[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiser/verzoeker (hierna: eiser 1)
[eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 3] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres 2)
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Bohemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier en beoordeelt de voorzieningenrechter hun verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft hun aanvragen met de besluiten van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1990 en de Burundese nationaliteit te hebben. Daarnaast is eiser 1 is geboren op [geboortedatum 2] 2015 en eiseres 2 op [geboortedatum 3] 2017. Beiden hebben de Britse nationaliteit en zijn de minderjarige kinderen van eiseres.
Eiseres heeft op 22 juli 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning gedaan met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ om te kunnen verblijven bij eiser 1. Voor beide kinderen heeft eiseres daarbij een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘niet-tijdelijk humanitair’ op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit zijn de aanvragen die aan deze procedure ten grondslag liggen.
Bij besluiten van 23 oktober 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen afgewezen. De aanvraag van eiseres is afgewezen omdat zij niet voldoet aan het mvv-vereiste. In tegenstelling tot de kinderen is eiseres hiervan niet vrijgesteld. Omdat geen van de eisers rechtmatig verblijf heeft in Nederland, geldt daarbij voor alle drie de aanvragen dat er tussen eisers daarom geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Wel is er voor eisers sprake van privéleven in Nederland, maar valt de belangenafweging uit in hun nadeel. Van een onredelijke hardheid of bijzondere omstandigheden is geen sprake. Daarbij is eisers op verschillende momenten eerder al een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd, welke tot op heden nog gelden. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij zijn afwijzing gebleven.
Op naam van de kinderen is er – voor zover relevant – hangende het bezwaar tegen het primaire besluit op 24 oktober 2024 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (met zaaknummer NL24.41636). Nu verweerder het bestreden besluit op het bezwaar van eisers kenbaar heeft gemaakt voordat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist en eisers tegen dat besluit beroep hebben ingesteld, klapt het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar om naar een verzoek hangende beroep. Eiseres heeft daarbij met het beroep tegen het bestreden besluit ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan (met zaaknummer NL25.43880) ten behoeve van eisers, nadat op haar verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar (zaaknummer NL24.41608) was beslist.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiervoor het volgende aan. De toetsing van verweerder is onduidelijk en onjuist. Verweerder had eerst de aanvragen van haar kinderen moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Eiseres acht het daarbij vreemd dat verweerder geen familie- of gezinsleven tussen eisers aanneemt nu zij ouder en kinderen zijn. Dat geen van hen rechtmatig verblijft heeft, doet hier niet aan af. Voor wat betreft de belangenafweging over het privéleven van de kinderen is van belang dat zij in Nederland zijn geboren, hier zijn opgegroeid en hun sociale kring hebben, Nederland nooit uit zijn geweest en er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging indien zij naar Burundi moeten. De belangen van de kinderen zijn compleet verwaarloosd door verweerder. Eveneens van belang is dat de kinderen vanwege hun Britse nationaliteit in de EU mogen zijn en verweerder hen geen terugkeerverplichting op kan leggen. Daarbij draagt eiseres wel de volledige zorg voor de kinderen, maar heeft hun vader – die in Engeland woont – nog wel gezag over hen. Per brief heeft hij aangegeven dat hij eiseres geen toestemming verleent om de kinderen mee te nemen naar Burundi. Vervangende toestemming via de rechter is voor eiseres kansloos. Bovendien heeft eiseres geen middelen of netwerk om zich (al dan niet tijdelijk) in Burundi te vestigen. Nu aan beide kinderen een verblijfsvergunning toegekend had moeten worden, moet eiseres vrijgesteld worden van het mvv-vereiste omdat zij de enige verzorgende ouder in Nederland is, en er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Voor wat betreft het privéleven van eiseres blijft verweerder bij de belangenafweging daarvan hangen in algemeenheden. Eiseres woont al 18 jaar in Nederland en haar band met Nederland is sterker dan met Burundi. Zij heeft daar niets en niemand meer. Verweerder had eiseres verder moeten vrijstellen van het paspoortvereiste, al dan niet onder voorwaarden. Eiseres wordt namelijk zonder paspoort Burundi niet binnengelaten, maar om een Burundees paspoort aan te vragen moet zij wel Burundi in wat eiseres zelf niet op kan lossen. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Familieleven
4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij het vreemd vindt dat er volgens verweerder geen sprake zou zijn van familie- of gezinsleven tussen haar en haar kinderen. Ook dat haar kinderen niet mee zou kunnen nemen naar Burundi vanwege hun Britse nationaliteit en omdat hun vader daartoe geen toestemming geeft. Daarbij zouden zij vanwege hun nationaliteit rechtmatig verblijf in de EU hebben.
