
[…]
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
[…]
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.”
De verwerking van persoonsgegevens door het BKR en de kredietaanbieders vindt haar grondslag in artikel 6 lid 1 onder f AVG, omdat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van het BKR en haar zakelijke klanten. Ook het AR neemt tot uitgangpunt dat artikel 6 lid 1 sub f AVG de grondslag is voor de verwerking van persoonsgegevens in CKI (zie artikel 3 lid 4 AR).
Niet betwist is dat in dit geval de betalingsachterstand, de opeising van het krediet en de gedeeltelijke aflossing en afboeking van het resterende krediet hebben plaatsgevonden en dat de registraties in het BKR destijds, ook gelet op de toepasselijke bepalingen van het AR, op zichzelf terecht zijn gedaan. De vraag is of de registraties nu, gezien de huidige omstandigheden waaronder het tijdsverloop sinds de aanvang van de registraties, moeten worden verwijderd.
Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan [verzoekster], met een beroep op haar specifieke situatie, bezwaar maken tegen de (verdere) verwerking van haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder f AVG. ING moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [verzoekster] of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet ING op grond van artikel 17 lid 1 onder c AVG de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. Als ING het bezwaar niet honoreert, kan [verzoekster] de rechtbank zo nodig verzoeken om het verwijderingsverzoek alsnog toe te wijzen.
Voor de beoordeling is van belang of ING aannemelijk heeft gemaakt dat de dwingende gerechtvaardigde belangen (het tweeledige doel van de kredietregistratie) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen, grondrechten en fundamentele vrijheden van [verzoekster]. Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. ING moet aannemelijk maken dat in dit concrete geval haar belangen zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekster].
ING kan bij de te maken weging niet volstaan met een algemene verwijzing naar de wettelijke plicht tot het deelnemen aan een stelsel van kredietregistratie en het maatschappelijke belang daarvan. Ook is het niet voldoende om zich uitsluitend op de regels van het AR (bijvoorbeeld dat een code vijf jaar blijft staan) te beroepen. Het AR is geen wettelijke regeling. Het AR geldt in beginsel slechts tussen het BKR en de aangesloten financiële instellingen. Wel geven deze regels, die zijn gepubliceerd, aan eenieder inzicht in de wijze waarop het BKR en de aangesloten financiële instellingen uitvoering willen geven aan de hun in artikel 4:32 Wft opgedragen taak. In zoverre dragen zij bij aan de rechtszekerheid en kunnen kredietaanbieders deze tot uitgangspunt nemen, maar zij zullen zich niet (uitsluitend) achter dat uitgangspunt kunnen verschuilen en, afhankelijk van de uitkomst van de onder 5.10 genoemde toets, in voorkomend geval ervan moeten afwijken. Naar mate de registratie langer voortduurt komt de lat hoger komt te liggen voor de kredietverstrekker (die registratie wil handhaven), lager voor degene van wie de gegevens zijn geregistreerd.
In het kader van een verzoek op grond van artikel 21 AVG moet ING ingaan op de door [verzoekster] aangedragen en naar vermogen onderbouwde met haar specifieke situatie verband houdende redenen voor bezwaar. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bezwaar zijn bijvoorbeeld:
de omvang van de schuld en/of de achterstand;
de omvang van de schuld die is kwijtgescholden;
of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;
de reden voor (het ontstaan en voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid;
de huidige financiële situatie van betrokkene (waaronder het inkomen) en als deze weer stabiel is, hoe lang al;
of betrokkene andere schulden heeft;
of sprake is geweest van ernstige (al dan niet structurele) wanbetaling;
de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld voor de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);
het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.
Het handhaven van de BKR-registratie van [verzoekster] is niet disproportioneel
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om de registraties van [verzoekster] vroegtijdig uit het BKR te verwijderen. De door [verzoekster] aangevoerde belangen en omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende. Bij die beoordeling heeft de rechtbank verschillende omstandigheden betrokken, die hierna worden besproken.