Verweerder kan erin gevolgd worden, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, dat niet ter discussie wordt gesteld dat er sprake is van gezinsleven tussen eisers, maar dat dit volgens hem niet tot het oordeel leidt dat er sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Geen van de eisers hebben namelijk rechtmatig verblijf in Nederland en niet is gebleken dat zij gedwongen uit elkaar gehaald worden. In een eerdere procedure is daarnaast al vastgesteld dat de kinderen, ook op basis van hun nationaliteit, geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Wat inmiddels in rechte vaststaat. Dat eiseres geen alternatieve toestemming zou kunnen krijgen is daarbij onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft er bovendien op kunnen wijzen dat de handgeschreven brief over de weigering van de toestemming om met de kinderen naar Burundi te vertrekken niet is vergezeld van (een kopie van) de paspoort van de vader of datum, waardoor ook niet vastgesteld kan worden van wie de brief afkomstig is en er niet vanuit gegaan kan worden dat de vader geen toestemming verleent. Evenmin zijn de stellingen van eiseres dat de kinderen de EU niet kunnen verlaten en dat zij Burundi niet in zouden mogen nader onderbouwd. Waarom hun Britse nationaliteit hieraan in de weg zou staan is niet of onvoldoende gebleken.
Ten aanzien van de volgorde van toetsen van de aanvragen heeft dat niet uitgemaakt. Verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eisers. Verweerder heeft daarmee voor eisers getoetst of zij aanspraak maken op een verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM, voor zover dat strekt tot familie- en gezinsleven hier in Nederland. Dat dit voor eiseres in het kader van een eventuele vrijstelling van het mvv-vereiste is verricht en dat dit voor haar kinderen een direct inhoudelijke toetst betrof, doet aan de conclusie van verweerder niet af.
Privéleven
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiseres sinds 2007 in Nederland verblijft en sindsdien, ondanks verschillende aanvragen daartoe, geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Dit geldt ook voor de kinderen. Daarbij neemt verweerder voor eisers aan dat er sprake is van privéleven in Nederland. Dit leidt voor verweerder desondanks niet tot de conclusie dat hen rechtmatig verblijf in Nederland moet worden verleend. De belangenafweging valt voor allen namelijk in hun nadeel uit.
Verweerder heeft het privéleven van de kinderen inhoudelijk getoetst. Hierin heeft verweerder meegewogen dat zij in Nederland zijn geboren, inmiddels zeven en negen jaar oud zijn, zij hier naar school gaan en banden hebben opgebouwd. Daar zet verweerder tegenover dat de banden van de kinderen in en met Nederland zijn opgebouwd doordat eiseres hier kinderen heeft gekregen nadat voor haar duidelijk was dat haar verblijf hier niet langer toegestaan was. Eiseres is ook afhankelijk van een eventueel verblijfsrecht van de kinderen voor verblijf hier, terwijl de keuze om naar Nederland te komen onder de verantwoordelijkheid van eiseres valt. Dat de kinderen in de tussentijd banden met Nederland hebben opgebouwd komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Daar komt bij dat de kinderen nog jong zijn, zij banden hebben met Engeland vanwege hun Britse nationaliteit en het nog regelmatige contact met hun vader, en er geen sprake is van een objectieve belemmering voor de kinderen om in Engeland of Burundi te wonen. Van een subjectieve belemmering is evenmin gebleken en het feit dat algemene omstandigheden in Burundi anders zijn dan in Nederland is onvoldoende reden om hen alsnog een verblijfsrecht toe te kennen.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de door eiseres genoemde brief van 113 pagina’s waaruit de banden van eisers met Nederland blijken hier onvoldoende bij is betrokken. Verweerder heeft een korte samenvatting van de inhoud ervan gemaakt, maar hetgeen daarin benoemd is niet bijzonder genoeg om te concluderen dat zij een dusdanige band met Nederland hebben dat redelijkerwijs niet van hen verwacht kan worden dat zij hun privéleven elders uitoefenen. Van een eventuele ontwikkelingsbedreiging is ook niet gebleken. Eisers hebben hiervoor geen onderbouwing kunnen geven of kunnen verwijzen naar onderzoeken of rapporten inzake de kinderen waaruit dat blijkt. Dat de vader van de kinderen daarnaast niet voor hun dagelijkse zorg wil opdraaien, is iets tussen de ouders. Daar hoeft verweerder niet zonder meer rekening mee te houden. Verweerder kan daarom worden gevolgd in zijn conclusie ten aanzien van de belangenafweging van de kinderen.