De betalingsachterstand van [verzoekster] is ontstaan tijdens een voor haar ingrijpende periode waarin haar relatie eindigde en zij plotseling als alleenstaande moeder verder moest. De hectische privésituatie heeft ervoor gezorgd dat [verzoekster] haar financiële situatie tijdelijk uit het oog verloor. [verzoekster] is met haar minderjarige kind naar de woning van haar moeder verhuisd en heeft deze verhuizing wel doorgegeven aan de BRP, maar niet aan ING. De correspondentie van ING werd daarom naar haar oude adres verzonden en is niet door [naam 1] naar [verzoekster] doorgestuurd. Er was volgens [verzoekster] geen sprake van onwil, maar de correspondentie heeft haar niet bereikt. Dat blijkt volgens [verzoekster] ook uit het feit dat ze binnen vijf dagen nadat de brief van de deurwaarder van 16 april 2015 haar had bereikt een betalingsregeling heeft getroffen. ING heeft echter terecht aangevoerd dat [verzoekster] op grond van artikel 14 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden verplicht is om haar adreswijzigingen zelf aan ING door te geven. ING heeft geen inzage in de BRP. Het komt dan ook voor rekening en risico voor [verzoekster] dat de brieven van ING haar tot 16 april 2015 niet hebben bereikt. [verzoekster] wordt bekend geacht met de betalingsachterstanden, temeer omdat [verzoekster] ter zitting heeft aangegeven dat sprake was van meerdere schulden. Zij had daarom zelf een vinger aan de pols moeten houden. Weliswaar heeft [verzoekster] binnen enkele dagen na de brief van de deurwaarder van 16 april 2015 een betalingsregeling getroffen, maar dat laat onverlet dat zij in de periode daarvoor geen actieve(re) houding richting ING heeft aangenomen terwijl dat redelijkerwijs wel van haar mocht worden verwacht.
[verzoekster] voert verder aan dat ING zelf een bedrag vrijwillig heeft afgeboekt en dat de afboeking niet in het kader van de schuldsanering heeft plaatsgevonden. [verzoekster] wijst erop dat zij op dat moment al jaren conform de betalingsregeling heeft afgelost, waardoor de afgeboekte schuld volgens haar beperkt was. Daar staat tegenover dat [verzoekster] gedurende een periode van 9 jaar, weliswaar conform de betalingsregeling, slechts een bedrag van € 50 per maand aan ING heeft voldaan. Daarmee is tot aan de rentestop in 2021 vrijwel alleen rente voldaan en daarna maandelijks een beperkte aflossing op de hoofdsom (zonder dat ING vanaf dat moment jegens [verzoekster] nog aanspraak op aanvullende rentebetalingen heeft gemaakt terwijl zij daartoe wel gerechtigd was). Vervolgens is ING op basis van de haar bekende informatie kennelijk overgegaan tot afboeking van een gedeelte van de schuld. Dit weegt weliswaar niet in het nadeel van [verzoekster] mee, maar ook niet in haar voordeel.
Volgens [verzoekster] is al geruime tijd sprake van een stabiele financiële situatie. Zij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en voert aan dat zij sinds de betalingsproblemen geen nieuwe schulden is aangegaan behoudens de geldlening bij gelduitlener. Verder ontvangt [naam 2] een goed maandelijks inkomen, zodat zij samen na voldoening van de huidige vaste lasten, waaronder begrepen de geldlening bij gelduitlener met hoge rente en de hypothecaire geldlening op naam van [naam 2], nog een bedrag van ruim € 3.000 overhouden. [verzoekster] en [naam 2] hebben een woning gekocht waarvoor een (hypothecaire) geldlening aangetrokken moest worden, terwijl [verzoekster] wist (althans ten minste redelijkerwijs moest weten) dat zij hoogstwaarschijnlijk geen (reguliere) hypothecaire geldlening zou kunnen krijgen vanwege haar BKR-registratie. ING en Vesting hebben [verzoekster] daar meermaals op gewezen (“Deze melding kan gevolgen hebben voor onder andere uw toekomstige krediet en hypotheekaanvragen.”). Ondanks de BKR-registratie is [verzoekster] overgegaan tot de aankoop van de woning, terwijl zij – zoals ING terecht aanvoert – er ook voor had kunnen kiezen om de huurovereenkomst voort te zetten, in welk geval geen financiering hoefde te worden aangetrokken. Mogelijk verleid door de omstandigheid dat de woning – zoals [verzoekster] stelt – onder de marktwaarde kon worden aangekocht (een buitenkansje) heeft [verzoekster] besloten in zee te gaan met een particuliere financier en zich te verbinden tot betaling van een zeer aanzienlijke (niet marktconforme) rente over de geleende som. Die gang van zaken rechtvaardigt de conclusie – die ING daaruit trekt – dat [verzoekster] bereid is financiële risico’s te nemen dan wel onvoldoende op de hoogte is van de financiële risico’s die zij neemt. Van een stabiele financiële situatie kan dan ook niet zonder meer gesproken worden.
Nu de particuliere financier voornemens is om het volledige geleende bedrag op korte termijn op te eisen (een bevoegdheid die de financier zich bij het aangaan van de geldlening heeft voorbehouden) zegt [verzoekster] zich gedwongen te zien de woning te verkopen als geen hypothecaire financiering kan worden verkregen, die bovendien voor haar en haar partner het voordeel van een veel gunstiger rente zou betekenen. De rechtbank overweegt dat dit geen omstandigheid is die in het nadeel van het registratiebelang meeweegt. [verzoekster] is met een BKR-registratie een geldleningsovereenkomst met een hoge, niet marktconforme rente aangegaan, met daarin de bepaling dat de particuliere financier de lening na één jaar kan opeisen. Zij heeft het risico dat de particuliere financier van deze opzeggingsmogelijkheid gebruik zou maken op de koop toegenomen toen zij de lening is aangegaan. De nadelige gevolgen hiervan kunnen [verzoekster] niet baten in de belangenafweging.
Tot slot voert [verzoekster] aan dat inmiddels twee jaar is verstreken sinds de BKR-registratie en dat zij ook daarvoor al jaren aan haar financiële verplichtingen heeft voldaan. Gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is het volgens [verzoekster] niet gerechtvaardigd om de BKR-registratie nog langer te handhaven. De rechtbank overweegt dat ING er terecht op heeft gewezen dat uit vaste rechtspraak volgt dat de vijfjaarstermijn in zijn algemeenheid voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De termijn is gelijk aan kortlopende verjaringstermijnen en aan de looptijd van de meeste financieringsovereenkomsten. Het is zeker mogelijk dat een aangetoonde financiële stabiliteit ertoe kan leiden dat handhaving van een registratie – ook voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn – niet langer proportioneel is, maar in dit geval is daarvan nog geen sprake.
Tot slot heeft [verzoekster] aangevoerd dat ABN de BKR-registratie van [verzoekster] in het begin van 2026 wel heeft verwijderd. Op dat moment was echter aanzienlijk meer tijd verstreken vanaf de datum van de BKR-registratie dan in de onderhavige situatie het geval is. Daarbij heeft [verzoekster] onvoldoende inzichtelijk gemaakt welk bedrag zij aan ABN verschuldigd was, welke bedragen zij aan ABN heeft betaald en welk bedrag is afgeboekt. De situatie is daarom niet gelijk aan de onderhavige en daarnaast dient ING een eigen afweging te maken op basis van alle relevante (en mogelijk andere) omstandigheden van het geval.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft ING voldoende onderbouwd dat de noodzaak van de BKR-registratie nog niet is komen te vervallen. Gelet op de achtergrond en de omvang van de vorige schuldenproblematiek, de omvang van de schade die ING op het krediet heeft geleden, de wijze waarop [verzoekster] forse nieuwe financiële verplichtingen is aangegaan en de nog relatief korte periode sinds de BKR-registratie, is er nog steeds een actueel en gerechtvaardigd belang om andere kredietverstrekkers door middel van de BKR-registratie te informeren over de kredietrisico’s die zich in verband met het krediet van ING hebben verwezenlijkt. Van de kant van ING is dus voldoende aannemelijk gemaakt dat er nog steeds een voldoende substantieel gerechtvaardigd belang is bij handhaving van de BKR-registratie.
De slotsom is dat het beroep op verwijdering van de BKR-registratie moet worden afgewezen.
Proceskosten
[verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.306 (2 punten à € 653)
- nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.219
6. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van ING, tot op heden begroot op € 2.219, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
3556