Verweerder heeft daarnaast voor eiseres getoetst of zij vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM in het kader van haar privéleven in Nederland. Ook hierin kan verweerder worden gevolgd. Overwogen is dat eiseres als minderjarige naar Nederland is gekomen, zij tussentijds niet aantoonbaar buiten Nederland is geweest, zij vrijwilligerswerk heeft verricht en in de jaren dat zij hier is geweest een sociaal netwerk op heeft gebouwd. Desalniettemin heeft eiseres er zelf voor gekozen om haar banden met Nederland te intensiveren terwijl zij wist zij hier niet langer mocht verblijven en heeft zij niet meegewerkt aan een vrijwillige terugkeer. Haar sociale banden met Nederland zijn daarbij, ondanks haar vrijwilligerswerk, beperkt. Bovendien betreft het – vanwege het gebrek aan eerder rechtmatig verblijf – een eerste toelating, dus is haar uitgangspositie minder sterk. Verder wordt eiseres tegengeworpen dat zij geen geldig paspoort heeft, er geen sprake is van een objectieve belemmering om in Burundi haar privéleven uit te oefenen en dat niet is gebleken dat zij geen familie of netwerk in Burundi meer heeft. Verweerder heeft daarover ter zitting aangegeven dat het moeilijk is om aan te tonen dat eiseres geen familie of vrienden meer in Burundi heeft, maar eiseres heeft hiervoor niets overgelegd. Daarbij heeft verweerder haar ook tegengeworpen dat, zelfs als eiseres zou worden gevolgd in haar gestelde gebrek aan netwerk, niet is gebleken dat zij zich niet zonder netwerk in Burundi zou kunnen vestigen. Tenslotte spreekt eiseres zowel de Nederlandse als Burundese taal, is er onvoldoende grond om een subjectieve belemmering aan te nemen en tellen de jaren dat zij in Nederland heeft verbleven niet zonder meer in haar voordeel nu zij haar formatieve jaren in Burundi heeft doorgebracht.
Omdat het voorgaande al genoeg is om te dragen dat eiseres geen vrijstelling van het mvv-vereiste toekomst, behoeft het tegengeworpen paspoortvereiste geen verdere bespreking meer.
Hardheidsclausule
6. Verweerder heeft de hardheidsclausule in het primaire besluit inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank ziet, mede gelet op de voorgaande overwegingen, geen aanleiding om verweerder hier niet in te volgen. Voor zover door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden niet aan bod zijn gekomen, is niet gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat eiseres alsnog vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste, dan wel dat eisers alsnog een verblijfsvergunning verleend had moeten worden.
Refoulementrisico
7. Eiseres heeft gewezen op de veiligheidssituatie in Burundi. De rechtbank ziet hierin een beroep op het beginsel van non-refoulement. Daar komt bij dat verweerder eerder opgelegde terugkeerbesluiten in het bestreden besluit handhaaft, waarbij die van eiseres voortkomt uit een eerdere asielprocedure. Uit het arrest Ararat en de daarop volgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder in alle fasen van de terugkeerprocedure rekening moet houden met het beginsel van non-refoulement en moet hij, indien hij in een latere reguliere procedure een eerder opgelegd terugkeerbesluit handhaaft, zijn beoordeling in dat kader actualiseren. De beoordelende nationale rechter is daarbij verplicht om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen aan de hand van het dossier.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat er geen kenbare, geactualiseerde beoordeling van het refoulementrisico is gemaakt in de besluitvorming. Dit betekent dat er een motiveringsgebrek aan de bestreden besluiten kleeft. Verweerder heeft er desalniettemin op kunnen wijzen dat eiseres enkel heeft verwezen naar algemene informatie en er geen blijk is geweest van omstandigheden die raken aan artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het EU-Handvest. Ook ambtshalve ziet de rechtbank in het dossier geen aanleiding voor een refoulementrisico. De rechtbank kan verweerder dan ook in zijn nadere toelichting volgen. Omdat eisers hierdoor evident niet in hun belangen zijn geschaad, zal de rechtbank het eerder genoemde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft.
Beide verzoeken om een voorlopige voorziening worden buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor elk ingediend verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,-).
Eisers hebben geen griffierecht betaald waardoor dit niet vergoed hoeft te worden.
Beslissing
De rechtbank, in zaaknummer NL25.43879:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummers NL25.43880 en NL24.41636:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De rechtbank/voorzieningenrechter in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.